Nieuwkoppen in cyberspace

William Gibson, Idoru. Vertaald door Peter Cuijpers, uitgeverij Meulenhoff-*M, 256 blz., 334,90. Ook verkrijgbaar: William Gibson, De cyberpunkromans (Zenumagiër, Biochips, Mona Lisa Overdrive). Vertaald door Peter Cuijpers, Meulenhoff-*M, 339,90
NAARMATE de tijden platter worden, de wereld meer en meer van haar raadselen ontdaan wordt en de wonderen sneller de wereld uit vlieden, naarmate we, kortom, onze biotoop beter gaan kennen en kunnen analyseren en berekenen, is de behoefte aan geheimen en mysteries evenredig aan het toenemen. Als het onweert gelooft niemand nog dat de hemel op zijn hoofd gaat vallen. Ufo’s zijn altijd stiekeme militaire projecten van de yankees. De regenboog is geen verzoeningsteken van God. Het monster van Loch Ness dankt haar bestaan aan een reeks mislukte foto’s, bovenwereldse graancirkels in Britse korenvelden zijn ginnegappend aangebracht door een stelletje malloten van boeren (de boeren! die worden langzamerhand een serieuze bedreiging voor de samenleving!). En de bijna-doodervaring is, net als het déjà-vu, een eenvoudig chemisch uitglijdertje in de menselijke hersenen.

We weten bijna alles. Tegelijkertijd kun je het zo krankjorem niet verzinnen of er is wel een club die er met overgave in gelooft. Ontvoeringen door ET-families, buitenzintuiglijke waarneming, handlezen, telekinese, toekomst voorspellen, reïncarnatie, tijdreizen, invriezen van het hoofd - het maakt niet uit, men gelooft erin. Gebedsgenezing, communiceren met de doden, de sturende hand van God de Vader, de tarot, Wieteke van Dort - hoe zweveriger, hoe beter. Met een bewonderenswaardige stompzinnigheid en gezegend met dubbel verduisterde oogkleppen stampt men verbeten de ene na de andere moderne mythe uit de grond. Tegenover elk verloren mysterie wordt een nieuw raadsel geplaatst, een enigmatisch verhaal (want het heeft steevast een narratieve vorm) dat moet voorkomen dat de mens wordt gereduceerd tot een platgerekend, driedimensionaal, uitgeanalyseerd stelsel van chemische processen-in-zoogdiervorm (wat hij natuurlijk is). Want niemand kan leven met de gedachte slechts een optelsom van elektrische en chemische processen te zijn. Van de wetenschap voor 72 procent uit water te bestaan, raken de meeste mensen al in paniek.
We hebben mythes nodig. In Godsnaam.
EEN VAN DE beste mythes van de laatste tijd: cyberspace. Het bestaat, ècht. We brengen er een belangrijk deel van ons leven door. Cyberspace, het begrip, is een uitvinding van de schrijver William Gibson. Bij hem is het een soort onder- of subwereld waar een eindeloze hoeveelheid elektronische gegevens is opgeslagen en waar mensen zich tot op zekere hoogte ook in kunnen begeven, middels hulpmiddelen als data gloves en andere elektrodeachtige verbindingsstukken.
Gibson is de godfather van de cyberpunk, een stroming in de literatuur die bij haar ontstaan en tijdens haar opkomst nogal wat aandacht trok. De boeken van Gibson en cyberpunk-nummer-twee, Greg Bear, laten zich lezen als een cross over tussen ‘echte’ literatuur en de genreroman. Ze presenteren werelden waarin cyber- en computercowboys als moderne Kafka-personages ronddwalen in een eenzame jacht op De Vijand.
In Zenumagiër, Gibsons beroemdste roman, draait alles om Case, een verlopen computercowboy met een grote voorliefde voor drugs, alle drugs - en dat zijn er veel in de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. Zijn strijd is vooral gericht tegen 'het netwerk’, waarin allerlei krachten, kwade en goede, met elkaar zijn verbonden. Case plugt voortdurend in op de 'matrix’ waar hij op een niet-stoffelijk niveau, als een zwevende entiteit, in contact treedt met andere 'personen’ die in diezelfde 'ruimte’ rondzweven.
’“De matrix heeft zijn oorsprong in de primitieve spelletjes van de automatenhallen”, zei de achtergrondstem, “in vroege grafische programma’s en een aantal militaire experimenten met schedelplugs.” De vervagende beelden van een tweedimensionale ruimteoorlog maakten op het scherm van de Sony plaats voor een woud van mathematisch gegenereerde varens, die de ruimtelijke mogelijkheden van logaritmische spiralen demonstreerden. Kil blauw getinte militaire filmbeelden volgden: proefdieren in de kabelwirwar van een laboratoriumopstelling, helmen die waren aangesloten op de vuurgeleiding van tanks en gevechtsvliegtuigen. “Matrixruimte. Een poly-zintuiglijke hallucinatie waaraan dagelijks miljoenen zich overgeven, van legitieme operators, overal ter wereld, tot en met kinderen, die zich vertrouwd moeten maken met wiskundige concepten… Een grafische weergave van gegevens die zijn ontleend aan de databanken van alle computers in het wereldwijde netwerk. Onvoorstelbare complexiteit. Oplichtende lijnpatronen in de nonruimte van de geest, clusters en knooppunten van data. Als de lichten van een nachtelijke metropool, van veraf gezien, steeds verder…”’
HET KLINKT als pure science fiction. Maar William Gibson is geen sf-schrijver. Daarvoor is zijn stijl te goed en zijn manier van vertellen te literair. Ook kent hij zijn klassieken, en hij laat dat merken: verwijzingen naar de wereldliteratuur en de beeldende kunst van de afgelopen eeuwen zijn legio, en vaak nog goed gekozen ook. Van koketterie is geen sprake, eerder van een oprechte literaire achtergrond en verbeelding.
Toch heeft de cyberpunk het nooit echt gehaald als literatuur. In het begin, halverwege de jaren tachtig, had het er de schijn van dat Gibson cum suis bij de echte literatuur zou gaan horen en niet zou worden weggestopt in het hokje 'fantasy’ of 'science fiction’. Gezien de presentatie van de boeken door uitgever Meulenhoff in haar SF & Fantasy-reeks, is het Gibson niet vergund geweest blijvend de plaats te veroveren die hij verdient. Want Zenumagiër, Biochips, Mona Lisa Overdrive en recentelijk Idoru zijn te goed en te interessant om achteloos te worden weggerangeerd naar het voor de literatuur veilige buitengebied van de verantwoorde lectuur.
Gibsons laatste boek, Idoru, is echter niet zijn beste, wat weer twijfel oproept aan de noodzaak van een literaire canonisering. Het is alsof hij minder hoog heeft ingezet, alsof er minder baan te breken was. En wellicht is dat ook zo. Met zijn eerste boeken opende Gibson nog een wereld die voor iedereen onbekend was, een universum van gecomputeriseerde mensen en vermenselijkte computers, een werkelijkheid waaraan een tweede werkelijkheid parallel geschakeld was, de realiteit van de matrix, de cyberspace. In deze tijd is dat bijna gemeengoed geworden: we hebben die matrix veroverd en in kaart gebracht en noemen haar het World Wide Web, we brengen er veel tijd door, doen er sociale contacten op, bouwen er huizen, amuseren onszelf, schrijven brieven, maken plannen, debatteren en worden verliefd op vreemdelingen.
Dat tekent overigens de visionaire kracht van Gibson: veel van wat hij bij elkaar zat te verzinnen in zijn eerste boeken, is inmiddels 'uitgekomen’. Ook dat maakt Zenumagiër en de andere cyberpunkromans, als ze nu worden gelezen of herlezen, meer dan science fiction: het zijn niet eens zo uitgesproken onrealistische romans over de huidige tijd, over mensen van de technocultuur. Natuurlijk wordt de boel nu en dan flink op de spits gedreven, maar de beschreven wereld is toch te allen tijde herkenbaar als die van vandaag. Gibson vergroot bepaalde aspecten van onze tijd uit en maakt ze, hyperbolisch, bijna karikaturaal en dus verontrustend of vervreemdend.
NEEM bijvoorbeeld de fascinerende rol die het menselijk lichaam speelt bij Gibson: hoe meer men de matrix doorkruist, en hoe meer men dus op een onlichamelijke manier communiceert, hoe groter de behoefte blijkt te worden aan fysieke prikkels. Men drogeert zich dat het een aard heeft, met pillen en poeders van exotische pluimage: het leven buiten de matrix, het fysieke bestaan in de 'gewone’ wereld, stelt in vergelijking bij het opgeschroefd-intense cruisen door de 'nonruimte van de geest’ bitter weinig voor. Het verveelt, het stelt teleur. Om te ontsnappen aan de platheid, de eentonigheid, het geordende, zijn drugs het aangewezen hulpmiddel. Met graagte grijpt men naar, bijvoorbeeld, derma: 'De drug raakte hem als een rechtse directe die vol doorkwam; een verzengende bliksemflits, kortgesloten seksuele energie, die vanuit de buurt van zijn prostaat via de ruggegraat witheet naar zijn hoofd schoot en de naden van zijn hersenpan deed smelten. Zijn tanden stonden in hun kaakholten te trillen als stemvorken, ieder in een zuivere, doordringende toonsoort. Onder het vliesdun en vederlicht geworden omhulsel van vlees voelden zijn botten aan alsof ze van glimmend chroom waren en de scharnieren van zijn gewrichten alsof iemand ze zojuist geolied had. Zandstormen wervelden schurend, purgerend door zijn schedel en genereerden krachtige golven statische elektriciteit die pal achter zijn ogen tot ontlading kwamen in uitdijende bollen van het zuiverste kristal…’
Wauw… Gibson preludeert hier op een wereld waarin de scheiding tussen lichaam en geest zich verder zal doorzetten, en waarin mensen twee persoonlijkheden zullen hebben, en twee levens leiden: één online, en één in de alledaagse, driedimensionale realiteit.)
IDORU PRESENTEERT een bekend soort Gibson-protagonist, Colin Laney, die uitblinkt in 'dataverwerking’. Daarnaast wordt de aandacht opgeëist door de rockgroep Lo/Rez. De frontman daarvan, Rez, gaat, zo fluistert men, trouwen met een idoru, een prefab persoonlijkheid die is geconstrueerd in een van de zij-werkelijkheden, die van de virtual reality. Na enige tijd ontmoet Laney de idoru in levenden lijve: 'Twee mannen. Een vrouw. De vrouw moest Rei Toei zijn. Als hij zich al een beeld van haar had gevormd, dan dat van een soort chirurgisch gemodelleerde synthese van pakweg de dertig beroemdste Japanse mediagezichten van de laatste paar jaar. Zo gebeurde het gewoonlijk in Hollywood, en de formule werd nog strikter toegepast in het geval van softwarepersona’s, nieuwkoppen, van wie de gelaatstrekken algoritmisch werden berekend op basis van een algemeen menselijk gemiddelde van bewezen populariteit.
Zij was in het geheel niet zo. (…) En nu ontmoette haar blik de zijne.
Het was alsof hij opeens een grens overschreed.’
Het is alsof William Gibson in Idoru een grens overschrijdt: het randje over van de 'toekomstliteratuur’ naar echte, onvervalste science fiction. Belangrijker dan het wezen en de oorsprong van de idoru zijn in de roman de diverse spannende, malle maar platte plotjes over achtervolgingen en bedriegerijen. De schrijver toont zich een stuk minder visionair dan voorheen en lijkt te gauw tevreden met een 'lekker’ boek dat heus wel prettig leest en bij tijd en wijlen grappig is maar waarin de echt opvallende ideeën achterwege blijven. Dat is misschien de tragiek van Gibson: nu de wereld die hij zo virtuoos neerzette in Zenumagiër, Biochips, Mona Lisa Overdrive en Virtueel licht stapje voor stapje meer realiteit lijkt te worden, kan hij die niet meer beschrijven zoals hij dat altijd heeft gedaan. Wil hij het randje blijven bewandelen tussen de 'echte’ literatuur en zijn geliefde genreroman - en dat is het randje waar het het interessantst is -, dan moet hij steeds weer nieuwe wegen zoeken, nieuwe extrapolaties maken van bestaande ontwikkelingen, en daar omheen zijn verhalen knopen. Natuurlijk is de gedachte van een tot leven gebrachte virtual reality-dame wel leuk, en natuurlijk zitten we allemaal te wachten op de dag dat we er een in het echt zullen tegenkomen, de neerslag ervan in de roman Idoru haalt het niet bij het eerdere werk.
DE NIEUWSTE technologische ontwikkelingen kunnen inspirerend zijn voor de literatuur, als inspiratiebron, als motor voor verhalen. Maar we kunnen ook op een andere manier kijken naar de relatie tussen literatuur en 'cyber’: de computer als instrument voor de creatie van literatuur, of van kunst in het algemeen. Cyberspace, of het Internet, of het virtuele leven, of de 'nonruimte van de geest’ - op het eerste gezicht bieden ze eindeloos veel mogelijkheden voor de letterkunde.
Na enkele schuchtere eerste stappen lijkt de literatuur nu soepel door haar nieuwe omgeving te benen en te gebruiken wat ze kan gebruiken van de nieuwe mogelijkheden. Cd-roms met literatuur, gezongen teksten en andere 'nieuwe’ tekst-, beeld- en geluidsdragers zijn in overvloed verkrijgbaar. Dat was een paar jaar geleden wel anders.
In den beginne werd het Internet voor niets meer gebruikt dan het publiceren van reeds geschreven teksten voor een ander publiek. In ons land was het Marcel Bullinga die waarschijnlijk als eerste de mogelijkheden van deze nieuwe vorm van tekstverspreiding gebruikte, met 'de eerste Nederlandse roman op het Net’, Roes der zinnen, een regelrechte draak ('Ze taxeert me met één oogopslag en schuift bij wijze van begroeting haar geëpileerde en onbedekte been tussen mijn dijen, pakt me bij mijn middel, draait me om, stoot haar buik traag tegen mijn billen en gooit in één zwaai en zonder enige zichtbare moeite haar hak hoog om mijn hals, gevaarlijk dicht tegen het lage witbepleisterde plafond.’ Doe dat maar eens na!)
Het kan ook anders. Dat bewijst een groep Amerikaanse kunstenaars die zich presenteren als Avant-Pop. Via hun website op www.marketplace.com verspreiden ze opruiende geschriften en manifesten. Ze zetten hoog in: alles moet anders, de literatuur het eerst. Avant-Pop beschouwt zichzelf als deel uitmakend van de westerse popcultuur. En daar voelt het zich prima in thuis. Als literaire avantgarde, want dat is het, plaatst Avant-Pop zichzelf niet tegenover de popcultuur en de massamedia, zoals traditioneel hoort bij avant-gardes, maar kiest juist hun zijde. Want in Avant-Pops literaire wereldbeeld is literatuur niet meer die elitaire kunstvorm die zich het liefst zo ver mogelijk houdt van alles wat naar massacultuur zweemt.
De Avant-Pop-kunstenaars, opgegroeid in de moeder aller massaculturen, het Amerika van de late twintigste eeuw, zien in dat de massacultuur niet meer weg te krijgen is. In plaats van haar te vernietigen wil Avant-Pop zichzelf juist aan haar koppelen, en haar vervolgens van binnenuit veranderen.
En dat gebeurt allemaal met de computer. Door op het Internet gemeenschappen te creëren en die steeds verder uit te breiden, virtuele gemeenschappen. 'Door actief te participeren’, schrijft Avant-Pop in een van haar manifesten, 'in een voortdurende uitwisseling van elektronische publikaties, manifesten, live readings, “multimedia interactive hypertexts”, conferenties en dergelijke, zullen Avant-Popkunstenaars voorgoed afrekenen met de conventies van een voorbij tijdperk, waarin de individuele kunstenaar-schrijver zijn mooigefabriceerde, originele kunstwerk schiep, dat in eerste instantie bedoeld was om geconsumeerd te worden door de elitaire kunstwereld en haar zakenmaatjes die bepalen wat in de mode is en wat niet.’
DE TOEKOMST van de literatuur ligt dus in het multimediaal samenwerken van schrijvers en andere kunstenaars die hun produkten algemeen beschikbaar maken. Avant-Pop maakt deel uit van een zich snel ontwikkelende digitale cultuur, die loodrecht staat op de analoge. De onafzienbare cyberspace maakt een democratische literatuur mogelijk, waarbij schrijvers geen uitgevers en redacteuren meer behoeven, maar alleen een computer en een modem. De lezers vinden hun werk dan vanzelf wel.
Hoe twijfelachtig dat laatste op z'n zachtst gezegd ook is, er zijn goede ideeën te vinden bij Avant-Pop. En goede schrijvers. Daar gaat het per slot van rekening om. Lees William Vollmann eens, ik noem maar wat.
Door inspanningen als die van Avant-Pop kan de literatuur misschien nieuwe impulsen krijgen. En wie weet staat er dan een nieuwe William Gibson op. Je weet het niet. De cyberspace-mythe is bijna werkelijkheid geworden, dus we hebben weer een nieuwe nodig.