Nieuwlichters (2)

Wat schetst het vertoog van Sanderijn Cels over de strenge ‘protestgeneratie’ versus de tussen zelfontplooiing en verantwoordelijkheid ‘schipperende’ jaren-negentigjongeren nu eigenlijk? Een generatieconflict tussen (eertijds) ambitieuze veertigers en een onder hun machtsdenken gebukt gaande, miskende, maar naar dialoog hunkerende en in eigen kring volledig geëmancipeerde generatie twintigers en dertigers?

Het zou maar zo kunnen. Inderdaad leggen voorheen-‘linkse’ mannetjes- en vrouwtjesputters regelmatig in autoritair-ideologische spraak vervatte onzinnige verwijten als een klamme deken over de 'negentigers’ heen. Denigrerend en kleingeestig. Anderzijds is de generatie van Cels - om een beetje generaliseren kan ik ook niet heen - weliswaar van een prachtig en creatief individueel hedonisme, maar bijna braaf onzichtbaar in een publiek debat over de onzindelijkheid van veel kanten van de dominante cultuur (behalve op Internet). En in die zin eerder tegen consumentisme en neo-liberaal 'genieten’ aanschurkend dan dat zij nieuwe globale ruimte vult met zinnelijke spiritualiteit. In een rijke wereld van uitputtend showspektakel ten koste van natuurlijke bronnen (zowel 'nature’ als 'nurture’) zijn het onder andere die veeleisende positiewisselingen die Cels jonge vrouwen toedicht of voor hen opeist, die het narcisme van onze cultuur bevestigen en de rol van sociale cohesie bij het tegengaan van misstanden onderbelichten. In het essay van deze Neelie Smit-Kroes van de girlpower wordt gegrossierd in schijntegenstellingen tussen passie en compassie, ontplooiing en verantwoordelijkheid, persoonlijke bekommernis en solidariteit. Dat zij de in stramme consensus verkavelde Hollandse polder als domein zou willen zien om spelen-werken-liefhebben in een andere maat te beleven, met meer pluriformiteit, experiment en risico, spreekt me erg aan; de koketterie met een flinterdunne Grrl!-dynamiek als noodzakelijke voorwaarde daarvoor een stuk minder. Onder ieders voortdurend ontdekken en onophoudelijk herscheppen stroomt nog steeds de wereld zelf, ons samen voedend. Er moet iets 'mogelijk’ blijven. Ook met die wereld. Waar alles kan, is niets meer mogelijk. Althans: iets niet méér mogelijk dan iets ánders. Daarom zijn de door Cels gewenste dialogen pas mogelijk als ook zijzelf haar taal plooit naar een verlangen om de betekenisvolle 'ander’ als complementair te zien, in plaats van als supplementair.