Nieuwlichters en oudgedienden

Tot ergernis van de ‘protestgeneratie’ demonstreerden er geen jongeren tegen de Navo-acties in Kosovo. En volgens de feministen van weleer zijn jonge vrouwen te veel met zichzelf bezig. Kortom: ouderen en jongeren spreken langs elkaar heen. Een essay van Sanderijn Cels, auteur van ‘Grrls!: Jonge vrouwen van e jaren negentig’.

WIE EIND JAREN ZESTIG fanatiek socialist, pacifist of feminist is geweest, moet wel teleurgesteld zijn. Het engagement van toen takelt af; jongeren zijn niet meer geïnteresseerd in de samenleving. Slechts eenderde van hen stemde voor de Provinciale Staten en nog minder voor het Europarlement, niemand demonstreerde tegen de oorlog in Kosovo en jonge vrouwen keren de feministische beweging de rug toe. Wie jong, betrokken en vol Sturm und Drang is, raakt tegenwoordig gefrustreerd. Waardering van initiatieven blijft uit; van links en rechts krijgen jongeren op hun donder. Ze zijn ‘niet bewogen door ideologie’, 'nergens in geïnteresseerd’, 'egocentrisch’ en 'afgestompt’. Veel verder dan beschuldigingen over en weer komen de generaties niet. Jongeren zouden bevangen zijn door ongepaste vrijheidszin en kleingeestig individualisme, en er een slechte muzieksmaak op na houden. Ouderen zouden zich vastklampen aan hun machtspositie en achterhaalde ideologie. Er wordt meestal grif verwezen naar de Stones, de Beatles, de bom en de Muur. Daar houden de analyses mee op en treedt het stadium van impasse en ontgoocheling in. We spreken niet dezelfde taal; we praten langs elkaar heen. Dat hebben we altijd gedaan. Betekenissen zijn voor velerlei uitleg vatbaar en ze worden in de loop der tijd van nieuwe inhoud voorzien. Elke generatie eigent zich begrippen toe en haalt zich bij woorden wat anders voor de geest dan haar voorganger. Het verschil is nu echter zo onmatig groot geworden dat we elkaar niet goed meer verstaan. Schreeuwen of klagen helpt dus niet; er bestaan twee vertogen naast elkaar. Dat is eerder voorgekomen. Tijdens elke maatschappelijke vernieuwingsronde doet zich immers een taaldispuut voor, want de onteigening gaat niet zonder slag of stoot. Taal is van nature een behoudend goed: het plooit zich graag naar de wensen van de bezitter en eenmaal overgenomen door een nieuwe eigenaar, heeft het heimwee naar de vorige. Vrijheid, gelijkheid en broederschap bijvoorbeeld zijn van die twistappels die bij alle sociale omwentelingen ter tafel komen. De woorden zijn sinds 1789 telkens van een nieuwe inhoud voorzien en altijd was dat een moeizaam proces. Ook nu duiken ze weer op en blijken ze van belang in de generatiestrijd. De invulling die twintigers en dertigers eraan geven, onderscheidt zich van de interpretatie van hun linkse protestouders. Jongeren kunnen zich moeilijk voorstellen wat die woorden ooit voor hun ouders betekenden en op hun beurt begrijpen de ouders de nieuwe uitleg niet meer. HET EERSTE ONDERDEEL van het taalgeschil betreft de term 'vrijheid’. De generaties hebben twee verschillende opvattingen van het begrip die helder worden omschreven door de politiek filosoof Isaiah Berlin. Hij onderscheidt een 'negatieve’ en een 'positieve’ variant. Negatieve vrijheid beschouwt hij als 'een gebied van niet-inmenging’ dat je kunt afbakenen, waar je geen last hebt van de bemoeizucht van anderen. Als je negatieve vrijheid bezit, kun je ongestoord je gang gaan en werken aan zelfontplooiing. Veel jongeren willen onbelemmerd hun leven vormgeven en gebruikmaken van de mogelijkheden die voor hen zijn geschapen. Ze streven naar eigenheid zonder inmenging van buitenaf, al is die nog zo goed bedoeld. Ze wensen zich een domein waar ze kunnen denken en doen zonder tussenkomst van derden. Berlin onderscheidt ook positieve vrijheid. Hij beschouwt die als het vermogen je leven en de maatschappij in te richten naar eigen idee. Positieve vrijheid stelt je in staat je plan te verwezenlijken, niet alleen binnen de eigen omgeving, maar ook in de samenleving. Het individuele domein dat zo belangrijk is voor de negatieve variant, is hier uitgebreid: het wordt opgeblazen 'tot de een of andere superentiteit - een staat, een klasse, een volk of de loop van de geschiedenis zelf’. Die kunnen immers worden beïnvloed, bijvoorbeeld via democratische procedures. De protestgeneratie wilde en wil de samenleving sturen in een richting die haar goeddunkt. Ze heeft een ambitieus plan voor ogen en tevens een manier hoe de zaak moet worden verwezenlijkt. Aangezien ze bij machte is om zich te mengen in andermans zaken, is ze in staat de maatschappij te (be)sturen. In praktijk betekent het begrip 'vrijheid’ voor linkse ouderen dus positieve vrijheid, het vermogen om richting te geven. DE EERSTE WREVEL ontstaat doordat de negatieve vrijheid van jongeren - hun verlangen naar autonomie en die gebruiken als uitvalsbasis van hun engagement - op gespannen voet staat met de positieve vrijheid van de oudere generatie - haar druk om de samenleving te veranderen volgens eigen ontwerp. Jongeren nemen hun identiteit als uitgangspunt voor hun relatie met de buitenwereld. Ze eisen de ruimte om eerst hun eigenheid te ontwikkelen. De protestgeneratie heeft de neiging haar agenda aan hen op te dringen waardoor ze het gevoel krijgen dat die hun van meet af aan dicteert hoe ze zich dienen te gedragen. In geval van het feminisme komt dat appel neer op carrière maken, de zorgtaken verdelen en bij voorkeur aansluiting zoeken bij een vrouwenorganisatie. Die oproep valt niet in goede aarde. 'Als je hoort wat die tweede-golffeministen noemen als ze het over werkende vrouwen hebben, vinden ze hun veel beter dan vrouwen die thuis blijven’, zei de jonge programmamaakster Naïma Azough in Middageditie. 'Dan denk ik: jullie bepalen blijkbaar hoe de vrouw zou moeten kiezen!’ In geval van de vredesbeweging komt dat appel neer op demonstreren tegen de Navo-acties in Kosovo, een protest waar ze tevergeefs op heeft gehoopt. Ook daar zitten jongeren niet op te wachten. Een dergelijk verwijt aan de GroenLinkse jeugd was 'een trap na’, schreef Sjoera Dikkers in de Volkskrant. 'Het halsstarrig vasthouden aan een principieel standpunt, en dat dan ideologie noemen, dat is niet meer van deze tijd!’ Jongeren beschouwen deze oproepen als inmenging in het eigen domein, hoe goed de protestgeneratie het ook met hen voorheeft. Gezag wordt sceptisch bejegend, geboden worden door de zeef van het eigen geweten gehaald, tradities aan vernieuwing onderworpen en idealen geherinterpreteerd. Ze willen eigen manieren zoeken om aan hun betrokkenheid gestalte te geven; ze schipperen tussen zelfontplooiing en verantwoordelijkheid, en proberen beide tot ontwikkeling te brengen. Een initiatief dat hierbij aansluit, is de jongerenbeweging Niet Nix van de Partij van de Arbeid, enkele jaren geleden gestart door Lennart Booij en Eric van Bruggen. Geïnteresseerde jongeren kunnen op bijeenkomsten meepraten over afzonderlijke politieke thema’s. Nieuwelingen kunnen deelnemen zonder zich meteen te moeten conformeren aan de partij-ideologie die op voorhand de uitkomst al voor hen formuleert. 'Jongeren willen hun identiteit bepalen door trial and error’, zei Booij eens. 'Vroeger was het zo dat je eerst maar eens lid moest worden van een partij en dat er daarna gekeken werd of je iets kon doen. Wij hebben dat omgedraaid. Als mensen zin hebben om te komen, zeggen wij: kom erbij. Dan kun je later altijd nog zien of je lid wilt worden.’ EEN TWEEDE GESCHILPUNT in het conflict tussen ouderen en jongeren betreft de term 'gelijkheid’. De oude generatie verwacht van nieuwe leden dat zij zich aanpassen aan haar denkkaders en handelingsprincipes. Ze doet een beroep op hen en vraagt hun om haar ideeën te omhelzen. In feite luidt haar boodschap: doe als wij. De protestgeneratie meent hier goede redenen voor te hebben: ze stelt dat zij zich solidair en verantwoordelijk heeft gedragen. Bij de oproep wordt dan ook vaak gerefereerd aan acties die destijds succesvol waren, maar nu uit de gratie zijn geraakt. En bij gebrek aan navolging krijgt de lokroep 'word onze gelijke’ al snel een verwijtende toon. Dit was het geval tijdens de Navo-bombardementen in Joegoslavië. Gedemonstreerd moest er worden, vond 'oud-links’, en liefst massaal ook. Sienie Strikwerda - geen jonkie overigens - vatte de oproep treffend samen: ’(“Moeten jullie de straat niet op om te protesteren?” wordt me deze dagen nogal eens gevraagd. “Of zijn jullie allemaal ingeslapen, onverschillig geworden of veranderd in opvattingen?” wordt er dan cynisch aan toegevoegd.’ De oudere generatie hanteert zo haar eigen maatstaf en kan maar weinig waardering opbrengen voor jongeren. Jongeren zouden niet eens meer weten wat solidariteit en engagement voorstellen; alleen linkse ouderen zouden de 'ware’ betekenis van de woorden nog begrijpen. Meten met één maat veronderstelt echter twee gelijke vertogen. De filosoof Jean François Lyotard wijst hierop. Hij meent dat taalconflicten alleen eerlijk kunnen worden beoordeeld als er maatstaven gelden die alle betrokkenen erkennen en die recht doen aan de taal van beide partijen. 'Een onrecht komt voort uit het feit dat de regels van het genre volgens welke men oordeelt niet de regels zijn van het veroordeelde genre’, schrijft hij in Le différend. Er bestaat echter geen onafhankelijke rechter die aan de hand van metaregels het geschil kan beslechten. De oude generatie speelt voor rechterlijke macht en hanteert regels die gelden voor haar eigen genre. Heb je niet dezelfde (politieke) doelen en gebruik je andere methoden dan wij, dan ben je onze mindere, luidt het oordeel. Je wordt pas gelijkwaardig als je onze denkkaders aanvaardt. Ook in de kerk zie je een dergelijk proces. De hoeders van het ware geloof verweren zich tegen vooruitstrevende humanisten, wijzen elk gesprek van de hand omdat hun critici zich op andere uitgangspunten beroepen dan zij. Natuurlijk, er wordt wel gesproken, maar alleen onder een voorwaarde die vooraf is gesteld. Die luidt: accepteer de goddelijke waarheid, beweeg je binnen de grenzen die ik aan jouw denken stel en dan kunnen we praten als gelijken. Het is een ogenschijnlijke openheid die een gelijkwaardige dialoog uitsluit. Paus Johannes Paulus(II geeft in zijn encyclieken regelmatig voorzetten voor zulke schijngesprekken. 'Het woord van God openbaart de uiteindelijke bestemming van de mens en verschaft een harmoniserende uitleg van alles wat Hij doet in de wereld. Daarom nodigt het de wijsbegeerte uit om mee te doen in het zoeken van de natuurlijke fundering van deze zin’, schrijft hij bijvoorbeeld in Fides et ratio. Hoe de protestgeneratie aan haar afwijzende houding komt, ligt voor de hand: ze meent, net als de paus, de waarheid in pacht te hebben. Dat betekent dat andersdenkenden als ongelijkwaardig worden beschouwd en, in het geval van Booij en Van Bruggen, aan de kant worden geschoven. Dit wordt natuurlijk niet gepikt. 'Ook wij behoren tot de generatie van de afgewezen kandidaten’, merkten jonge journalistes zuur op nadat de PvdA de twee had gepasseerd voor het voorzitterschap. Een generatie die 'op oude waarden wordt afgerekend, waarden die niet tot onze maatstaven behoren. Ondertussen meet de ons wegende generatie natuurlijk met twee maten’. Jongeren zijn evengoed schuldig: ook zij menen de waarheid in pacht te hebben en leggen ouderen langs hun meetlat. Ze hebben echter een goed argument: gelijkschakeling brengt immers geen vooruitgang, onderscheid daarentegen wel. Filosofen van Hannah Arendt tot John Stuart Mill onderschreven deze opvatting: vooruitgang komt alleen tot stand als er ruimte is voor onderscheid, experiment en risico. Initiatieven van jongeren laten zien dat de roep om gelijkheid uit de weg wordt gegaan: ze zoeken ruimte buiten bestaande structuren om. Jonge vrouwen bijvoorbeeld sluiten zich niet aan bij feministische organisaties, maar richten eigen netwerken op. Ze menen anders hun autonomie te verliezen en op te gaan in homogene entiteiten. Daarnaast zoeken jongeren hun pad op Internet en ontwikkelen er nieuwe manieren om sociale veranderingen teweeg te brengen. Ze gebruiken het als tactisch medium, bijvoorbeeld om te protesteren tegen de bedrijfsvoering van multinationals als McDonald’s of om de macht van gevestigde 'oude’ media aan te vechten. BROEDERSCHAP VORMT een derde onderwerp in de generatiediscussie. Er hangt een enorm moreel gewicht aan dit begrip en de emoties lopen soms hoog op. Broederschap of solidariteit ligt immers aan de basis van het samenleven; links georiënteerde bewegingen benadrukken terecht het belang ervan om de eigen maatschappij vorm te geven en anderen te helpen. Solidariteit kan volgens de betrokkenen uit de jaren zestig onder twee voorwaarden bestaan: empathie en bedreiging. De eerste is een kwestie van meevoelen, je betrokken weten bij de benarde positie van de medemens; de tweede is een zaak van groepsvorming om weerstand te bieden aan een vijand en, als het even kan, ook om voorwaarden te scheppen voor een betere wereld. Eind jaren zestig waren beide condities aanwezig. De eerste, het invoelingsvermogen, kon met name aangetroffen worden onder feministen. Leden van de vrouwenbeweging beroemden zich op hun vermogen om mee te leven met slachtoffers van onderdrukking. Zijzelf waren immers hun levenlang overheerst door mannen en die positie leende zich uitstekend voor compassie met anderen, of dat nu indianen, negers of moslimvrouwen waren. De tweede voorwaarde, de bedreiging, was er destijds ook: er bestond werkelijk het gevaar van een conflict tussen Oost en West. De jaren zestig en zeventig stonden in het teken van de Vietnamoorlog, de Praagse Lente, grensgeschillen tussen Chinezen en Sovjets. Deze twee basisvoorwaarden voor solidariteit ontbreken tegenwoordig. Onderdrukking bestaat praktisch niet meer - althans, niet als het de gegoede, blanke jeugd betreft - en in de bestaansvoorwaarden van jongeren is inmiddels ruimschoots voorzien. Ze hebben over het algemeen vrijheid, geld en kansen, en er zijn weinig slachtoffers onder hen aan te treffen. Het eerste verwijt van de oude garde is dan ook dat de jeugd zich niet meer bekommert om de medemens omdat zij het te druk heeft met zichzelf. Met de teloorgang van het eigen lijden zou ook het vermogen tot compassie met slachtoffers verdwijnen en daarmee tevens de solidariteit. Jonge vrouwen zijn volgens critici het summum van het afgestompte consumentisme - ze kopen zich suf aan kleding en make-up, en maken zich nergens meer druk om. 'Ik snap niet waar jullie mee bezig zijn’ zei een feministe in een recent debat. 'Jullie meiden denken maar dat het allemaal wel in orde komt met die emancipatie omdat jullie het nu lekker voor elkaar hebben: leuke vriend, leuke baan, leuke kleren en nog geld over ook. Jullie steken geen poot meer uit voor anderen.’ Bedreiging, de andere voorwaarde voor solidariteit, is ook verdwenen. Er bestaat geen oorlogsgevaar meer dat groepen doet samenkomen - de Muur is gevallen en wat er aan conflicten bestaat, raakt niet direct de kern van de veilige westerse wereld. Het tweede verwijt aan jongeren is aldus dat met het afnemen van de bedreiging van het eigen bestaan, ze ook het besef verliezen dat anderen het elders wel eens moeilijker zouden kunnen hebben. Zonder dat inzicht verdwijnt de betrokkenheid, kijken mensen niet meer naar elkaar om. En als ze geen notie hebben van 'de Ander’, is er geen reden om zich druk te maken over hem. 'Alleen onder bepaalde omstandigheden is de mobilisatie van de bevolking mogelijk, maar als er geen kernraketten de wereld uit moeten of als er geen Rus uit je keuken moet worden geweerd, dan wordt het een kwestie van een kleine elite’, stelde polemoloog Leon Wecke. DE LEVENSINSTELLING van jongeren schept nieuwe voorwaarden voor betrokkenheid; zeker die van meiden biedt goede perspectieven, al komen ze er in kritieken nog zo bekaaid vanaf. Jonge vrouwen nemen tegenwoordig de vrijheid om alle facetten die hun persoonlijkheid rijk is te ontwikkelen. Hun identiteit is veelzijdig; ze bezitten een basisidentiteit, maar zijn zo flexibel dat ze verschillende rollen kunnen vervullen. (De popster Madonna is hiervan het beste voorbeeld.) Deze flexibiliteit komt voort uit eisen van de omgeving. De maatschappij vraagt tegenwoordig van vrouwen om werk, kinderen, man en vrije tijd te combineren; er wordt een appel op hen gedaan om verschillende sociale rollen op zich te nemen. Ze dienen zich anders te gedragen. Een mens, en zeker een vrouw, moet tegenwoordig in staat zijn in sociale posities te variëren. Veel feministen van de tweede golf namen een permanente slachtofferrol aan. Dat maakte hen minder ontvankelijk voor anderen die zich in een afwijkende sociale positie bevonden. Jonge vrouwen van nu daarentegen nemen constant verschillende rollen aan die alle mogelijkheden bieden voor solidariteit. Hun identificatievermogen is vrijwel onbegrensd, waardoor ook hun betrokkenheid alle kanten op kan gaan. Er bestaat een rijke schakering aan sociale posities op basis waarvan ze zich betrokken kunnen voelen met 'de Ander’. Het begrip broederschap kan worden gebaseerd op het relativisme dat de postmoderne mens zo eigen is. Dat het mogelijkheden biedt tot inleving, blijkt al uit de praktijk. Een voorbeeld zijn de wervingsacties van ontwikkelingsorganisaties. Ze vragen geregeld om geld door vrolijke beelden uit arme landen te laten zien. Kijk, wordt er in hun reclamespots monter gezegd, deze kinderen zijn goed geholpen door uw steun! Een goed gesitueerd mens wordt zo geprikkeld om te helpen - hij wenst ze simpelweg hetzelfde geluk toe dat hij zelf ervaart. Blije boodschappen spreken de westerse hedonist blijkbaar meer aan, zou een cynicus kunnen stellen, maar feit blijft dat ook op deze manier betrokkenheid kan worden gegenereerd. DE PATSTELLING TUSSEN jong en oud leidt niet tot een dialoog, maar tot verschillende vertogen. Dat maakt de zaak er niet eenvoudiger op - met de toren van Babel is het ooit slecht afgelopen. De oude garde claimt vooralsnog het pluche en de begrippen die haar positie aan de top lijken te legitimeren, terwijl de nieuwe aanwas probeert die aan haar te ontfutselen. De pogingen van jongeren zijn misschien niet alles, maar zeker niet nix en in ieder geval niet minder dan die van de protestgeneratie. Natuurlijk doet de gevestigde orde moeite om jongeren voor zich te winnen. Het blijft echter bij koketterie met 'de jongens’ van Niet Nix of met de girl power van het post-feminisme. De oude garde nodigt jonge vernieuwers alleen uit op eigen terrein. Het is hún vertoog dat de gasten moeten gebruiken; en doen zij dat niet, dan is er geen gelijkwaardig gesprek mogelijk. Pas als deze houding losgelaten wordt, staat de deur open naar een constructieve, vernieuwende relatie. Dan kan er eens echt worden gepraat.