Journalisten in China zoeken de grenzen op

‘Nieuws is sneller dan de censuur’

Door de snelle opkomst van websites als Weibo is het voor de Chinese autoriteiten steeds lastiger controversiële berichten te verbieden. Activistische journalisten maken daar gretig gebruik van. ‘Natuurlijk is er steeds meer vrijheid.’

Het is snikheet en het laatste restje water in de rivier stinkt je tegemoet. Een groepje van zo’n twintig man loopt op hun vrije zaterdagochtend langs een vrijwel opgedroogde rivier in het centrum van Peking. Ze hebben parasols, waterflessen, fototoestellen en mobiele telefoons bij zich: de rivier wordt op alle plaatsen vastgelegd. Iemand heeft een groen spandoek bij zich. ‘Met plezier langs het water lopen’, staat erop. ‘We leggen het plezier en het leed van de rivier vast’, zegt de man met het spandoek.

Het groepje wordt aangevoerd door mevrouw Wang Yongchen, een journalist die jarenlang voor de Chinese nationale radio werkte als verslaggever milieuzaken. Ze richtte in 1996 de vrijwilligersorganisatie Groene Aarde op, een van de eerste niet-gouvernementele milieu­organisaties in China. Ze is inmiddels meer activist dan journalist. ‘Ik probeer de bevolking bewust te maken van de staat waarin de natuur in China verkeert. Als de mensen verontwaardigd raken over bijvoorbeeld de vervuiling van de rivier in hun eigen woonwijk, dan geeft dat druk op de overheid om die problemen aan te pakken’, zegt Wang. Ze heeft iets van een oudere lerares, ook in de manier waarop ze de vrijwilligers toespreekt. Die moeten netjes naar elkaar luisteren als ze zich voorstellen, ‘want zoveel respect mogen we toch wel voor elkaar opbrengen’. Wang is niet de eerste de beste. In 2004 stelde de overheid mede door haar toedoen een plan uit om dertien dammen in de rivier de Nu in het zuidwesten van China te bouwen. Die dammen zijn er tot nu toe niet gekomen, al is het plan nog niet van tafel.

Wang ziet zichzelf niet als een principiële tegenstander van de overheid, maar als iemand die gewoon graag wat wil veranderen op milieugebied. Ze maakt daarvoor gebruik van de mogelijkheden die het Chinese systeem biedt. ‘Juist wij journalisten weten dat je de interesse van de bevolking verliest als je je alleen maar aan de overheidslijn houdt. Dan ben je niet geloofwaardig, en kun je de mensen ook niet voor de goede zaak mobiliseren. Maar wij weten ook waar de overheid de grens trekt. We hebben geleerd hoe je iets kunt bereiken terwijl je die grens toch net niet over gaat’, zegt Wang.

Wang maakt foto’s van een plek waar een riool illegaal in de rivier loost. Die foto’s komen meteen op Weibo, de Chinese variant van Twitter. Twitter zelf is in China verboden. Wang stimuleert ook de vrijwilligers tot een vorm van burgerjournalistiek die vooral door de snelle opkomst van Weibo steeds wijder verbreid is geraakt: ‘We hebben door het internet enorm veel ruimte gekregen om onze stem te laten horen. De media kunnen niet elke keer opnieuw schrijven over een vervuilde rivier hier of daar, maar op internet kun je er wel steeds weer aandacht voor vragen. Op onze website hebben we een onderdeel dat “kleine politie” heet. Daar melden we de overtredingen op milieugebied waar de officiële politie nu niet aan toe komt. Zo hopen we dat ze er toch naar gaan kijken.’

Het is opvallend hoeveel Chinese journalisten en ex-journalisten zich op het milieu hebben gestort. Natuurlijk, dat komt doordat de milieuproblemen in China bijzonder ernstig en immens zijn. Maar het komt ook doordat er juist op dat gebied een relatief grote journalistieke vrijheid heerst. Ook binnen de overheid leeft het idee dat er serieus iets aan het milieu moet worden gedaan. De centrale overheid ziet in dat de media en maatschappelijke organisaties een belangrijke rol kunnen spelen bij het controleren van lokale overheden, die economische groei in de praktijk meestal veel belangrijker vinden dan het milieu.

Liu Huili is onderzoeker bij de milieuorganisatie Darwin. Ook die organisatie is opgericht door een journalist. ‘In het Westen wordt vaak gedacht dat wij tegenover de regering staan, maar dat is helemaal niet zo. De regering is over het algemeen juist blij met ons, en daardoor hebben we in 99 procent van de gevallen de vrijheid om precies te doen wat we willen.’ Als ik Liu vraag naar die 1 procent van de gevallen waarin ze niet vrij is, komt ze met een voorbeeld dat raakt aan een taboe: ‘Als we het hebben over de bescherming van de Mongoolse graslanden moeten we wel op onze tellen passen. Dat raakt aan autonomie en rechten van minderheids­volkeren in China, en dat ligt heel gevoelig.’ China kampt met onlusten onder Tibetanen, Oeigoeren en Mongolen, volkeren die geen van alle hebben geaccepteerd dat de Han-Chinezen zo dominant aanwezig zijn in hun oorspronkelijke woongebieden. Spreken over hun rechten ligt gevoelig, omdat China koste wat kost wil voorkomen dat deze groepen meer autonomie gaan opeisen.

Ook Ma Jun, een voormalig journalist die nu werkt als milieuactivist, wil niet buiten de lijntjes kleuren. Hij houdt een openbare database bij waarop staat welke bedrijven waar in China het milieu vervuilen. ‘Op de kaart die we publiceren, staan alleen gevallen waarvoor we een officiële bron hebben. Dat kan een zeer plaatselijke bron zijn, of een lage plaatselijke ambtenaar. Maar als we geen officiële bron hebben, dan publiceren we het nieuws niet. Dan gaan we door met onderzoek’, vertelt Ma aan de telefoon, kort voordat hij naar een milieuconferentie in het buitenland vertrekt.

Maar er zijn natuurlijk ook journalisten die, gewild of ongewild, wel een grens overgaan. Li Datong overkwam dat nadat hij zich in 2006 had verzet tegen een plan om de lonen van redacteuren te korten als ze stukken schreven die de communistische partij niet bevielen. Hij werkte toen als hoofdredacteur van het tijdschrift Bingdian (Vriespunt). Zijn formele val kwam toen hij toestemming gaf voor de publicatie van een artikel waarin een professor een andere uitleg gaf aan een historische gebeurtenis dan de officiële staatsuitleg. Daarop werd het tijdschrift van de ene op de andere dag gesloten. Dat leidde nationaal en internationaal tot veel verontwaardiging. Li liet het er niet bij zitten, en beet op internet fel van zich af. Hij schreef: ‘Zijn de lezers dan niet belangrijk? Is het aanzien van een groot officieel dagblad dan niet belangrijk? Zijn de wetten van het land en de constitutie van de partij dan niet belangrijk? Zijn de hervormingen dan niet belangrijk? Is het aanzien van de heersende partij dan niet belangrijk?’ Een paar maanden later mocht het tijdschrift wel weer verschijnen, maar voor Li was geen plaats meer. Li zit nu al zes jaar thuis. Zonder werk, maar niet officieel ontslagen.

Als ik hem ontmoet in zijn ruime appartement aan de rand van Peking, vraag ik of hij de sluiting had zien aankomen. ‘Helemaal niet, het kwam totaal onverwacht. Ik had nooit gedacht dat ze zoiets zouden doen.’ Li werkte niet voor een marginaal, alternatief blaadje, maar voor een tijdschrift dat wordt uitgegeven onder verantwoordelijkheid van de Zhongguo Qingnian Bao (het Chinese Jeugddagblad), het officiële orgaan van de Communistische Jeugdliga. Li komt uit het centrum van de journalistieke macht en is lid van de communistische partij, maar hij staat nu al zes jaar onder politiebewaking.

‘Wordt jouw telefoon afgeluisterd?’ vraagt hij aan het begin van het gesprek. Kort nadat ik hem had gebeld om onze afspraak te maken, kreeg hij namelijk nog een telefoontje. Deze keer van de politie, die hem ten zeerste afraadde om een interview aan een buitenlander te geven. Li is niet geïmponeerd, maar eerder kwaad. ‘China begint verdomme steeds meer op één grote gevangenis te lijken’, bromt de man die sinds zijn ontslag alleen nog op buitenlandse web­sites publiceert. ‘Ik ben gek als ik me laat bang maken door die lui’, zegt hij. ‘Ik heb gewoon ontkend dat ik een interview ging geven. Toen ik bleef ontkennen, legden ze zich daarbij neer.’ Hun lauwe reactie verbaast me. Moeten ze dan niet controleren of ik wel of niet ben komen opdagen? ‘Ze willen niet dat jij als buitenlandse merkt dat er op je wordt gelet. Maar eigenlijk hebben ze zelf ook helemaal geen zin in gedoe. Kijk, het zijn gewone politiemensen, geen mensen van de staatsveiligheidsdienst. Boeven vangen begrijpen ze, daar zien ze het nut wel van in. Maar ze lopen helemaal niet zo warm voor het verhinderen van een interview’, zegt Li, die inmiddels een goede verstandhouding met de jongens van de politie heeft opgebouwd. ‘Ik wijs ze op interessante informatie over China op internet, ik laat ze naar films kijken waar ze iets van kunnen leren’, zegt Li. ‘Zulke agenten verdienen ook geen topsalarissen. Ze zijn heel wat minder overtuigd van de zin van hun werk dan je zou denken.’

Li vindt dat journalisten zich moeten inspannen om in het huidige China veranderingen teweeg te brengen. Hij gelooft nadrukkelijk niet in de journalist als onafhankelijke waarnemer of als chroniqueur van de geschiedenis. ‘Natuurlijk gaat het erom dat we iets veranderen aan de toestand waarin China nu verkeert. Dat is onze verantwoordelijkheid’, zegt Li met stemverheffing en bij herhaling, en je kunt je meteen voorstellen hoe deze imposante man vroeger de journalisten op zijn redactie geïnspireerd moet hebben. Hij gelooft overigens niet dat de veranderingen in China geleidelijk zullen zijn: ‘Kijk maar naar alle andere dictaturen. Die vallen in één nacht, net als de Berlijnse Muur. Dat kan in China ook gebeuren.’

Li ziet een ontwikkeling waarbij juist de media die het meest direct met de staat en de Partij in verbinding staan steeds meer gemarginaliseerd raken, terwijl de media die minder direct onder het centrale gezag staan aan invloed winnen. ‘De mensen geloven de staatsmedia niet, ze vinden ze ook niet interessant.’ Hij noemt het voorbeeld van de Renmin Ribao (het Volksdagblad), een krant die wordt uitgegeven onder het gezag van het Centraal Comité van de Chinese Communistische Partij (ccp). ‘Die wordt bijna niet meer gelezen, zelfs niet door de partijleden voor wie de krant bedoeld is. Ze verpakken er hun vis in. Ik hoorde een verhaal over de politie ergens in het binnenland van China. Die werd door de overheid verplicht om vijfhonderd abonnementen af te nemen. Daar wilde de politie haar geld niet aan uitgeven, dus toen hebben ze vijfhonderd vrouwen die in bars werkten gedwongen om een abonnement te nemen. Die meisjes durfden geen nee te zeggen, uit angst dat de politie ze het werken anders onmogelijk zou maken. Zo hebben ze aan hun abonnee­verplichtingen voldaan’, zegt Li lachend.

Li krijgt steun uit onverwachte hoek voor zijn visie dat journalisten een actieve rol moeten spelen in het beïnvloeden van het hier en nu. ‘Een succesvol journalist moet de maatschappij in beweging brengen’, zegt een jonge journaliste die voor het Chinese staatspersbureau Xinhua (Nieuw China) werkt. Alleen: dat moet in haar visie wel zo gebeuren dat overheid en staat daar iets aan hebben. Niet de individuele journalist, maar staat en partij moeten in haar visie bepalen voor welke doelen de bevolking moet worden gemobiliseerd. Zij echoot daarmee het officiële standpunt van de ccp, die journalistiek nog steeds als eerst en vooral een propaganda-instrument beschouwt.

Bij Xinhua loop je niet zomaar binnen. Er staan militairen voor een toegangspoort waarachter drie enorme, moderne torenflats liggen. ‘We hebben nog meer kantoren, ook daar aan de overkant’, wijst de jonge journalist die me komt ophalen. ‘We zijn zo belangrijk voor het land dat we bewaakt worden door militairen. Dat kunnen de meeste andere nieuwsorganisaties in China niet zeggen’, vertelt hij trots.

Veel meer staats dan Xinhua kun je bijna niet worden: Xinhua valt rechtstreeks onder het kabinet, het is hét persbureau dat de officiële standpunten van de Chinese overheid naar buiten brengt. Niet een organisatie waar je als buitenlander zomaar welkom bent, zou je denken. Toch staat Xinhua opvallend open voor mijn verzoek om met journalisten over hun vak te praten. Alles wordt binnen twee dagen geregeld, en voor ik het weet zit ik aan tafel met zes jonge Chinese journalisten die prima Engels spreken, al voeren we de gesprekken in het Chinees.

Als ik opper dat Xinhua als spreekbuis van de overheid misschien wel een groeiend probleem heeft met geloofwaardigheid reageren de journalisten heel open. Ze geven toe dat het speelt, maar het interessante is dat ze vooral op een technische manier tegen het probleem aankijken. Als ze maar beter zouden schrijven, dan zou de populariteit van Xinhua vast ook toenemen, is het idee. De journalisten en hun bazen zien het niet als een fundamenteel, bijna onoplosbaar probleem dat direct voortkomt uit de nauwe verwantschap van Xinhua met de overheid. ‘We hebben ons misschien te weinig gericht op het leven van de gewone man. We kwamen altijd met de cijfers en met wat de leiders deden en zeiden. Daar moeten we vanaf. We moeten vanuit meerdere perspectieven schrijven, ook vanuit dat van de gewone man. We moeten meer driedimensionaal verslag doen’, zegt een van hen over hoe Xinhua geloofwaardiger en interessanter zou kunnen worden.

Op de buitenlandafdeling van Xinhua letten ze goed op de internationale media. Dagelijks wordt er een analyse gemaakt van die media, ook om te zien wat je ervan kunt leren. Dat gebeurt ook omdat Xinhua, dat berichten in zeven buitenlandse talen publiceert, steeds nadrukkelijker de concurrentie met buitenlandse media aan wil gaan. ‘We willen ons rechtstreeks gaan richten op de buitenlandse nieuwsconsument. Vroeger werkten we vooral samen met buitenlandse media, maar nu willen we ermee concurreren’, zegt de journalist die voor Xinhua vooral over politiek schrijft.

De mensen en de middelen heeft Xinhua er zeker voor. ‘Er werken nu zo’n vijftienduizend mensen, zo’n zevenduizend daarvan zijn journalisten. We hebben 167 bureaus. Dat moeten er in 2015 tweehonderd worden. Dat is meer dan welke nieuwsorganisatie ter wereld dan ook’, zegt de journalist trots. Xinhua heeft de tijd mee: waar veel mediaorganisaties in het buitenland door de crisis moeten inkrimpen, wil het proberen om een deel van de internationale nieuwsvoorziening over te nemen. Daartoe opent het ook meer bureaus in het buitenland. Toch zal het moeilijk zijn om ook met de steeds ruimere middelen die beschikbaar zijn geloofwaardigheid in binnen- en buitenland af te dwingen.

Dat komt ook door journalisten als Pang Jiaoming, die in hun eentje soms opeens het hele kaartenhuis van de Chinese overheids­propaganda onderuithalen. Pang is nog geen dertig, maar heeft al een aantal bijzondere onderzoeksjournalistieke wapenfeiten op zijn naam staan. Zijn achtergrond ligt niet in de journalistiek, maar in de politieke wetenschappen. ‘Door wat ik leerde over politiek, kreeg ik ook interesse in wat de journalistiek kan doen om de politieke situatie te beïnvloeden. In 2002 en 2003, toen er in China een epidemie van de besmettelijke longziekte sars uitbrak, zag ik hoe media een beslissende rol speelden in het doorbreken van de stilte van de overheid. Dat inspireerde me om de journalistiek in te gaan.’

Pang ontdekte dat er kinderen bij hun ouders werden weggehaald als de ouders de boete voor een tweede kind niet konden betalen. Die kinderen werden dan na tussenkomst door overheidsambtenaren in weeshuizen ingeschreven als ‘vondeling’ en daarna in een aantal gevallen geadopteerd. Ook in Nederland ontstond daar ophef over, omdat een aantal van deze kinderen hier geadopteerd zou zijn. ‘Dat is zeker gebeurd’, zegt Pang. ‘Maar je mag er niet over schrijven, want het heeft te maken met nationaal beleid, met de éénkindpolitiek. Daarover mag je geen eigen, onafhankelijk onderzoek doen.’

Pang deed het toch, maar na publicatie van zijn verhaal mocht hij niet meer publiceren. Hij kreeg steun van de hoofdredacteur van het tijdschrift waarvoor hij werkt, en ging onder een schuilnaam gewoon door met zijn onderzoeksjournalistiek. Zo kwam hij later met een verhaal over een groep ambtenaren die er in een heel arm deel van China enorme sommen geld doorheen had gejaagd op een inspectietocht. Hij publiceerde het verhaal en zette de gescande bonnetjes op internet. ‘Inmiddels mag ik echt niet meer schrijven, ook niet onder een schuilnaam’, zegt Pang, die ik ontmoet in een café in Peking. Hij moet eigenlijk ontslagen worden bij het tijdschrift waarvoor hij werkt, maar het lukt de hoofdredacteur voorlopig nog om hem in bescherming te nemen. De dag nadat ik hem ontmoet vertrekt hij naar Amerika, tijdelijk, om zo even in de luwte te zijn en om beter Engels te leren. Altijd handig, want je weet maar nooit waar ter wereld je als opstandig journalist uiteindelijk belandt.

Pang werkt voor de Caixin-mediagroep. Die organisatie valt niet rechtstreeks onder de overheid, maar onder een denktank. Media die niet direct onder de controle van hoge, landelijke staats- of partijorganen vallen, zijn de laatste jaren zeer succesvol. Het zijn geen echte onafhankelijke media, want ook zij hebben zich te onderwerpen aan de regels en het toezicht van de overheid. Maar hun afstand tot de nationale autoriteiten en de Partij is net iets groter. Daar maken ze over het algemeen heel handig gebruik van. Het gaat ook om media die worden uitgegeven door provinciale of stedelijke overheden, of bijvoorbeeld door de Kamer van Koophandel. Er gaan geruchten dat sommige van de meer controversiële tijdschriften de directe bescherming genieten van specifieke leden van het Politbureau, het hoogste orgaan van de ccp. Die zouden via deze media willen uitproberen wat er wel en niet mogelijk is, en wat wel of niet goed valt bij de bevolking.

Pang, die heel bewust de strijd met de Chinese overheid aangaat, ziet het als een kat- en muisspel, waarin sommige media de overheid net te slim af proberen te zijn. Een van de manieren is om snel iets te publiceren over een controversiële zaak, nog voordat er een decreet is dat verslaggeving over de zaak verbiedt. Pang heeft plezier in zijn spel, misschien ook omdat hij nog niet aan den lijve heeft ondervonden hoe hard de overheid kan optreden tegen mensen die ze als een bedreiging voor de staatsveiligheid ziet. Hij neemt bewust risico’s. Af en toe draait hij nerveus met zijn ogen, bijvoorbeeld als hij mij toestemming geeft om over hem te publiceren.

Pang is het soort journalist waar wij in het Westen dol op zijn: hij past in het beeld van een moedige dissident die ons de ware gedaante van het Chinese autoritaire regime laat zien. Hij durft grenzen te overschrijden en hij durft de confrontatie met de overheid aan. Toch plaatst collega-journalist Tian Peng, die voor een concurrerend tijdschrift werkt, ook kanttekeningen bij het soort van journalistiek dat Pang bedrijft. ‘Kijk, je weet zeker dat de betrokken ambtenaren na zo’n artikel over excessief geld uitgeven wel zullen worden gestraft, maar verandert dat ook iets aan de structuur waaruit dit soort excessen kunnen voortkomen?’ Tian werkt als wetenschapsjournalist. ‘Ik probeer bloot te leggen waardoor dit soort excessen ontstaan, in de hoop dat de autoriteiten zullen ingrijpen en uiteindelijk echt structurele veranderingen zullen doorvoeren.’ Tian blijft meer binnen het systeem, maar ook hij probeert China te veranderen.

Waarom is er volgens Tian eigenlijk zo veel activistische journalistiek in China? ‘Vroeger had je in China de keizerlijke inspecties. Dan trokken ambtenaren, en soms de keizer zelf, anoniem het land in om misstanden boven tafel te krijgen. Misschien dat daar de neiging vandaan komt om uiterst kritisch te berichten’, zegt Tian. Journalisten hebben die rol van maatschappelijk inspecteur deels overgenomen. Het is nog steeds gebruikelijk dat de media, ook zij die verder afstaan van de staat, interne rapportages schrijven die nooit worden gepubliceerd, maar die bedoeld zijn om de autoriteiten op de hoogte te stellen van misstanden waaraan de overheid iets moet doen. Die dubbele taak van de journalistiek, het rapporteren aan zowel de staat als aan het brede publiek, maakt de positie van journalisten natuurlijk per definitie ambivalent. Geen wonder dat veel gewone Chinezen mij er tijdens mijn correspondentschap ook altijd van verdachten dat ik door mijn land met een bepaalde opdracht naar China was gestuurd. Moest ik soms zo negatief mogelijk over China berichten? Woonde ik misschien op de ambassade?

Vindt Li Datong, die eerder bromde over China als ‘één grote gevangenis’, dat er steeds meer vrijheid komt voor Chinese journalisten, of ziet hij de vrijheid juist afnemen? ‘Natuurlijk is er steeds meer vrijheid. Kijk, elke week is er een bijeenkomst van de belangrijkste ­hoofdredacteuren van de media met het Chinese ­departement voor propaganda. Daar worden richtlijnen gegeven over welke ­onderwerpen niet behandeld mogen worden, en welke ­onderwerpen je alleen op een bepaalde manier mag behandelen. Dat lijkt heel onvrij. Maar nieuws is zoveel meer dan de zaken waarover ­richtlijnen worden ­afgegeven. Nieuws is ook sneller dan de censuur. Eerst gebeurt er iets, daarna pas komt er een richtlijn. Zeker nu met het internet verspreidt nieuws zich veel breder en sneller dan de overheid het kan ­verbieden. De ruimte om te ­schrijven is zo groot, het lukt ze gewoon niet meer om de verslaggeving ­binnen de perken te houden. Die tijden zijn echt voorbij.’


Garrie van Pinxteren is als visiting senior research fellow verbonden aan Instituut Clingendael. Ze werkt momenteel aan een proefschrift over journalisten in China. Tot eind 2008 woonde zij in China, waar ze onder meer correspondent was voor de NOS en voor NRC Handelsblad