Niks aan de hand

‘De advocatuur lonkte - letterlijk. Het was alsof je over de Amsterdamse wallen liep. Overal waar je keek, probeerde iemand je te verleiden zijn winkeltje binnen te stappen. Het was 2004. De economie was aangetrokken en de vraag naar jonge juristen, naar handjes, was overweldigend.

Christiaan Alberdingk Thijm, Het proces van de eeuw, € 17,90

Medium 9789048805136

Na een aantal betrekkelijk sobere jaren in de Nederlandse advocatuur werd er weer volop overgenomen en gefuseerd. Studentenbladen stonden vol aandachtschreeuwende advertenties. (…) Wat zich achter de poorten van de advocatuur afspeelde, was onbekend. Het was een wereld die zich onttrok aan het zicht van de gewone sterveling. Slechts zij die het waagden de drempel over te stappen, die tot de gelederen van het gilde toetraden, zouden weten hoe het was.’ Met verve beschrijft Christiaan Alberdingk Thijm (1971, zelf advocaat) in zijn debuutroman Het proces van de eeuw hoe die ‘handjes’ door de grote kantoren worden opgeslokt, zich te barsten mogen werken op ondankbare onderzoekjes, en na een stageperiode van een paar jaar de som van hun declarabele uren krijgen voorgelegd, aan de hand waarvan bepaald wordt of ze 'fee-earners’ en 'fee-burners’ zijn. Als hoofdpersonage Eppo Boetselaar een groep juristen in een bar ziet geeft hij een snelle schatting: daar staat zo'n veertigduizend euro per uur naar de tv te kijken.
Tot ieders verrassing weet de jonge Eppo verdomd goed mee te komen in deze ratrace. Eppo is nogal een sukkel namelijk, en eigenlijk weet hij dat zelf ook wel. Nadat een mail aan een one night stand verkeerd is terechtgekomen - 'Mijn ballen verkeren nog in katzwijm van de avond dat je ze hebt gewogen en goedgekeurd’ - kan hij alleen nog terecht bij een letselschadekantoor, een eenmansfirma in een rommelig pand, die als hij er net is aangenomen stomtoevallig wordt opgekocht door Schwaab & Helvoeth, 'het walhalla van de Nederlandse advocatuur’. En zo mag hij elke ochtend toch nog 'naar de Zuidas, daar waar de torens tot aan de hemel reiken’. (Echt? Zo hoog zijn die torens daar toch ook niet?) Daar functioneert 'ballenjongen’ Eppo als perfect vehikel voor Alberdingk Thijm: hij is een aanvankelijk naïef mannetje dat zijn ogen uitkijkt en zo door trial and error aan de lezer de mores kan geven van de jongens en meisjes - waarvan de heren allemaal een dubbele voornaam hebben en de dames op z'n minst Letitia, Mathilde, Phaendra of Florentine heten.
De eerste helft van het boek is een aanstekelijke zedenschets van juridisch Amsterdam, daarna begint de Werdegang van Eppo. Met meer geluk dan wijsheid wint hij een pleitwedstrijd voor jonge juristen en profiteert hij daarna van een zaak die toevallig sprekend lijkt op zijn afstudeerwerkstuk. Hij krijgt een direct lijntje naar opperbaas meester Helvoeth, die hem een hele serie opdrachten geeft, zoveel dat Eppo begint te sjoemelen met de regels en met urendeclaraties. Elke stap die Eppo zet brengt hem verder in de problemen, net zo lang totdat hij zichzelf onvermijdelijk vastdraait in het web van zijn eigen leugens.
'Je bent zo'n fucking loser, Boetselaar. Dat jij ooit hebt gedacht dat je advocaat kon worden’, bijt een ex-collega hem toe. 'Inderdaad’, knik je als lezer mee.
Het proces van de eeuw is vlot, grappig, gevarieerd, goed geïnformeerd, leest als een pageturner, HP/De Tijd roemde het al als 'debuut van het jaar’ - en laten we in godsnaam hopen dat dat niet zo is. Als Het proces een aanwinst is voor de Nederlandse literatuur, dan is het in de categorie van Vuijsje, Kluun, Koch, Krabbé et cetera, de good reads, de niets-aan-de-hand-boeken (Marja Pruis verzon er de term 'Het Zwitserlezengevoel’ voor) die als we dan toch de waarheid en niets dan de waarheid zeggen, nauwelijks tot literatuur gerekend moeten worden. Want uiteindelijk is deze debuutroman gespeend van elke poëtica, er is geen diepere laag dan het verhaal dat keurig binnen het voorspelbare rise and fall-genre blijft. Er is geen symbool dat je kunt missen, geen originele zin waar je overheen kunt lezen. De personages zijn sjablonen. Elke keer als Eppo ergens van o-opkijkt laat Alberdingk Thijm h-hem s-stotteren, bijna elke p-pagina, en als de auteur eens een meer gezochte metafoor brengt, is die vaak net mis. 'Het papier heeft zijn dienst bewezen; het ligt erbij als een afgerold condoom.’ Ik zie het niet. Of: 'Daar (was) ineens het groene, spiegelende glas van het World Trade Center, als een olietanker die opduikt uit de mist.’ Serieus: zo indrukwekkend is die Zuidas niet.
Het dilemma van het Zwitserlezen is dat je je er amper tegen kunt verzetten. Het gaat gepaard met een vakmanschap dat je ook bij Alberdingk Thijm aantreft. De compositie van het boek is sterk, Alberdingk Thijm is misschien dan niet van de fraaie, gekleurde taal, maar hij vervalt nergens in clichés of zogenaamd betekenisvolle lyriek - en dat terwijl hij toch een stuk minder ervaren is dan Koch cum suis. Het probleem van het Zwitserlezen is dat er nooit, ook nu niet, iets op het spel staat, het is vermaak, niet minder, niet meer.

CHRISTIAAN ALBERDINGK THIJM
HET PROCES VAN DE EEUW
Lebowski, 380 blz., € 17,90