INTERVIEW MET PANAMARENKO

‘Niks doen is een geweldige voorbereiding op de dood’

De Belgische kunstenaar Panamarenko is met pensioen. Hoe gaat een gepensioneerde kunstenaar van zijn kaliber door het leven? Het zwarte gat? De grote euforie? Voor de allerlaatste keer laat Panamarenko een journalist over de vloer.

‘JE BENT TEVERGEEFS gekomen. Ik doe niks meer en heb niks te zeggen. Interview maar mijn papegaaien.’ Panamarenko (68 jaar) stelde in 1968 zijn Flugzeug tentoon. Hij was in Düsseldorf uitgenodigd door Joseph Beuys. In 1972 stond er werk van hem op de Documenta in Kassel, in 1976 op de biënnale van Venetië. Hij werd de man van de wereldbefaamde vliegmachines en duikboten, van Zeppelin, Papaver, Vliegend eiland, Scoth Gambit, Archaeopterix en tientallen andere werken die de zwaartekracht tartten. Hij werkt al drie jaar niet meer. Grijnzend vanaf de bank in de sobere keuken in Michelbeke (Vlaamse Ardennen): ‘Ik zie het interview zo: eerste pagina blanco, tweede pagina blanco, derde pagina blanco, vierde pagina blanco, vijfde pagina blanco en helemaal onderaan: “Wij kregen lekkere koffie!”’

Terwijl zijn jonge vrouw Eveline – manager van een koffiebedrijf – een geurend kopje zet, zoekt de kunstenaar op rust naar zijn sigaretten. ‘Verdomme, ze zijn op! In heel de buurt zijn er geen te krijgen. Wat nu?’ We offreren hem een Davidoff. Gretig neemt hij het hele pakje in beslag en zucht: ‘Nu wil je natuur-lijk dat ik iets terugdoe?’
Drie jaar geleden heeft hij aangekondigd dat hij nooit meer zou werken. Een kunstenaar die met pensioen gaat, dat klinkt toch zeer vreemd. Panamarenko knikt: ‘In die dagen had ik een grote tentoonstelling in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Brussel, Flying Saucers & Devil Rowlers Motorcycle Club, en ik vond die wel uiterst geslaagd, maar voor mij was het wellekes geweest. Toen zei de toenmalige directeur: “Weet je dat er eigenlijk heel weinig artiesten zich na hun 65ste vernieuwd hebben? Ze herhaalden zichzelf voortdurend.” Dat was een opmerking die me door elkaar schudde. Ik was 65 jaar en ik kon niet met het idee leven dat ik nog eens zo’n tentoonstelling zou moeten plannen. Ik ben overal geweest. Van Antwerpen over New York tot Tokio. Wat had ik nog in petto? Ik koos toen resoluut er de brui aan te geven. Stoppen. Van de ene dag op de andere.’
Panamarenko was als kunstenaar intussen wereldberoemd. ‘In heel de wereld heb ik geëxposeerd, maar niemand in België wist dat. Nu pakken de jonge kunstenaars dat veel beter aan. Als ze hun poot ergens in een internationaal museum binnenkrijgen, zijn de Belgen de eersten die dat vernemen. Wáw, zegt iedereen dan. Maar wat betekent het? Zo was iedereen in België geweldig onder de indruk van Jan De Cock, die in het MoMA in New York exposeerde. Maar dat betekent compleet niks. Ze krijgen van de directie met veel moeite twee ruimtekes en er lopen nog 24 andere tentoonstellingen tezelfdertijd. Volksoplichting pur sang.
Ik vond het nooit nodig om de Belgische journalisten met champagne en oesters op de opening uit te nodigen. Voor mij was het al meer dan oké dat de BBC me interviewde. Ik ging ervan uit dat de brave Belgen het zo wel zouden horen. Maar ze wisten de BBC op hun radio niet te vinden.’

Toen Panamarenko besloot met pensioen te gaan, sprak men van een goed uitgekiende grap. Terecht? ‘Nee, ik voelde dat al lang aankomen. In Borgerhout kreeg ik een geweldig atelier ter beschikking. Een schitterend gebouw. Ik voelde me er als een vis in het water en mijn papegaaien vonden er een prachtig onderkomen. Aanvankelijk was eigenaar Ronny Van de Velde tevreden met één tentoonstelling per jaar. Later werd dat opgedreven tot twee binnen datzelfde jaar.’
Panamarenko ontkent met klem dat zijn voorraad ideeën was uitgeput: ‘Er zijn altijd ideeën, maar daar begin je niet veel mee als je die niet kunt uitwerken. “Nog eentje!” riep men. “Dat ze het zelf doen, godverdomme”, vloekte ik. Dan zullen ze weten hoe moeilijk het allemaal gaat. Nee, nee, mij valt niks te verwijten. Ik heb lang ontzettend hard geëxperimenteerd, maar het werkte niet. Bijzonder frustrerend!’
Nu heeft hij geen zorgen meer en zit hij niks te doen. Hoe moet men zich dat concreet voorstellen? ‘Ik heb eindelijk de tijd om eigenaardige boeken te lezen. Meestal technische en elektronische. Daarnaast filosofische werken of boeken over medicijnen. Ik wil eigenlijk weten hoe dat zit met die fameuze choleterol. Ik heb daar bijlange geen last van. Overigens ik ben ervan overtuigd dat niemand daar last van heeft. Die theorie is troep. Met zo’n dingen houd ik me onledig. Daarnaast wandel ik wat en ik zit achter de hond aan als die weer een gans wil doodbijten. Fitness noem ik dat.’ Of hij bang is om ziek te worden? ‘Nee, ik ben nog nooit ziek geweest. De mensen die nooit ziek worden, gaan vlug dood, hè. Dat belooft wat (bulderlach).’ Houdt de dood hem in de greep? Ook dat niet. ‘Dat stilzitten en dat niks doen, dat is al een heel goede oefening in sterven.’ Kortom, een avant-première op de dood? ‘Bah ja, zeker. Dat heeft ook zijn goeie kanten: je leert op die manier het leven wegwerken. Die stress van vroeger wegmoffelen was heel moeilijk, maar het is me prima gelukt.’
Van te niksen worden sommigen erg depressief. Kent hij dat gevoel? ‘Nee, nee, daar ben ik niet vatbaar voor. Soms voel ik me melancholisch. Dat is ook lollig. Een beetje verdrietig maar je weet niet waarom. Zo kijk ik dan naar Tom & Jerry en bengelen er dikke tranen over mijn wangen. Krokodillentranen!’

Waar Panamarenko komt, wordt hij als een seigneur begroet. Maar kijkt hij ook met waardering naar zijn vroegere werk? Panamarenko aarzelt: ‘De beste werken worden nooit meer opgesteld. De Zeppelin is nu eindelijk gerestaureerd, maar ze hebben geen plek om dat immense werk uit te stallen. Eigen schuld natuurlijk, want die belangrijke stukken nemen al vlug een imposante zaal in beslag.’
Wie waren of zijn in zijn ogen de goeie kunstenaars? ‘Ik vond Joseph Beuys wel iets hebben. Ook Marcel Broodthaers was oké. Maar die wordt zo vaak misbruikt door gastjes die totaal niks te vertellen hebben. Ze vallen voor zijn intellectualisme, omdat hij al eens een vers van een Franse poëet gebruikt. Jezus, wat een onzin. Dat maakt op die idioten meer indruk dan de vaststelling: “Een tweetaktmotor heeft een piston die licht ovaal is.” Intellectuele lulkoek is de maat in de kunstwereld, omdat directeurs alle macht in handen hebben. Als je hun het gevoel kunt geven dat je een enorm erudiet mens bent, zit je veilig, maar als je afkomt met een vliegtuig met wat schroefkes, ben je de stommeling.’
Zijn er nu artiesten in België voor wie hij respect heeft: ‘In België? Ben je gek? Met Bruce Nauman heb ik iets. Zo zijn die honden aan het plafond van het SMAK, gegoten in polyethuraan, ronduit schitterend. Dat is ook alweer zoiets raars, maar dat heeft iets. Elke keer als je ernaar kijkt, ontsnapt het je. Het is tegelijk schokkend en het heeft de waarde van een goed kunstwerk. Broodthaers, Beuys, Nauman dat zijn volgens mij de enige echte artiesten uit de hele kunstgeschiedenis.’
Panamarenko volgt nog wel de kunstwereld, maar stapt geen tentoonstelling meer binnen: ‘Ik krijg af en toe boekjes en uitnodigingen waarop prentjes staan. Misschien ben ik te “uitgetreden” om er nu nog veel sympathie voor te hebben. Ik ontwijk dat wereldje. Meestal zijn die tentoonstellingen op het eerste zicht goed in elkaar gestoken, maar dat werk mist vaak een “ingeving”. Die kereltjes zijn constant bezig met kunstenaarke spelen. Na al die jaren ken je ze wel. Nep. Fake. Gevaarlijk.’
Kunstcritici verzuurden zijn leven. ‘Zij beweren met grote stelligheid dat de massa niks van kunst kent. Maar die heertjes weten zelf meestal van toeten noch blazen. Toch vreemd dat mensen die er totaal geen kaas van hebben gegeten, artikels schrijven en dan uiteindelijk aan een nitwit als Rudi Fuchs gaan vragen naar zijn oordeel over kunst. Fuchs is zelf niet eens een kunstenaar. Een pure opportunist, iemand die nooit eerlijk is. Met zulke gasten moet je het dan doen. Een kwelling! Zelfs al zouden ze pure kunst ontdekken, dan nog zouden ze die verzwijgen, want die kunst past niet in hun clubje en daar is de traditie van het allerhoogste belang.’
Panamarenko doorbrak met zijn werk die traditie totaal, zonder omwegen. Hij had blijkbaar geen andere keuze: ‘Toch vreemd dat je je nog met schilderen kunt amuseren in een wereld die vol zit van technische mogelijkheden en rommel. Maar de traditie aan de macht! (grappend) Natuurlijk is dat goed, als ik het maar niet iedere dag moet zien. Nee, eerlijk en zonder verbittering, het is gewoon flauwekul. Die omgeving rond die kunstenaars is nog veel erger. Ach, ik zie overal opportunisten en geldwolven. Dat zou allemaal niet zo erg zijn als het niet zo rotvervelend was.’
Alles draait om geld in de kunstwereld, poneert de kunstenaar met pensioen: ‘Ik herinner mij een wedstrijd in het museum van Gent voor twaalfjarige schoolmeisjes en de winnaar kreeg een afdruksel van Tuymans. Het kindje dat won riep: “Ik wil een Panamarenko. Dat vind ik veel leuker.” Een of andere nitwit van het museum fluisterde haar in het oor dat een Tuymans veel meer waard was dan een Panamarenko. Het meiske moest niks meer van me hebben. En dat noemen ze opvoeding! Kiekens dat het allemaal zijn!’
Panamarenko’s Antwerpse periode is nu definitief afgerond. Zelfs officieel. Zijn huis in de Seefhoek is opgekocht door het ministerie van Cultuur. Men hoopt dat hij er nog eens een werk in exposeert: ‘Ze moeten niks hopen. Ik doe toch niks meer. Tenzij ik plots een geniale ingeving krijg en mijn theorie aan de praktijk kan toetsen. Ik denk dat de zwaartekracht onze omgeving zo beïnvloedt dat het moeilijk is om “machines” te maken. Ik zit nog altijd met een duidelijke vraag. Als onze aarde nu helemaal rond de melkweg vliegt, welke relativistische effecten heeft dat dan. Ik had heel mijn theorie duidelijk uitgeschreven, maar alleen kunstverzamelaars lezen dat. Ze zijn onder de indruk zoals dat gebeurt bij Einstein. Zonder er iets van te snappen… Maar het zou weer niet goed zijn, want het wordt gegarandeerd iets totaal anders dan wat ik veertig jaar lang in elkaar geflanst heb.’
Wil de kunstenaar een ultiem bewijs van zijn gelijk? ‘Ja, want op papier klopt het reeds allemaal.’
Toch aan het werk? ‘Nee, ik wacht tot ik een ingeving krijg.’
Onder de perenboom? ‘Ja. Natuurlijk daar. Maar ze mogen me niet meer lastig komen vallen, anders ben ik weer een paar jaar van mijn stuk gebracht.’
Onze excuses. ‘Na jullie laat ik geen enkele journalist meer binnen. In 2005 stopte ik met kunst maken en in 2008 is het gedaan met interviews. Als er eentje met een vrachtwagen vol Davidoffs binnenvalt, zal ik misschien nog iets fluisteren… Een piepkleine verzuchting.’