Interview met Paulien Oltheten

‘Niks ligt vast’

Het werk van fotograaf Paulien Oltheten toont relaties tussen mensen, tussen mensen en voorwerpen, of tussen voorwerpen. Triviale handelingen, vluchtige details. Er zit waarheid in, maar welke waarheid?

Beeldend kunstenaar Paulien Oltheten (1982) ontvangt me op een logeeradres. Sinds ze kortgeleden haar twee jaar durende residency aan de Rijksacademie afsloot, zit ze zonder woon- en werkruimte. Ze woont tijdelijk in het huis van kennissen: een sobere jaren-zestigflat in een kleurloze straat in het Amsterdamse Bos en Lommer. Het enige van haarzelf in de woonkamer is een laptop, de boeken die ze aan het lezen is en een opbergdoos van kleurig plastic (‘gevonden op straat’) vol foto’s en aantekeningen. Dat is werk in ontwikkeling, materiaal dat ligt te wachten op betere omstandigheden. Oltheten maakt foto’s en video’s, maar ze is geen fotograaf of videokunstenaar. Na het schieten van het materiaal is de volgende stap het kiezen van de beelden, vaak het combineren van twee of meer, soms jaren na elkaar gemaakt, en eventueel het toelichten of becommentariëren ervan in korte teksten, die ze eronder of ernaast schrijft, of er op losse blaadjes bij plakt. Soms verduidelijkt ze iets met een tekeningetje. Bij een serie foto’s van een tai-chi beoefenende Chinese man met bril (eerst gewoon op zijn neus, later aan een touwtje op zijn borst) staat met blauwe balpen geschreven: ‘Een man bewoog zijn armen in een constant tempo omhoog en omlaag. Zonder z’n ritme te verstoren haalde hij in één vloeiende beweging z’n bril van zijn neus. Prachtig!’ Bij een foto van een grasveld met een zittende vrouw die een liggende man voorleest geeft ze met een tekeningetje aan waar het haar om te doen is: het hoofd van de man dat af en toe even omhoog gaat om naar de vrouw of het boek te kijken.

Ze heeft een vloer nodig waarop ze de foto’s en commentaren kan rondstrooien, en muren waarop ze vrijelijk kan prikken en plakken. Ze moet tussen het materiaal door kunnen lopen, als een steltloper uittorenend boven een menigte, dit pakken, dat pakken, schuiven, zoeken naar verbanden, kijken, denken, kijken, overwegen. Dat kan hier dus niet. Ze leest (Peter Handke, Frans de Waal), kijkt films (alle vroege Hitchcocks, de complete _Dekalog-_cyclus van Kieslowski), regelt dingen, denkt, bereidt presentaties voor, praat met deze of gene. ‘Gisteren was hier nog een curator.’ Er is veel belangstelling voor haar werk. En ze heeft veel plannen: ‘Ik weet eindelijk hoe ik mijn website wil opzetten.’

Olthetens presentaties maken een geïmproviseerde, bijna slordige indruk, alsof het materiaal lukraak is opgehangen of zelf maar een plekje heeft gezocht. Het levert een beeld op dat strookt met de ongrijpbare, voorbijgaande aard van haar onderwerp. De foto’s (simpele printjes meestal), de commentaren en toelichtingen, enkele balpenschetsjes, ze zijn nonchalant op de muur geprikt (scheef soms, of half los), hier en daar is plakband en afdektape gebruikt, ergens hangt iets half op de grond. Oltheten: ‘Maar bij mijn presentatie tijdens de Open Ateliers van de Rijksacademie afgelopen november was ik met de inrichting toch wel een week bezig.’

Een presentatie kan ook bestaan uit grote videoprojecties op de muur. Of uit een diashow. Of uit videobeelden die ze ter plekke al improviserend maakt van foto’s die ze heeft uitgespreid over een tafel. Dan houdt ze er ook meteen een verhaal bij. Dan wordt het een soort lezing met lichtbeelden. Dat deed ze onlangs nog op uitnodiging van evolutiebioloog en schrijver Tijs Goldschmidt: ‘Die vindt dat wat ik doe onderzoek is dat verwant is aan wat hij doet.’ Eind dit jaar komt er een boek met foto’s, teksten en tekeningen van haar uit bij NAi Uitgevers. Goldschmidt en Hans Aarsman zullen er inleidingen voor schrijven: ‘Boeken zijn misschien wel de meest ideale manier van presenteren.’

Fotograferen of filmen gaat ze in april weer doen. Dan zit ze een maand in New York. Veel van haar werk is in het buitenland geschoten, maar van wezenlijk belang is de locatie niet. Haar skates gaan mee naar New York, natuurlijk. Ze heeft geen vast plan. Ze heeft een logeeradres. Verder ziet ze wel: ‘Ik bereid me ook niet echt voor. Lees eigenlijk niets over New York. Kan ik het meest onbevangen kijken. Ga ik nergens naar op zoek. Maar misschien moet ik er juist wél over gaan lezen. Dan zie je toch meer, waarschijnlijk.’ Ze zal er te werk gaan zoals ze altijd doet. Gewoon rondlopen of -skaten, camera’s in een heuptasje, en kijken of ze iets tegenkomt. Dat is afwachten. ‘Indertijd in Moskou, dat was echt om wanhopig van te worden, daar leek niks te willen lukken.’ Tot ze dan dat vooruitgestoken been van die man zag: ‘Dat been maakte me zo gelukkig!’ Ja, dat ze eindelijk een foto had waarvan ze meteen wist dat hij goed was maakte haar blij, maar dat been zelf maakte haar gelukkig. ‘Ik had zelf dat been wel willen zijn.’ Ze lacht. ‘Nee, serieus.’

Ze legt uit dat ze alles wat ze fotografeert ook zelf zou willen ervaren. Niet alleen wat de mensen op de foto’s en videobeelden meemaken en doen. Ze laat een foto zien van een breed, zwaar achterwerk dat met één bil rust op een dunne, omhoog stekende waterleidingbuis. Het is geen comfortabele houding: in de bil ligt een scherpe, diepe plooi: ‘Ik zou willen weten hoe die buis die druk ervaart.’

Misschien verklaart dit verlangen om in de huid te kruipen van de wereld om haar heen dat Oltheten nog steeds analoog fotografeert: met een spiegelreflexcamera en ouderwetse negatieffilm. ‘De zoeker in zo’n camera is toch meer een verlengstuk van je eigen oog. Je kijkt toch min of meer direct naar de werkelijkheid. Terwijl zo’n schermpje van een digitale camera… tja, dan kijk je naar zo’n schermpje, niet naar je onderwerp.’ Het zou de afstand tot de werkelijkheid die ze toch al vaak als een film ervaart nog een stap groter maken.

Olthetens werk gaat over relaties, of liever: het toont relaties. Relaties tussen mensen, relaties tussen mensen en voorwerpen, relaties tussen voorwerpen. Kleine gebaren zijn het vaak, triviale handelingen, vluchtige details uit het leven van alledag. Zelf zegt ze dat ze niet weet waar het over gaat. En dat vindt ze wel prima: ‘Mijn werk cirkelt ergens omheen, denk ik. Ik geef een omtrek aan. Misschien kun je zeggen dat ik daarmee ergens naar verwijs. Maar dat is ook al weer te veel gezegd. Het is ook niet meer dan het is, eigenlijk. Alles wat je erover zegt zit er per definitie naast.’ Ze lacht verontschuldigend. ‘Ach, ik doe eigenlijk maar wat.’ Dan ernstig: ‘Maar het klopt wel.’ Onlangs zei iemand over haar werk: ‘Er zit waarheid in, dat is overduidelijk. Maar welke waarheid? Geen idee.’

Ze citeert het met instemming.

Wat bijzonder is aan haar beelden is het gewone: het bijzondere van het gewone. Zo zag ze op een keer een vrouw met een te kort been wier paardenstaart door dat manke lopen op een opmerkelijke manier heen en weer zwiepte. Daar maakte ze een video van. Alleen van die paardenstaart. De rest van de vrouw liet ze buiten beeld, dus ook die benen. ‘Daar ging het niet om. Ik fotografeer geen rariteiten, of afwijkingen, of freaks of zo. Ik ben ook niet geïnteresseerd in het waarom van dat zwiepen van die paardenstaart. Het gaat me om dat zwiepen.’

Op een andere foto, onderdeel van Theorie van Hoog & Laag (nog uit te werken), zie je twee mannen van wie de ene je tegemoet komt over het trottoir en de andere van je wegloopt over een richel die het trottoir scheidt van een grasveldje. Waarschijnlijk kennen ze elkaar niet en bestaat hun enige relatie uit dit moment, uit deze foto. Toch lijkt het een dans die ze samen uitvoeren, een delicate pas de deux, een ritueel misschien. Van beiden maakt het licht gebogen linkerbeen een korte zwaai naar achteren, klaar voor de volgende beweging voorwaarts. Het lijkt een moment van opperste concentratie, een moment van het allergrootste belang dat een maximum aan aandacht behoeft. Elke stap doet ertoe: ‘Dat is wat jij ervan maakt. Het ging me om dat lopen over die richel. Om de relatie tussen die man en die richel. Hij deed dat trouwens constant, steeds heen en weer. Ik dacht nog dat hij misschien niet goed bij z’n verstand was. Ik ben naar hem toe gegaan, maar hij was heel normaal, dacht ik. Was hij dat niet geweest, dan had ik die foto niet kunnen gebruiken.’

‘Fotografie is lekker snel’, zegt ze. ‘Ik heb niet echt veel geduld, mijn gedachten zijn vluchtig. Ik sta altijd versteld van mensen die maanden met een enkel ding bezig kunnen zijn.’ Dan, na een stilte: ‘Alhoewel ik misschien ook wel met één ding bezig ben, maar dan een die samengesteld is uit duizenden stukjes.’ Praatte ze net nog enthousiast, dan ineens zwijgt ze, lijkt zich te verbazen, begint over iets anders, valt weer stil, kijkt peinzend voor zich uit, staat op om iets te pakken, zegt: ‘Ik zeg nu allemaal dingen omdat je ernaar vraagt, maar zo bewust ben ik er niet mee bezig. Aan alles wat ik over mijn werk zeg zitten haken en ogen. Ik heb geen vaste richtlijnen of opvattingen. Ik wil me niet laten vastleggen.’ Ze heeft tijdens het gesprek zo vaak door haar haar gestreken dat het inmiddels alle kanten op staat. ‘Niks ligt vast’, zegt ze.

Werk van Paulien Oltheten is onder meer te zien tijdens het Impaktfestival te Utrecht (29 maart t/m 1 april), in Hier,vandaag,morgen,een kort fragment, RC De Ruimte, IJmuiden (6 t/m 27 april) en De ontdekking van de traagheid, KW14, ’s-Hertogenbosch (t/m 20 mei).www.kw14.nl