Niks te melden

Guus Middag, Ik maak nooit iets mee. Uitgeverij De Bezige Bij, 132 blz., 329,50
Als opmaat voor de Kinderboekenweek worden zondag de jaarlijkse Griffels en Penselen uitgereikt. De Griffel-jury moet in een ongewoon dichterlijke bui hebben verkeerd.

Goud is voor Guus Middag vanwege Ik maak nooit iets mee, dertig mini-essays met een gedicht als uitsmijter, oorspronkelijk verschenen in de NRC. Zilver gaat naar ik ben ik, Joke van Leeuwens verzen voor lezers die nog niet aan de hoofdletters toe zijn. Mogelijk zijn de zes onnozele tekstblokjes in Marit Törnqvists Klein verhaal over liefde ook voor poëzie aangezien, want met Zilver bedacht. Deze subtiele vertelling in prenten had duidelijk bij de Penseeljury thuisgehoord, maar dat terzijde.
Zoals veel aardige dingen ontstonden Middags stukjes onbedoeld. Vijf jaar geleden werd de ter redactie van zijn krant wat rondlummelende poëziecriticus gevraagd of hij een idee had om de kopijnood op de Kinderpagina te lenigen. Nee dus. Ook de vraag of hij dan nooit iets meemaakte, leidde aanvankelijk tot een ontkennend antwoord, maar even later tot de vaste aanhef ‘Ik maak nooit iets mee…’ voor een serie opgewekte beschouwinkjes. Wie goed om zich heen kijkt, maakt immers nooit niets mee.
De avonturen zijn zelden spectaculair en nauwelijks na te vertellen. Ze vinden plaats in park of automobiel, voor de televisie, met gameboy of boek op schoot, maar eerst en vooral in het hoofd van de waarnemer. Het schijnbaar kleurloze tekent zich onverwacht helder af in het licht van Middags taal: een bejaard echtpaar op een brommer, een rat in de wc, een heer die met viltstift op borsten tekent. In het zichtbaar maken van het kleine is de auteur verwant met en ongetwijfeld ook beïnvloed door het gezelschap waarin hij zich door zijn beroepsmatige omgang met de poëzie bijna dagelijks bevindt. Maar ook de manier waarop hij zijn gedachten vorm geeft, past in het kamp der dichters: zuinig, zorgvuldig en verrassend.
Middag schrijft iets wat tussen de column, de mop en het gedicht in ligt. Het zijn een soort peinzende stukjes, vol kleine grappen, onverwachte wendingen en droge, aforistische vaststellingen: 'Een badpak spuiten op een beeld dat het koud heeft is vandalisme. En een blote stenen vrouw met blote stenen borsten in de vrieskou is kunst.’
Het begin van elk betoog is standaard: 'Ik maak nooit iets mee. Maar vorige week (een jaar - een tijdje - een maand geleden) wel.’ Volgt het meegemaakte en als slot: 'En nu nog even een gedicht.’
Zo vormt Jan Hanlo’s ode aan de hond Knak de afronding voor een ontroerend leesverslag van Odysseus’ laatste ontmoeting met zijn trouwe Argos. En de spraakverwarrende confrontatie met een groep Duitse dames leidt tot Toon Hermans’ 'We moeten veel meer aaien/ we moeten veel meer kussen/ we moeten veel meer zwaaien/ naar buitenlandse bussen.’
Minder dan Willem Wilmink vroeger in zijn Schriftelijke cursus dichten is Middag doende met poëziepromotie. Hij legt dan ook nauwelijks iets uit van het geciteerde, maar lijkt eerder een klimaat van waarnemen en taal te willen scheppen, waarin gedichten iets vanzelfsprekends krijgen en dan met name voor de niet-geoefende poëzielezer. Weinig jongeren zullen handenwrijvend op deze Griffel zitten te wachten en Zilver had mij een reëlere waardering geleken, maar in elk geval heeft hier een jury onomwonden kleur bekend.