Interview met Christine Otten

‘Niks zo dodelijk als pure schoonheid’

Net als in haar vorige romans voert Christine Otten in haar nieuwe boek Als Casablanca bestaande personages op wier levens ze vervolgens fictionaliseert. ‘Alles mag in de literatuur, zolang je er integer mee omgaat.’

‘Dat gebruik ik zelf ook altijd het liefst’, zegt Christine Otten terwijl ze op het opnamerecordertje wijst. ‘Om precies op te kunnen schrijven wat mensen zeggen en vooral: hoe ze het zeggen.’ De schrijfster begon haar carrière als journalist, tot ze ontdekte dat een loopbaan in de journalistiek haar niet gelukkig zou maken. Schrijver wilde ze worden. ‘Ik wil naar binnen, de personages in, om ze zo goed mogelijk te begrijpen. Bij non-fictie heb je die vrijheid niet.’ Otten zegde haar baan op bij Vrij Nederland en sloeg een functie af bij de vpro. Vijf jaar schreef ze aan haar eerste roman, Blauw metaal, een autobiografisch geïnspireerd boek over een complexe broer-zusrelatie dat werd genomineerd voor de Debutantenprijs. Haar tweede roman, Lente van glas, verhaalt over een meisje en haar obsessieve liefde voor muziek.

Voor het boek dat ze daarna ging maken haalde ze haar opnamerecorder weer te voorschijn. Otten was in New York tijdens 11 september en ontmoette daar Umar bin Hassan, een van de Last Poets, een stel Afro-Amerikaanse dichters die tijdens de jaren zestig revolutie maakten door hun gedichten op muziek te zetten, waarmee ze de kiem zaaiden voor hiphop. Aangetrokken door hun verhalen die doorspekt waren met drugs, criminaliteit en gebroken liefdes, door hun poëzie en hun persoonlijkheden, besloot Otten een boek over hen te maken. Ze interviewde de dichters, hun familieleden, managers. Deze interviews mengde ze met gefictionaliseerde verhalen en liedteksten. Het leverde een gewaagd en muzikaal boek op, De laatste dichters, dat werd genomineerd voor de Libris-literatuurprijs.

Ook in haar nieuwe roman Als Casablanca baseert Otten zich op waargebeurde gebeurtenissen en voert ze fictieve personages én bestaande personages op wier levens ze vervolgens, deels, fictionaliseert. Otten: ‘Alles mag, vind ik, in de literatuur, zolang je er maar integer mee omgaat. Ik vind het echt kicken als de werkelijkheid tegen een verhaal aan schuurt.’

Als Casablanca – de titel is ontleend aan de film, waarin mensen elkaar ook ontmoeten in tijden van onheil – vertelt het verhaal van de Nederlandse journaliste Laura Achenbach, die in New York is tijdens 11 september. Ze verliest zich in de chaos van de gebeurtenissen en laat zich dankbaar onder de hoede nemen van Charles Perry, een ex-Black Panther. Hij raadt haar aan bij zijn neef en diens vrouw in Detroit te verblijven tot de gemoederen bedaard zijn. Laura aanvaardt het aanbod en neemt haar intrek bij Khalid en Tania. In Detroit raakt ze bevriend met de uit de ddr gevluchte fotografe Leni Sinclair. Af en toe verspringt het verhaal naar de jonge Leni in de ddr, naar haar moeder tijdens de oorlog en haar zuster nu. De liefde voor muziek – soul, jazz, blues – loopt als een rode draad door het verhaal. Leni luistert als jong meisje naar de stem van Ella Fitzgerald, Laura is in New York voor haar onderzoek naar Paul Robeson, de eerste beroemde zwarte operazanger.

Het meemaken van 11 september is de motor van het boek. Christine Otten: ‘Ik wist dat ik wilde schrijven over die ervaring, om zin te geven aan wat er gebeurd was. Ik had me nog nooit in een situatie bevonden waarin ik zo op mezelf was teruggeworpen. Dat ik opeens in een oorlog leek te zitten. Nu moet je jezelf redden, je hebt niemand, tanden op elkaar en niet zeiken, dacht ik. Dat overlevingsinstinct gaf me een enorme kracht. Het personage Laura heeft het gevoel alsof haar geschiedenis opeens weggevaagd is. Dat is natuurlijk een verliteratuurde ervaring, maar ik heb wel gevoeld dat het meemaken van zoiets ingrijpends nieuwe mogelijkheden biedt.’

Net als Laura werd Otten destijds opgevangen door Afro-Amerikanen. ‘Als je eenmaal wordt opgenomen in de zwarte cultuur, hoor je erbij. Dan hoef je niets uit te leggen. Heel wonderlijk. Je kunt blijven zo lang je wilt. Klaar. Geen gezeur. En omdat ik zoiets heftigs had meegemaakt en zo geschokt was, kon ik me op dat moment voorstellen dat ik een ander leven zou beginnen. Bij reizen hoort dat idee altijd een beetje: dat je jezelf opnieuw kunt uitvinden. Maar onder deze omstandigheden leek dat nog scherper gesteld. Ik heb een heel leuk gezin en een heel leuke man, dus ik ging gewoon terug, natuurlijk. Maar ik heb een opening gezien.’

De mogelijkheid jezelf opnieuw uit te vinden heeft te maken met het vinden van een verhaal dat niet per se van jou is, legt Otten uit: ‘Eigenlijk is dat het thema van het boek: het vinden van een bestemming in een wereld die niet de jouwe is. Het gevoel van ontheemding dat daar onvermijdelijk mee gepaard gaat – je hebt immers ook je eigen achtergrond – hoeft niet vervelend te zijn. Thuis zijn in verscheidene werelden betekent dat je thuis bent in jezelf.’

Laura is toeschouwer van de levens van Khalid, Tania en Leni. Ze raakt zelf pas echt betrokken wanneer ze merkt dat ze zich sterk aangetrokken voelt tot Charles Perry. Otten: ‘Door gewoon van Charles te houden, met al zijn fouten, kan ze zich verzoenen met haar eigen vader die ze niet meer ziet. Ze kan zich ontdoen van de onvrijheid die ze in zichzelf heeft gecreëerd.’

Net als haar personage is Christine Otten een buitenstaander: een blanke schrijfster die zich onderdompelt in een andere cultuur. Otten: ‘Ik heb altijd de rol van buitenstaander gehad. Het lukt me nooit om ergens bij te horen, zelfs als ik het probeer. Het is een prettige staat omdat het me een enorme vrijheid geeft. Bovendien: schrijven is dubbelleven. Ik kan verschillende mensen zijn. En dat is een ontzettende rijkdom. Daar gaat mijn roman ook over: Laura leert dat ze kan zijn wie ze wil en tegelijkertijd dat het goed is dat ze is zoals ze is. Ik geloof daar erg in: dat je door jezelf open te stellen voor andere verhalen, je eigen identiteit los te laten en jezelf in een ander te durven herkennen, jezelf kunt verrijken. Bijvoorbeeld: één van de mannen van de Last Poets had net als ik een vader gehad die altijd ziek was toen hij jong was. Onze families leken gewoon op elkaar, heel simpel. Daardoor openenden zich nieuwe werelden, door zo’n individueel kenmerk. Dat vind ik heel mooi.’

Volledig in de huid van een ander mens kruipen is voor Otten ook een manier om aan zichzelf te ontsnappen: ‘Al schrijvend houd ik even op te bestaan. Ik herinner me dat ik een scène schreef waarin een personage iemand helemaal verrot slaat. Iets wat ik nog nooit gedaan heb. Toen ik klaar was had ik het gevoel dat ik het écht gedaan had, ik schrok van de agressie die ik in me had. Dat inlevingsvermogen heb ik waarschijnlijk als kind ontwikkeld omdat mijn vader psychische problemen had. Ik was al vroeg getraind om zijn stemmingswisselingen aan te voelen.’

Waarom ze zich zo thuis voelt in de zwarte cultuur heeft, behalve met de muziek, vooral te maken met de vitaliteit en de strijdbaarheid die ze herkent: ‘Mijn voorouders waren arbeiders, links, revolutionair, anarchistisch. Ik heb geleerd dat je je verzet als het je tegenzit. Via muziek, kunst, literatuur. Doet er niet toe. Je doet wat. Maar mijn vader was ziek, die leefde eigenlijk niet, durfde niet, heel treurig. Hij groeide op in armoede, onderdrukking, ontwikkelde een negatief zelfbeeld. Vergelijkbaar met de achtergrond van veel mensen uit de zwarte cultuur. Maar daar kún je dus helemaal mee afrekenen, je hoeft geen slachtoffer van je achtergrond te zijn. Ik denk dat dat me raakt.’

Niet alleen de vitaliteit, ook de warmte, het lichamelijke, de snappy humor, de soul, het seksuele, trekken Otten aan in de zwarte cultuur. Christine Otten: ‘Omdat ik er een tijd zo dichtbij ben geweest, heb ik me die dingen eigen gemaakt en is het net of het ook een beetje mijn cultuur is. Je eigen geschiedenis hoeft niet per se volledig gestoeld te zijn op je eigen particuliere verhaal.’

De muzikaliteit van de taal in de Afro-Amerikaanse literatuur beantwoordde aan Ottens verlangen taal en muziek samen te brengen: ‘Toni Morrison vind ik bijvoorbeeld geweldig. Door dit soort klassieke Afro-Amerikaanse literatuur heb ik geleerd de rijkdom van taal te gebruiken, hoe je alle registers open kunt trekken. Literatuur pur sang. Ik heb er een hekel aan wanneer ik de schrijver kan zien zitten in de tekst. Dat je je er bij een mooie zin bewust van bent hoe knap het is wat de schrijver doet. Mooischrijverij. Ik wil niet in het hoofd van de schrijver zitten, een boek moet op zichzelf staan. Dat betekent dat taal en beeld vloeiend in elkaar moeten overlopen.’

Een boek lezen betekent voor Otten ergens zijn, in een bepaalde omgeving, in een sfeer. Daarom spelen die elementen in Als Casablanca een belangrijke rol: ‘Detroit is een personage. Hoe de omgeving eruitziet, de kleur van de lucht, hoe het ruikt, dat beïnvloedt je gemoed. En ik wilde dat het boek een soort roadmovie zou worden; in Detroit zit je óf in de auto, óf je zit thuis. Het is vergane glorie. Maar ook daarin zie ik, net als bij de mensen die ik ontmoette, een vitaliteit die als vanzelf lijkt op te borrelen. Wanneer dingen kapot gaan komt er altijd weer iets nieuws, al moet je dat wel kunnen zien. Ik vind niks zo dodelijk als pure schoonheid. Lelijkheid en schoonheid moeten voor mij samengaan. Dat weerspiegelt het echte leven.’

Christine Otten, Als Casablanca. Atlas, 240 blz., € 18,50