Essay Het belang van de stam-aoristus

Nil desperandum

Over de toekomst van het gymnasiale onderwijs is de afgelopen maanden veel inkt gevloeid. In tegenstelling tot wat al die erudiete classici beweren wankelt de wereld helemaal niet als het gymnasium wordt afgeschaft.

‘NON VITAE, SED SCHOLAE DISCIMUS’, zegt Seneca in een fictieve brief aan zijn leergierige jonge vriend Lucilius, oftewel: het onderwijs is tegenwoordig niet meer gericht op het leven, maar op de school. De school is een in zichzelf gekeerd instituut geworden, met eigen waarden, tradities en protocollen, die nog maar weinig te maken hebben met de praktijk van het dagelijks leven. De afzonderlijke disciplines blinken uit in esoterisch jargon dat tot doel heeft de niet-ingewijde buiten te sluiten, waarbij de vraag of de woorden buiten het eigen vakgebied ook nog iets betekenen irrelevant is geworden. Seneca, zo veel moge duidelijk zijn, vindt dat een verkeerde zaak. In zijn optiek dient alle onderwijs in het teken te staan van de vorming tot moreel hoogstaand individu. Om jezelf als rationeel denkend en ethisch handelend wezen te ontwikkelen behoef je je echt niet te verdiepen in de finesses van de formele logica, of alle door dichters en redenaars onderscheiden stijlfiguren van buiten te leren.
Heeft Seneca gelijk? Opmerkelijk is op z'n minst dat hij de uitspraak doet aan het einde van een brief die wel degelijk een serieus en ingewikkeld filosofisch probleem aan de orde stelt, namelijk de vraag of het goede iets stoffelijks is. De filosoof relativeert het belang van haarkloverij vanuit de comfortabele positie van iemand die zelf in het technisch jargon van zijn vak doorkneed is. Hij heeft het allemaal geleerd en doorgrond en staat er nu, sadder and wiser, boven. Dat is een duivelse paradox: je moet goed geschoold zijn om het belang van diezelfde scholing te kunnen wegen. Bovendien is er moed voor nodig om toe te geven dat wat je geleerd hebt tot niets heeft geleid dan het inzicht dat je geleerdheid vergeefs is. Ja, Seneca is een gelouterd man, die ook nog goed kan schrijven. Daarom is het de moeite waard hem te lezen.
We kunnen ons vervolgens afvragen of dat dan in het Latijn dient te gebeuren. De brieven van Seneca zijn in alle moderne talen in goede vertalingen beschikbaar, dus wie kennis wil nemen van zijn inzichten behoeft echt niet eerst de slopende initiatie van het gymnasium te doorstaan. Daarbij mag wel een kanttekening gemaakt worden. Ten eerste moet je misschien een bepaalde intellectuele achtergrond hebben om überhaupt op het idee te komen Seneca te gaan lezen. Ten tweede mis je in vertaling de subtiliteit van de verwoording in het Latijn. En in de derde plaats moet er natuurlijk iemand zijn die de teksten vertaalt, iets wat, gezien het tempo waarin vertalingen verouderd raken, iedere generatie opnieuw dient te gebeuren.
Een van de voornaamste redenen waarom veel mensen Latijn willen leren, is evenwel een andere: ze willen, net als ik aan het begin van dit stuk heb gedaan, zo nu en dan achteloos een klassieke auteur kunnen citeren om daarmee te laten zien hoe knap ze zijn. Dat de oneliner van Seneca gewoon in de Van Dale staat doet daarbij niet terzake. De ware intellectueel citeert met de nonchalante autoriteit van iemand die toevallig vorige week nog in bed de halve Plato, Vergilius en Dante heeft herlezen. Een klassiek citaat snoert pover geschoolden de mond.
Sinds enkele maanden geleden de door de staatssecretaris ingestelde Verkenningscommissie Klassieke Talen haar tussenrapportage wereldkundig heeft gemaakt, is er in de media een geanimeerd debat op gang gekomen over de waarde en inrichting van het gymnasiaal onderwijs. Met name classici uit de hoek van de zelfstandige gymnasia hebben uitvoerig van zich laten horen. Intelligente, hier en daar onuitstaanbaar pedante, vrijwel steeds erudiete dames en heren betogen beleefd doch stellig dat de Verkenningscommissie er niets van begrepen heeft. Well-connected en goedgekleed als ze zijn, met de erkende superioriteit van een oude traditie in hun broekzak, tonen ze aan dat Europa naar de knoppen gaat als hun kinderen de mogelijkheid wordt ontnomen ingewijd te worden in de mysteriën van stam-aoristus, gerundivum-constructie en cursus honorum. U begrijpt dat ik hier niet ga uitleggen wat die woorden betekenen, want als u dat niet weet, wordt u geacht dat als een groot gemis te voelen. Dat ook de gemiddelde ex-gymnasiast zich bij in elk geval de eerste twee van die termen niets meer kan voorstellen, zou ik er liever niet bij vertellen. Ik hoef u niet wijzer te maken dan u al was.
Aangezien de journalisten die over de kwestie berichten het rapport vaak maar half lezen of zich, begrijpelijkerwijs, moeilijk in de materie kunnen inleven, en aangezien de classici - kampioenen in het schrijven van ingezonden brieven - het allemaal beter weten dan alle andere classici, is er een kakofonie van onbekookte meningen in omloop geraakt die de minder ingevoerde lezer elk zicht op de problematiek ontneemt. Ik zou geen goede classicus zijn als ik me niet in het debat zou mengen, maar nu ik dat doe neem ik graag een gepaste afstand in acht. Dat de klassieken me dierbaar zijn wil niet zeggen dat ik de betrekkelijkheid er niet van inzie.

LATEN WE VOOROPSTELLEN dat de commissie een helder en genuanceerd rapport heeft geschreven. Anders dan in de media rondzingt, stelt zij geenszins voor het leren van Grieks en Latijn af te schaffen of tot een minimum te beperken. Daar komt bij dat het hier slechts om een tussenrapportage gaat, nadrukkelijk bedoeld om reacties 'uit het veld’ op te roepen, hetgeen onmiskenbaar gelukt is. Ik ben dan ook benieuwd naar de definitieve voorstellen, die nog vóór de zomervakantie verwacht worden. Dat de inrichting van het gymnasiaal onderwijs ingrijpend gaat veranderen, staat overigens bij voorbaat vast, want niets doen is geen optie, zoals de commissie terecht opmerkt. Wat ook vaststaat, is dat het onmogelijk is een compromis te bedenken waarmee alle betrokkenen zullen instemmen. Daarvoor lopen de meningen en belangen te zeer uiteen.
Ondanks de kwaliteit van het rapport als compact geheel van probleemanalyse en aanbevelingen, blijkt het bij nader inzien als een doordacht uitgezette fuik te werken, als een meedogenloze Charybdis die de argeloze lezer opslokt om hem niet meer los te laten. In grove lijnen komt de onderliggende argumentatie van de uitgangspunten hierop neer. Stap 1: in dit tijdsgewricht, dat wordt gekenmerkt door vervreemdende globalisering en bijna onbeheersbare technologisering, is er wereldwijd behoefte aan excellente intellectuelen die in staat zijn met filosofische en cultuurhistorische distantie én betrokkenheid de baaierd van verschijnselen te duiden, waarbij zij niet mogen aarzelen ook morele uitspraken te doen en, zo zij maatschappelijke invloed hebben, die aan te wenden. Stap 2: een dergelijke elite dient haar eigen cultuurhistorische achtergrond te kennen, en voor Europeanen is dat vanzelfsprekend de klassieke Oudheid en haar Nachleben (nog zo'n term die buiten kringen van classici onbekend is). Stap 3: om een cultuur grondig te leren kennen dien je de taal te beheersen. Stap 4: Grieks en Latijn leren is heel moeilijk, dus alleen weggelegd voor de allerslimsten. Stap 5: aangezien pubers van nature lui zijn, lukt het alleen hen voor de klassieken te porren als ze in een omgeving verkeren die gymnasiale vorming als vanzelfsprekend beschouwt, lees: het categoriaal gymnasium, of een zorgvuldig afgeschermde gymnasiale afdeling van een scholengemeenschap. De conclusie is onontkoombaar: de wereld wankelt op zijn grondvesten als het gymnasium wordt afgeschaft. Classici zijn de onbetwiste hoeders van de westerse cultuur. De commissie beheerst, kortom, de regels van de retorica voorbeeldig.
Dat intussen alleen de eerste en de derde stap in de redenering geldig zijn, kan de lezer van het rapport gemakkelijk ontgaan. Natuurlijk is het onverstandig en zelfs gevaarlijk als we ons niet van onze wortels bewust zijn, maar laten we niet uit het oog verliezen dat het niet alleen Grieken en Romeinen zijn die aan de basis van onze moderne samenleving staan. De Romeinen legden hun fundamenten op een Germaans en Keltisch substraat, we lezen een Hebreeuwse bijbel, hebben enorm veel te danken aan de Arabische bezetting van Spanje en Sicilië, onze grootste filosoof, Spinoza, was een Portugese jood, veel Nederlanders hebben een Indonesische, Turkse of Noord-Afrikaanse achtergrond, van de wetenschappelijke revolutie van de afgelopen anderhalve eeuw valt niet vol te houden dat ze klassiek is, de filmindustrie komt uit Amerika en veel popmuziek is Afrikaans of Zuid-Amerikaans van origine. De opsomming kan naar believen uitgebreid worden. Uiteraard moeten er in onze samenleving intellectuelen zijn die zich bezighouden met de klassieke Oudheid, de Latijnstalige Middeleeuwen en de Renaissance, uiteraard zou het onvergeeflijk zijn als stadsarchieven en wetenschappelijke literatuur, die tot in de negentiende eeuw in het Latijn gesteld is, ontoegankelijk zouden worden, maar daaruit volgt niet dat iedere intellectueel Grieks en Latijn moet kennen.
Dat die talen moeilijk zijn omdat het grammaticale systeem nogal afwijkt van wat we gewend zijn, klopt. Toch kan iedere vwo-leerling die een beetje zijn best doet, een heel eind komen. Om Homerus en Cicero te kunnen lezen hoef je echt niet briljant te zijn. Ongetwijfeld zullen hoogbegaafde leerlingen er beter in zijn, maar de exclusieve koppeling van Grieks en Latijn aan een schooltype dat excellentie hoog in het vaandel heeft staan, lijkt me onzin. Ik ben er voor hoge eisen aan kinderen te stellen, maar dat kan ook door middel van wiskunde, muziek, Chinees of de lectuur van Immanuel Kant. En het zou jammer zijn als uitsluitend roomblanke kinderen uit een financieel zorgeloos nest, waar vader Shakespeare citeert en moeder zo van het Florentijnse Quattrocento houdt, met de klassieken in aanraking kwamen.
Inderdaad zijn pubers lui, maar ik vraag me af of dat een halve eeuw geleden anders was. Geef ze een schop onder hun kont, luister niet naar het gezeur van al te mondige ouders, stel prikkelende eisen en laat geïnspireerde docenten hun hartstocht botvieren, dan krijg je van de meeste vwo-leerlingen alles gedaan. Val ze ook niet te veel lastig met het maken van keuzes waarvan ze de consequenties onmogelijk kunnen overzien. Het gaat om kinderen, niet om rationeel denkende volwassenen. De vaak gehoorde mening dat de leerling voor het gymnasium zou moeten kiezen op grond van een diepgaande cultuurhistorische belangstelling stoelt op een gebrekkige vertrouwdheid met de kinderziel. Ik ben althans nog nooit een vijftienjarige, laat staan een elfjarige tegengekomen die brandde van verlangen om Euripides te lezen. Achteraf vinden ze het altijd prachtig.
Ik stel vast dat de uitgangspunten van de Verkenningscommissie, hoe sympathiek ook, gebaseerd zijn op de a priori gekoesterde overtuiging dat het gymnasium een erfgoed is dat tegen elke prijs gered moet worden. Afgezien van de cultuurhistorische en pedagogische argumenten die de commissie naar voren brengt, is er ook nog het strategische punt dat je zwaarwegende redenen zou moeten hebben om een in vele opzichten goed gesmeerde machinerie tot stilstand te brengen. We hebben in anderhalve eeuw een gymnasiale infrastructuur opgebouwd die in landen om ons heen vaak met afgunst wordt bekeken. Geen beroepsgroep is zo krachtig georganiseerd als die van de leraren klassieke talen, er worden aan de lopende band fraaie en uiterst vernieuwende lesmethoden ontwikkeld, de contacten tussen scholen en universiteit zijn hecht en frequent. Help je zoiets om zeep, dan krijg je het nooit meer terug. Op zichzelf is dit echter een oneigenlijk argument. Een structuur kan nog zo stabiel zijn, als ze geen relevantie meer heeft voor de maatschappij, verliest ze haar bestaansrecht. Zie het aforisme van Seneca.

MAAR LATEN WE EVEN AANNEMEN dat het gymnasium moet blijven. De commissie is vooral ingesteld omdat op een aantal scholen de resultaten bij het centraal examen voor Latijn ronduit slecht zijn. Dat komt voor een deel doordat de categoriale gymnasia, als veilige elitescholen, hun spectaculaire groei te danken hebben aan een ruimhartig toelatingsbeleid, en aangezien je op zo'n school in ten minste één klassieke taal examen moet doen, heeft men daar te kampen met een relatief grote populatie van leerlingen die tegen heug en meug Latijn doen (Grieks is vanouds voor de liefhebbers). Scholengemeenschappen worstelen met het tegenovergestelde probleem dat de doorzetters vaak heel goed zijn, maar in veel gevallen zo gering in aantal dat schoolleidingen de onweerstaanbare neiging hebben bovenbouwklassen te combineren, zodat verschillende niveaus met een totaal verschillend programma tegelijk les hebben, tot wanhoop van de docenten en de leerlingen. Deze problemen van gymnasia en scholengemeenschappen kunnen niet opgelost worden door iets aan het curriculum te doen. Dit zijn organisatorische kwesties die niets, maar dan ook niets te maken hebben met de vakinhoud van de klassieke talen.
Toch stelt de commissie een nieuwe inrichting van het curriculum voor. Het kan geen kwaad de voorlopige plannen au sérieux te nemen, al is het alleen omdat ieder schoolvak in beweging moet blijven en steeds zijn eigen doelstellingen moet onderzoeken, en nagaan of de gebruikte middelen wel tot de beoogde doelen leiden. Aangenomen dat gymnasiaal onderwijs waardevol is en dat aan de schoolstructuur voorlopig niet te tornen valt, heeft de commissie terecht vastgesteld dat het centraal examen in zijn huidige vorm niet goed aansluit bij wat we met de vakken willen bereiken, namelijk in de eerste plaats een gedegen cultuurhistorische én taalkundige competentie. Daar moet uit te komen zijn door een bescheiden herschikking van de examenstof: onderdelen die nu in het centraal examen zitten (de veelbesproken proefvertaling bijvoorbeeld) zouden naar het schoolexamen overgeheveld kunnen worden, en omgekeerd. Met een beetje creativiteit kom je hier een heel eind.
De commissie wil echter een geheel nieuw schoolvak invoeren, Griekse en Latijnse taal en cultuur (GLTC), dat verplicht zou worden voor ieder die een gymnasiumdiploma wil halen. In de onderbouw blijft alles min of meer bij het oude, al krijg ik de indruk dat de commissie het liefst de eisen zou verhogen. In de hoogste drie klassen krijgt elke gymnasiast 760 klokuren klassieken (op een totaal van 5000 voor alle vakken samen), bestaande uit én Grieks én Latijn én klassieke culturele vorming. Er is inmiddels veel inkt gevloeid over de aanbeveling een deel van de Griekse en Latijnse teksten aan te bieden met de Nederlandse vertaling ernaast. Ik vermoed dat dit het lezen alleen maar zou compliceren, omdat de leerling dan steeds twee teksten in plaats van één moet analyseren, maar dit lijkt me een detail voor nadere invulling. In beginsel kan dit een prachtvak worden. Consequentie is wel dat het aantal uren dat puur besteed wordt aan Grieks en Latijn per saldo ongeveer gehalveerd wordt. Jammer voor de grammaticafreaks, maar een vak met een omvang en inhoud als voorgesteld zal beter verkoopbaar zijn aan ouders, gemakzuchtige leerlingen en zichzelf armlastig achtende schoolbesturen dan de huidige examenvakken - wat overigens weer een strategisch, geen inhoudelijk argument is. Om echter ook de hardliners en liefhebbers ter wille te zijn, stelt de commissie voor naast het nieuwe GLTC de examenvakken Grieks en Latijn te handhaven, beide voor een studielast van 480 klokuren. Dat is, daarover is vrijwel iedereen het eens, volstrekt onrealistisch. In de eerste plaats heeft een schoolleiding er geen belang bij extra keuzevakken aan te bieden voor kleine groepjes, terwijl een leerling ook met alleen GLTC het felbegeerde gymnasiumdiploma zou kunnen halen. In de tweede plaats zou de zeldzame leerling met én GLTC én een klassieke taal (en zeker met twee klassieke talen) een kwart van de tijd die hij in de bovenbouw doorbrengt met de klassieken bezig zijn. Je kunt je afvragen of dat het type intellectueel is waarop de wereld zit te wachten.
Intussen hoop ik vurig dat de klassieken, in welke vorm ook, zullen weten te overleven, maar omdat ik een belanghebbende ben, mag u dit gerust als economisch argument terzijde schuiven. Persoonlijk geef ik het Grieks als zelfstandig schoolvak nog hooguit een jaar of tien, maar ik vermoed dat het Latijn voorlopig onuitroeibaar is. Alles van waarde is weerbaar, zegt Sybren Polet. Nil desperandum, dus.


Voor het tussenrapport van de Verkenningscommissie Klassieke Talen, zie www.slo.nl/nieuws/00232.

Piet Gerbrandy (1958) is classicus, dichter, criticus en essayist. Hij doceerde jarenlang klassieke talen. Over de klassieke Oudheid publiceerde hij onder meer de essaybundels Boeken die ertoe doen: Over klassieke literatuur (2000) en Het feest van Saturnus: De literatuur van het heidense Rome. Hij vertaalde De opleiding tot redenaar van Quintilianus