Sport

Nippertje

Wat is eigenlijk een nippertje? Het is een kwestie van perspectief. Is 23 honderdste van een seconde veel of weinig? Duurt het lang of kort? Hoeveel nippertjes zijn dat? Veel dingen zijn relatief. En sommige dingen zijn, verhoudingsgewijs, nog relatiever.

Drinken, bijvoorbeeld. Andy Fordham, de darter die het levende bewijs is dat zijn sport eerst en vooral een aangelegenheid van de geest is, en niet van het lichaam, ultiem icoon van het moderne darten (‘van de tap naar de top’), een door al zijn collega’s gevreesde topspeler – deze Fordham stond en staat bekend als ‘De Viking’, niet geheel ten onrechte, zij het dat we van Vikingen meestal in de eerste plaats hun enorme spiermassa willen bewonderen, en dat die bij Fordham grotendeels schuilgaat onder heel veel massa van een ander, minder strak en stabiel soort. Deze Viking is een kolossale man van 44 jaar en 184 kilo, met kolossale armen en benen en handen en vingers en borsten en oren. En lange wilde haren, wapperende manen.

Andy Fordham, levende legende bijna, ontbrak op het officieuze wereldkampioenschap darten, het Lakeside-toernooi, in Frimley Green. Hij kon niet spelen, want hij mocht niet spelen van de artsen die hem in het ziekenhuis hielden, waar hij was beland met ademhalingsproblemen, die zich manifesteerden voor de eerste ronde van het toernooi.

De heren en dames medici houden de Viking in de gaten, vooral zijn hart en zijn lever. Voorzichtig probeerde een arts Fordham (‘Grote Vriendelijke Reus’) te vertellen dat hij misschien, heel misschien, eventueel, toch iets gezonder zou moeten gaan leven. Hij zou bijvoorbeeld eens de mogelijkheid kunnen overwegen van het reduceren van de hoeveelheid bier die Fordham normaal gesproken drinkt. Die is vrij groot, wellicht zelfs te groot.

Het is een kwestie van perspectief, moet Fordham hebben gedacht, en bier drinken is per slot van rekening maar relatief. En dus zwoer hij het bier af. Een verstandig besluit, zou je zeggen.

Ja, een verstandig besluit, beaamde de voorlichter van het Lakeside-toernooi: ‘Andy dronk de laatste tijd niet veel bier meer. Hij was overgegaan op witte wijn, omdat dat hem minder zou schaden.’ Om te vervolgen met: ‘Andy dronk echter de hele dag wijn in bierglazen. Dan heeft zo’n overstap natuurlijk weinig effect.’

(Phill Nixon, finalist, drinkt voor de wedstrijd ook graag bier. Veel. Om ‘de wedstrijdspanning kwijt te raken’. Nixon zei: ‘Bier is de benzine voor mijn lichaam.’)

Het meest relatief van alles is natuurlijk de tijd. Wat snel gaat en wat langzaam. Wat voorbij vliegt en wat een eeuwigheid lijkt. De tijd, die voorttikt en ons stapje voor stapje dichter bij de dood brengt, onvermijdelijk. Seconde voor seconde, tiende voor tiende, honderdste voor honderdste.

En 23 van die honderdsten deden zondag Ireen Wüst de das om in Collalbo. Dat ligt in Italië, en daar werd het Europees kampioenschap schaatsen voor allrounders verreden. Na de eerste twee dagen: niets aan de hand. Wüst won soeverein de 500 en de 1500 meter. Alleen de drie kilometer moest ze aan de negentienjarige Tsjechische spicht Martina Sablikova laten, maar dat leidde tot een veilige voorsprong van veertien seconden op de afsluitende afstand, de vijf kilometer.

Het was 14,05 seconde, om precies te zijn. En precies moeten we zijn, want het gaat soms om kleine verschillen. Sablikova reed de wereldtijd van 6.58.45, ongekend snel op een buitenbaan. In de rit daarna kon Wüst dus ruim veertien seconden verspelen en mocht rijden: 7.12.50. Móest rijden, werd dat, toen ze vier rondjes voor het eind verzwakte. Wat een makkie had geleken tot ruim de helft van de Vijf werd een gruwelijk probleem in het laatste stuk. Wüst had een hoi-moment, een moment dat Het Op Is, en liep vast. Het licht ging uit en ze finishte wankelend in 7.12.73.

Een haartje. Op het nippertje. De huid van je tanden. Banddikte. Neuslengte. Een vloek. Een zucht. Eén keer knipperen met je ogen. Een vingerknip. Dit (gebaar). Niks.

Bart Veldkamp legde eens uit dat als je twee keer iets harder afzette met je rechterschaats, je twee à drie tiende van een seconde kon winnen in dat rondje. Dat was genoeg geweest: tijdens die 12,5 rondjes één keer twee slagen harder aanzetten, en Wüst had niet verloren. Of bij de start een oogwenk eerder vertrekken. In die eerste bocht iets korter bij de blokjes blijven.

0,23 seconde, het is niks. Het is zo voorbij, je kunt het niet eens nadoen of aanwijzen, maar het was het verschil tussen goud en zilver. Minimaal, zei iedereen.

Het is een kwestie van perspectief. De achterstand van Wüst op Sablikova in het algemeen klassement bedroeg uiteindelijk 0,013 punt, dat betekent op de 500 meter 0,013 seconde. Dat is inderdaad niet veel. Dat kun je op de finishfoto nét zien, met enige moeite.

Sven Kramer, die op superieure wijze kampioen werd en Enrico Fabris versloeg, heette een fikse, ja een ruime voorsprong te hebben op de Italiaan. In het eindklassement stond Kramer 0,589 punt voor op Fabris. Dat betekent op de 500 meter 0,589 seconde. Dat is ook niet veel. Een paar meter. Na een toernooi van vier afstanden een gat slaan van een halve seconde, of een paar meter, dat is niet geweldig veel.

Het gaat allemaal om verhoudingen. In 0,23 seconde legt het geluid bijvoorbeeld een afstand af van ongeveer tachtig meter. Het licht doet er 0,23 seconde over om 74.948.114,5 meter te reizen. Het beeldscherm van een computer wordt in 0,23 seconde vijftien tot twintig keer ververst. Een kolibri slaat twintig keer met zijn vleugels in die tijd. De aarde, in haar baan om de zon, legt in 0,23 seconde zevenduizend meter af. De wind, van het krachtige soort, een meter of dertig. En een brommer, mits goed opgevoerd, is toch ook al vijf meter opgeschoten.

Het was een spannend toernooi, want de verschillen waren minimaal, zeiden de commentatoren. Dat is eigenlijk ook wel logisch. Het zou vreemd zijn als de verschillen veel groter waren: alle deelnemers zijn jongelingen van het atletische type, getraind tot en met, beschikkend over hetzelfde bijna-perfecte materiaal, verkerend in dezelfde topvorm, op dezelfde manier geconcentreerd en gefocust, op hetzelfde moment piekend – en ze schaatsen allemaal in vrijwel dezelfde omstandigheden. Natuurlijk zijn de verschillen dan klein.

Een keer in de paar jaar wordt de tijd op aarde gecorrigeerd. Bijgesteld. Want de officiële tijd, die wordt bijgehouden door een aantal atoomklokken, loopt niet helemaal synchroon met de fysieke draaiing van de aarde. Een jaar duurt dan wel 365 dagen, die 24 uur duren, en elk uur is dan wel 3600 seconden, denken we, maar dat is niet zo. Door een kleine afwijking in de rotatietijd van de aarde raken we af en toe tijd kwijt. Dan wordt er op 31 december om middernacht stiekem een seconde toegevoegd aan de tijd, snel teruggestopt tussen de andere seconden, waar hij hoort. De klok, Gods grote keukenklok, blijft even een tel staan, en de verloren seconde glipt gauw naar binnen, waar hij verwelkomd wordt door zijn soortgenoten als een verloren zoon, wat hij natuurlijk ook is.

Misschien is het een idee voor Ireen Wüst om daar eens onderzoek naar te doen. Want hoe zit dat met die seconde? Waarom moet die precies op 31 december om middernacht terugkomen? Waarom niet op 14 januari ergens in de middag? Tijdens een schaatsrit in Collalbo?