Hoe een generatie ontstond

Nix

Sinds De Groene in 1994 zes jonge schrijvers portretteerde weten we hoe we die verduivelde jongeren zonder veel illusies moeten aanduiden. Nix, of hoe een generatie ontstond.

Generaties worden niet geboren. Generaties worden gemaakt. In elk geval in het begin van de jaren negentig. Als een generatie moet bestaan uit een groep mensen met een collectieve, min of meer ingrijpende ervaring, is niet meteen duidelijk hoe de mensen die wer den geboren tussen 1960 en 1970 tot een generatie of een groep kunnen worden samengesmeed.

Een gemeenschappelijke, ingrijpende (misschien wel beslissende) ervaring die het leven voorgoed veranderde? Dat we geen oorlog hadden meegemaakt, hoorden we zo vervelend vaak dat we dat zelf ook belangrijk gingen vinden. Zoekend naar die Wende in ons leven kwam iemand soms op de verloren WK-finale van 1974, die diepe sporen zou hebben getrokken in onze jonge zielen. Onzin. De écht ontregelende gebeurtenis, het voorval dat een wereldbeeld deed wankelen, de tragedie die ons voorgoed anders tegen ons zelf en de samenleving waarvan wij deel uit maakten, zou doen aankijken, was een geheel andere. De afscheidswedstrijd van Johan Cruijff, Ajax-Bayern München. 0-8. The rest, wisten wij, was silence.

Wat wij, jongeren toen, gemeenschappelijk hadden was afwezigheid. De afwezigheid van Grote Gebeurtenissen, van Ideologieën, van Ingrijpende Voorvallen. Het gebrek aan een collectieve ervaring. Dat is ook iets gemeenschappelijks: de afwezigheid van God, het verdwijnen van Oude Waarden, de onvindbaarheid van Utopia.

De leegte. Het gevoel, het gedeelde gevoel dat de wereld tweedehands was. Dat je alles al had gezien, in het echt of op televisie. Dat die televisie echter was dan de werkelijkheid. Dat niets meer oorspronkelijk en onaangetast was.

Opgegroeid in de bloei van het postmodernisme, dat alles had gedeconstrueerd tot er niets meer was overgebleven, waren we gaan geloven in de clichés: Grote Verhalen waren verdwenen; God was een flippo, een modeartikel, een hype van voorbijgaande aard. Oprecht gevoelde emoties of verlangens bleken alleen van waarde te zijn zolang ze commercieel interessant waren. Het ging er niet om wat je dacht en voelde, maar hoe je dat in je persoonlijke stijl presenteerde. Alles was buitenkant. A Rolls is a Rolls is a Rolls. Het enige wat mensen wilden was door de Kalverstraat sjokken en naar dingen in volle lelijke etalages wijzen die ze al hadden maar toch dringend nodig meenden te hebben.

In een wereld waar alles een commodity is, een handelsartikel — ook emoties als angst, liefde en hoop — is er weinig dat authentiek lijkt. Er is weinig dat de indruk maakt echt te zijn. Na een tijdje krijg je zelf het gevoel dat je niet echt bent. Dat je niet echt bestaat.

Daar schreven we over. Jonge schrijvers als Don Duyns, Joris Moens, Ronald Giphart, Joost Zwagerman, Paul Mennes en ik toonden in hun boeken de wereld zoals ze was: dolgedraaid en leeggebloed. Hoofdpersonen waren twintigers die in de grote stad woonden waar ze een allesvernietigend gevoel van verveling bestreden. Geen verveling in de alledaagse zin van niet weten wat je moet doen, maar een metafysische verveling, ennui, die wortelde in de gedesillusioneerde, oppervlakkige wereld om je heen.

De boeken van deze en andere schrijvers waren genadeloos in de zin dat ze onverbloemd en keihard de illusieloosheid lieten zien die veel twintigers in die tijd ervoeren. Dat was oprecht.

Maar toen liep het uit de hand.

Het was de tijd dat de bevolking uit generaties bestond, en de geschiedenis uit decennia. Het was de tijd van doelgroepen, van reclame en marketing, van management tools en producten die «in de markt gezet» werden. Het was de tijd van de slogan, van de oneliner en de catch phrase. Het was Publex-tijd, waarin je je informatie haalde van affiches op speciaal daarvoor opgerichte wildplakzuilen, de tijd van provocatie en prikkeling, van opvallen en overrompelen, van profileren en penetreren.

In de reclame dan.

Begin jaren negentig vierden we de definitieve overwinning van het consumentisme. Geen Muur meer in Berlijn, en hier geen hindernissen meer om vrij te kiezen, om vrij te zijn, om vooral bovenal jezelf te zijn.

De jaren negentig, het decennium van de consument.

Jezelf zijn, dat moest van de reclame, en dat deed je het best als lid van een groep, een doelgroep. Want zonder doelgroepen geen reclame, en zonder reclame geen handel. En alles was handel.

Het generatiedenken werd ons met de paplepel ingegoten. We wisten niet anders of de geschiedenis bestond uit een steeds weerkerende cyclus van opstand en revolte en afwisseling van generaties. Zo hoorde het, zo was de geschiedenis begrijpelijk en begrijpbaar.

Ook de literatuur zat zo in elkaar. Eerst leerden we tijdens onze studie dat belangrijke ontwikkelingen en verschuivingen in de literatuur het gevolg waren van generatieconflicten, en later, toen we zelf schrijver werden en blaadjes maakten, zagen we hoe de dichtersclan Maximaal in die jaren iets deed wat we alleen uit de boeken kenden: in opstand, revolteren. Polemiseren, een einde maken aan iets ouds en beginnen met iets nieuws.

Zo hoorde het, en zo ging het.

We hadden ondertussen schizofrene trekken: enerzijds schreven we boeken en maakten we blaadjes alsof ons leven ervan afhing (vol ambitie en overtuiging), en anderzijds waren we ons bewust, overbewust, van onze plaats in de geschiedenis. We wisten dat we in de jaren negentig leefden, dat we waren opgegroeid in de jaren tachtig, dat duistere decennium, dat we kinderen van het postmodernisme waren. En dat we ons dienden af te zetten tegen onze «voorgangers». Ook al hadden we geen «voorgangers». Ook al hadden we aan niemand een hekel. Ook al wisten we eigenlijk niet tegen wie we ons moesten afzetten, en waarom. Alles kon toch naast elkaar bestaan? Het was toch niet of het een of het ander, maar en het een en het ander?

Wij, de schrijvers, werden in februari 1994 geïnterviewd door een weekblad, dit weekblad. Wij, de schrijvers leken in ons werk enkele overeenkomstige hangups te hebben. Allemaal schreven we over het hier en nu, over het leven in de stad in een tijd van oppervlakkigheid en desillusie. Verveling was een sleutelwoord.

Het weekblad maakte een groot artikel, coverartikel zelfs. Belde op en vroeg of ik, een van de zes schrijvers met de grote mond, misschien ook een leuke, catchy naam voor ons wist, voor die schrijvers, voor op het omslag…

(Groep schrijvers? Hoezo groep?)

Ik weet wel iets, maar dat is meer een grap. Dus dat zeg ik maar niet. Voor je het weet wordt het serieus genomen.

Zeg toch maar, drong het weekblad aan.

Nou, ik denk niet dat het iets is. Dus gebruik het maar niet.

Wat dan?

Ken je de roman Generation X van Douglas Coupland?

Mm-mm.

Nou, wat mij wel wat leek is Generatie Nix.

Haha, leuk ja.

Maar niet op de cover zetten hè?

Nee, joh. Niet op de cover.

Nadat het weekblad zijn nummer over Generatie Nix had gepubliceerd — met op de cover levensgroot GENERATIE NIX: het moedeloze schrijven van Don Duyns, Rob van Erkelens, Ronald Giphart, Hermine Landvreugd, Joris Moens en Joost Zwagerman — werd het begrip in no time opgepakt, in de markt gezet en geslogand. Het had een zeker appeal, zoals dat toen geheten zal hebben.

Ik schrok toen ik twee weken later een immense poster op een Publex-bord zag hangen die reclame maakte voor Nuts of Mars of weet ik veel, waar heel groot Generatie Nix op stond. Toen ik in de Volkskrant een stuk las over de jeugd van tegenwoordig, die verlekkerd en smalend Generatie Nix werd genoemd.

Het bleken vooral ouderen te zijn die enorm blij waren met de term: ze hadden nu de mogelijkheid alle afkeer die ze altijd al hadden gevoeld van die verderfelijke jongeren onder woorden te brengen. Het woord ‘nix’ was toepasbaar, en werd toegepast op alles en iedereen dat en die lui of pessimistisch werd gevonden.

Discussies in de media. Over jongeren in de jaren negentig. Die lagen de hele dag niets te doen in bed, en jointjes te roken en no future te hebben en hun idealen verloren te zijn en patat te eten en drugs te gebruiken. Iedereen onder de dertig stelde nix voor, had nix te melden en geloofde in nix.

Oeps. Korte tijd later was daar de anti-Nix-generatie. Dat waren jongens en meisjes die volgens de bladen wél nog in dingen geloofden, die wél idealen hadden, die wél positief naar de toekomst keken. In tegenstelling tot al die Nixnutten.

Hoogtepunt in mijn Nix-leven was de uitnodiging van het Amsterdams Studenten Pastoraat voor een avond over geloof onder jongeren in de hedendaagse maatschappij. Ook Désanne van Brederode was uitgenodigd, die met haar debuutroman Ave Veram Corpus had gemeld in God en vooral Zijn Zoon te geloven.

Ik was de representant van Nix, behept met een levenshouding tegenovergesteld aan die van Van Brederode. Zij was van God en ik was van de Duivel. Grappig.

Niemand die haar boek had gelezen, niemand die mijn boek had gelezen.

Na tien minuten ontdekte men langzaam dat het allemaal anders was: mijn ideeën over de wereld waren niet veel anders dan die van Van Brederode. Eigenlijk kon men wel begrijpen wat ik eigenlijk wilde zeggen.

Wat ik eigenlijk wilde zeggen:

Wij – (Stop. Zeg nooit wij. Er is geen wij. Als je wij zegt, spreek je namens anderen en dat kan niet. Dat kan niet, nee, maar de wijzegger denkt niet dat hij namens anderen spreekt, maar suggereert dat wat hij denkt over de wereld verder gaat dan het particuliere, dat er sprake is van zoiets als een «tijdgeest». De wijzegger heeft het idee, de overtuiging, de grootheidswaan, dat hij iets begint te begrijpen. Schrijven was voor mij een poging de tijd te begrijpen, de tijd waarin ik leefde. Ik wilde weten of er iets bestond als een tijdgeest, een cultuur waar «we» in leefden. Dat was misschien wel de belangrijkste motivatie om te schrijven wat ik schreef: vat krijgen op een tijd, een wereld die ik als onbegrijpelijk ervoer. De tijdgeest bleek zich stukje bij beetje meer te openbaren. Wat ik schreef bleek op sommige punten vergelijkbaar in toon en visie met werk van andere jonge schrijvers. Dat deed me goed. Het versterkte het idee dat ik in de goede richting dacht. Want als die dingen niet alleen mij opvielen maar ook anderen, dan moesten ze inderdaad wel aan de hand zijn) — ik wilde schrijven over wat er in de wereld op dat moment aan de hand was. Die andere schrijvers ook. We wilden schrijver zijn, maar werden een generatie. Een interessant collectief ervarinkje.