Recensie Chrétien Breukers

«No more heroes, no more Shakespearoes». De eerste grote poëziebloemlezing van de 21ste eeuw

Chrétien Breukers (samenstelling)
25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005: De Nederlandse literatuur in 666 en een stuk of wat gedichten
De Contrabas Bloemlezing, BnM Uitgevers, Nijmegen 2006, 465 blz., Ä 20,-

Als een bloemlezer het goed doet, doet hij het niet goed. Instemming is de dood van de anthologie. Een bloemlezing – zeker in de twintigste eeuw – hoort op z’n minst lichte ophef te veroorzaken, literaire deining, ontevreden geluiden of anderszins chaos en rumoer. Wel moet direct onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten bloemlezingen, die je de indexerende en innoverende zou kunnen noemen. De indexerende bloemlezing maakt de stand van zaken op, probeert – voorzover dat natuurlijk überhaupt kan – zo objectief en partijloos mogelijk een beeld van het veld te geven. Je zou kunnen denken aan de klassieke bloemlezingen van Van Vriesland (en later Warren en Molegraaf) of aan de jaarlijkse vsb-bloemlezing, waarin uiteraard ook geselecteerd wordt door de samensteller, maar toch een zeker evenwichtig overzicht van de oogst van het jaar nagestreefd wordt. De innoverende bloemlezing is de soort waarmee ik begon: al dan niet expliciet bedoeld om ophef te maken, als statement, en met het oogmerk een programma uit te dragen. De bloemlezer van dit genre wil iets nieuws over het voetlicht brengen: een bepaalde groep, poëtica of gedachtegoed. Hieronder vallen bundels als Vinkenoogs Atonaal, Rodenko’s Nieuwe griffels schone leien, waarvan de titel alleen al een programma is, of Jan Walravens’ bloemlezing uit de Vlaamse Vijftigers-poëzie Waar is de eerste morgen? uit 1955. De grens tussen beide soorten is niet altijd even duidelijk te trekken. In 1951 oogde Vinkenoogs Atonaal nog revolutionair. Toen maar enkele jaren erna de avant-gardebloemlezing van Walravens verscheen, was de nieuwe poëzie intussen zodanig geaccepteerd dat zijn overzicht welbeschouwd eerder als indexerend dan als innoverend gezien mocht worden. Ook de status van de fameuze Komrij-bloemlezing is ambivalent. Die heeft op het eerste gezicht alle trekken van een indexerende bloemlezing, maar bleek al snel na verschijning een polemisch poëziestatement van de eerste orde, dat met name een schop tegen de gevoelige schenen van de experimentelen was. Het resultaat was misschien wel het absolute dieptepunt in de naoorlogse poëziegeschiedenis: de rechtszaak die vier Vijftigers in 1980 tegen Komrij aanspanden. De voormalige avant-garde die beledigd naar de rechterlijke macht trekt: een triester literair schouwspel laat zich nauwelijks voorstellen. Overigens moeten we de ophefmakende categorie niet overdrijven. Ad Zuiderent becijferde in een bijdrage aan Nederlandse Literatuur, een geschiedenis dat er van de 328 bloemlezingen die in de tien jaar tussen 1970 en 1979 verschenen, slechts vier tot enig rumoer leidden. Zelfs als je dat aantal met een onwaarschijnlijke factor tien of zelfs twintig vermenigvuldigt, blijft de innoverende variant dus sterk in de minderheid. Intussen zijn dat literair-historisch natuurlijk wel de meest spraakmakende.

Half oktober verscheen 25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005: De Nederlandse literatuur in 666 en een stuk of wat gedichten, een ruim 450 pagina’s dikke bloemlezing samengesteld door Chrétien Breukers, dichter en redacteur van het poëzieweblog De contrabas. Naar analogie van «de dikke Komrij» heet het boek in de wandelgangen, die ook op internet bestaan, al een tijdje «de vette Breukers». Er is een belangrijkere link met Komrij’s boek: het aanvangsjaar van Breukers is 1980, het jaar dat Komrij’s eerste druk ophield. Kan een bloemlezing als deze in de 21ste eeuw nog innovatief of anderszins spraakmakend zijn?

Het is niet makkelijk om iets zinvols te zeggen over een bundel met een kleine zevenhonderd gedichten van 234 dichters die zo’n beetje het hele spectrum van light verse tot hermetisch beslaan. De eerste reflex is natuurlijk om op je persoonlijke smaak aselect door de verzameling te waden en vrolijke bevindingen te doen. Pas in tweede instantie mis je wat blijkt te missen, bij eerste lectuur verrast het onverwachte. De in ons taalgebied door iedereen op één recensent na volstrekt genegeerde Neeltje van Beveren, bijvoorbeeld, die in 2003 met Alles voor de vorm een onvergelijkbaar debuut maakte en nu weer enigszins aan ten onrechte dreigende vergetelheid en miskenning wordt ontrukt. Of de protestants-christelijke Geheimtip Henk Knol, wiens werk veel meer publiek en aandacht verdient dan alleen de eigen kring. Maar dergelijke particuliere voorkeuren zeggen natuurlijk meer over de lezer dan over de bloemlezer.

Hoe iets objectievers zeggen? Als concrete maatstaf is er alleen het beginjaar 1980. Dat criterium heeft soms rare consequenties. Zo is Stefan Hertmans ruim vertegenwoordigd, maar zijn bijna-leeftijdgenoot en langjarige compagnon de route Huub Beurskens, die net vóór 1980 debuteerde, helemaal niet. Essentieel anders dan Komrij (ook in de herdrukken) is het materiaal waaruit Breukers voor zijn bloemlezing putte. In de nieuwe bloemlezing werd niet alleen, zoals bij Komrij, gebundelde poëzie opgenomen, maar Breukers dook ook de tijdschriften in en putte uit internet. Die laatste twee bronnen zijn een evident punt van bloemleesvernieuwing. Maar of daarmee de hele onderneming tot innoverende bloemlezing wordt, valt te bezien.

Zoals bekend deelde Komrij in zijn bloemlezing «cijfers» uit van één tot tien: tien opgenomen gedichten duidde op de grootste waardering. Bij Breukers is het heilige getal zes: dat is het maximum dat een dichter kan krijgen. Deze hoogste eer valt 28 van de 234 gebloemleesde dichters te beurt. Als we zo vaststellen welke dichters Breukers het meest waardeert, blijkt deze eredivisie niet opzienbarend. We zien wat traditioneel georiënteerde dichters (Ghyssaert, Van Gogh, Rosen, Wigman), wat moeilijkere dichters (Van Bastelaere, Duinker, Hertmans, Spinoy, Oosterhoff), wat je-kan-het-anno-2006-niet-maken-om-ze-te-passeren dichters (K. Michel, I.L. Pfeijffer). En zo zijn nog wat categorieën te bedenken waaruit de topnamen netjes present zijn. Hier heel weinig verrassingen, hooguit een persoonlijke touch met het onverwacht opduiken van de jonggestorven Jan Kostwinder, van wiens postume verzameld werk Breukers zelf een van de redacteuren was, of van Hans Kloos, Mark van Tongele en Wim Brands. In het algemeen slaat de balans overigens eerder door in de richting van de «lastigere» poëzie. Daarnaast moet je vaststellen dat hier niet te zien is dat ook geput werd uit minder gangbare bronnen. Bij deze groep dichters betreft het louter werk uit bundels die bij de gevestigde, vrijwel uitsluitend Amsterdamse, uitgeverijen werden uitgegeven – en dat geldt ook voor de Vlamingen uit de topcategorie.

Interessant is het om te kijken naar het heel andere uiterste van het spectrum: de dichters met nul gedichten. Dit is natuurlijk wat speculatief, maar gelet op de brede selectie_-range_ lijkt het me onwaarschijnlijk dat Breukers meerdere dichters per ongeluk over het hoofd zag. Misschien wel de meest opvallende afwezige is Maria van Daalen, maar die weigerde als enige zelf haar medewerking aan het project. Voorts valt op dat Serge van Duijnhoven er niet in staat en daarmee de link naar de vroege generatie performancepoëzie. Arnon Grunberg ontbreekt, Paul Demets, F. van Dixhoorn, Martin Reints, Ivo van Strijtem, die leuke debutante Els Moors, en ook proza-auteurs Lidy van Marissing (als dichteres onderschat) en Koen Peeters (idem), en theaterschrijver Peer Wittenbols (idem) met hun dichtwerk. Maar veel onderlinge poëticale lijnen vallen er niet te ontwaren in deze verzameling aflijvigen.

Breukers heeft er dus noch voor wat betreft het topsegment noch voor de buitengesloten dichters een poëticaal statement van willen maken. Het onverwachte bevindt zich ertussenin. Pas bij de dichters die met enkele gedichten werden opgenomen vinden we de nieuwe (soms totaal onverwachte) namen, de runners-up, de echte verrassingen en de soms zelfs voor het eerst op papier verschenenen. Hier vinden we ook de kleinere uitgeverijen, de internetdichters en de poëzie uit de tijdschriften. Nu kan het lagere aantal dat Breukers deze dichters toebedeelde allicht verklaard worden uit het corpus waaruit geput kon worden. Het betreft hier veelal dichtcarrières die vooralsnog korter zijn, waardoor minder materiaal voorhanden is. Maar dat hoeft wat men altijd noemde «kwaliteit» natuurlijk niet in de weg te staan. En dat doet het dus kennelijk in Breukers’ ogen wél, en zo stuiten we dus eigenlijk toch op een poëticale keuze.

Zou de poëzie uit de niet-reguliere media in de toekomst sterker vertegenwoordigd worden in de poëziebloemlezingen? Ik betwijfel het, althans als het erom gaat of de webpoëzie prominenter zal worden. Zoals het er nu voorstaat lijkt poëzie-publiceren op internet een opstapje. Nederlandstalige internetpoëzie bestaat goeddeels uit statische teksten die geen gebruik maken van de nieuwe, meer dynamische mogelijkheden die publiceren per computer in potentie zou kunnen bieden. Voor de meeste dichters lijkt internet nog altijd de open vestibule zonder boze portier vóór de besloten maar toch zo begerenswaardige club-met-lidmaatschap die de Papieren Poëzie ondanks alles is. Natuurlijk is een poëzieweblog als Breukers’ eigen De contrabas digitaal, actueel en interactief, maar de discussies gaan er vrijwel zonder uitzondering over poëzie op papier. Het is niettemin met de opname van deze dichters – op de overgang van vrijzwevende virtuele poëzie naar een eerste vaste versie in boekvorm – dat met 25 jaar Nederlandstalige poëzie echt een nieuwe stap wordt gezet.

Een eenduidige poëticale lijn openbaart zich niet in deze anthologie. Niet vreemd dat Breukers in zijn inleiding de levendigheid en veelzijdigheid van het huidige poëzielandschap toejuicht. Dat moeten we vasthouden, vindt hij «en niet verzuipen in theoretisch gekissebis of het dictaat van een beweging». Dat «dictaat van een beweging» duikt al in uiteenlopende bewoordingen gedurende de hele naoorlogse periode op op plekken waar ingeleid of anderszins op literatuur gereflecteerd wordt. Volgens mij bestaat dat zogenaamde dictaat alleen maar als hersenschim of literair-historisch cliché. Zelfs de meest dominante naoorlogse poëziebeweging claimde al dat de «tijd der eenzijdige bewegingen» voorbij was. En wanneer zich al een beweging met neiging tot dictaat aandient, dan zie je meteen dat de betrokken dichters na de eerste publieke of kritische erkenning van hun club niet weten hoe rap ze moeten roepen eigenlijk nooit Vijftiger, Zestiger, Maximaal of vul maar in te zijn geweest. En wat dat theoretisch gekissebis betreft, het lijkt me dat dat nu juist onlosmakelijk deel uitmaakt van de levendigheid en veelzijdigheid van het huidige poëzielandschap.

Toch heeft Breukers met betrekking tot zijn eigen boek geen ongelijk: een bloeiend en levendig poëzielandschap komt inderdaad naar voren. En hoe je dat ook bekijkt, Breukers heeft het goed gedaan. Maar tot gerechtelijke procedures door beledigde dichters zal deze bundel niet leiden.

Breukers had ten opzichte van Komrij met zijn reservoir van bijna tweehonderd eeuwen de beperking van slechts een kwarteeuw. Ondanks alle rumoer maakte Komrij dan ook een bloemlezing waarin hij domweg veel publieksklassiekers kon opnemen: Marsmans Herinnering aan Holland, Perks Aan de sonnetten, Slauerhoffs In Nederland, om er maar enkele uit zeer vele te noemen. Hoe je het ook wendt of keert, die status hebben Heytze’s Vos in het ijs, Tonnus Oosterhoffs Tonnus Oosterhoff en Van Bastelaere’s Pornschlegel niet. En al evenmin valt te verwachten dat een lezersoproer uitbreekt vanwege het jammerlijk ontbreken van Moors’ «witte fuckende konijnen». Die zijn geen nationaal erfgoed, maar hooguit klassiekers bij een (zeer) bepaald lezerssegment. In Breukers’ bloemlezing tref je nergens één regel aan die het intussen schopte tot Nederlandstalige poëzieklassieker. Nu zal dat allereerst te maken hebben met een paradigmawijziging in het veld zelf. De meest interessante poëzie heeft al lang de pretentie niet meer te appelleren aan een algemene waarheid, en komt dus ook niet zo snel meer tot het mooi verwoorden van algemeen geldende maximen. Maar ik denk dat Breukers’ bloemlezing, misschien onverwacht, ook iets zegt over de inbedding van de poëzie in het dagelijks leven in het Nederlands taalgebied. * Jos Joosten is hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen