Het achterland als voorhoede

Noaberschap sells

Waar de Randstad de afgelopen jaren het diversiteitsevangelie omarmde, werd in het oosten van Nederland juist het aloude ‘noaberschap’ afgestoft. Zijn beide idealen met elkaar te verzoenen?

Wintergerst rond een daghuurderswoning uit 1904 aan het Middelerpad in buurtschap Middel, nabij Olst, Overijssel

Het liefst tuurt boer Herman Brunnekreef (51) tussen het verzorgen van zijn koeien door met een verrekijker zijn weide in. Aan de rand daarvan heeft hij een speciale vogelstrook aangelegd; bosschages waarmee hij vogels op doortocht hoopt te verleiden even uit te rusten. Elke zomer weer hoopt hij op grutto’s.

Maar hier, in een buurtschap bij Saasveld in Twente, houdt men niet alleen de vogels in de gaten. Ook onderling ontgaat de buren maar weinig. ‘Zo stond gister ineens mijn buurman op het erf, minuten nadat ik met mijn tractor even vast was komen te zitten. Of-ie kon helpen’, vertelt Brunnekreef. Ook toen hij enkele jaren geleden zijn moeder moest begraven, die haar hele leven op deze boerderij had doorgebracht, hoefde hij niets te vragen. De hele buurt wist precies wat hun te doen stond. ‘De mannelijke noabers maakten het erf gereed voor de ontvangst van de gasten; hun vrouwen ontfermden zich over het schrijven van de rouwkaarten.’ Net als bij de geboorte van zijn kinderen hielpen zijn buren hem bovendien uit de brand op de boerderij, waar het werk natuurlijk gewoon doorging.

Het is een opmerkelijke paradox: juist in het deel van Nederland waar de huizen het verst bij elkaar vandaan liggen lijken de buren elkaar misschien wel het meest te zien. Heemkundige Johan Steggink (71), gepensioneerd onderwijzer in de buurtschap Mande, in de Duits-Nederlandse grensstreek achter Ootmarsum, vertelt hoe dat in zijn werk gaat. ‘Zo gauw je volwassen bent ga je met een fles jenever naar de buurman en vraag je een eerste noaber, een tweede noaber en nog wat noodnoabers – zes à acht, voldoende om bij je uitvaart een kist te dragen – om jou in de rest van je leven terzijde te staan.’

Een web van ongeschreven codes en regels zorgt er vervolgens voor dat je hier niet hoeft te vereenzamen. Ook bij Oost-Nederlanders die niet in een kleine buurtschap maar bijvoorbeeld in de grote stad wonen, tovert het woord ‘noaberschap’ vaak een trotse lach op het gezicht. Áls er al zoiets is als een Oost-Nederlandse identiteit, zo hoor je er velen zeggen, dan kan die zelfs het best met dit ene woord worden omschreven. ‘Bij Friezen, Groningers en Limburgers heb je meteen een beeld of een associatie’, zegt hoogleraar Gert-Jan Hospers daarover. ‘Ze zijn star, nuchter of juist wat losser. Bij Oost-Nederlanders is dat minder het geval. Daarom wordt noaberschap door hen zo nadrukkelijk naar voren geschoven.’

In een deel van Nederland waar de bevolking zich niet zo snel ergens op voor laat staan is men in Twente feitelijk alleen ongegeneerd trots op het ‘noaberschap’. Of ‘naoberschap’, zoals het in de Achterhoek heet, met de ‘a’ voorop. ‘Buurt maken’, weer even verderop in Salland.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Karel Smouter over noaberschap in Oost-Nederland en de vermeende tegenstelling tussen de Randstad en de regio. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

De cijfers laten zien dat de praktijk dit breed gedeelde ideaal in grote lijnen weerspiegelt. In de provincie Overijssel wordt fors meer ‘noaberschap’ ervaren (59 procent) dan landelijk (42 procent), blijkt uit cijfers die​ de provincie​ voor dit artikel beschikbaar gesteld heeft.​ In Twente merkt 64 procent voldoende noaberschap in de buurt, in West-Overijssel is dit 54 procent. Ook is noaberschap sterker op het platteland aanwezig: daar merkt 68 procent van de respondenten voldoende noaberschap, tegenover 53 procent van de stedelijke respondenten. Het Burgerpanel van de provincie laat bovendien zien dat de inwoners van Overijssel actiever meedoen in de samenleving en vaker vrijwilliger, mantelzorger en lid van een vereniging zijn.

De Oost-Nederlander mag zichzelf dan ook graag zien als de Nederlandse modelburger, nog niet zo geïndividualiseerd als in dat – in de ogen van velen althans – nogal ‘ontaarde’ westen.

Wie door Salland, Twente en de Achterhoek fietst ziet overal witte feesttenten staan en passeert gegarandeerd de nodige Abrahams en Sarahs, waarmee buren de jarige in het zonnetje – en tevens te kakken – zetten. Buurten bouwen er maandenlang eendrachtig aan corso- of carnavalswagens, jongeren verzamelen de winter door hout voor het paasvuur.

En dat alles is meer dan nostalgie en folklore, bezweert wie je het ook maar vraagt. Al kon je in de coronazomer van 2020 bij met name jongeren ook wel de verzuchting optekenen dat het wel even rustig was, een periode zonder dit soort burenplicht. Maar, vertellen ze je er meteen bij, de traditie om alle grote momenten in het leven met je buren mee te maken zal door corona niet verdwijnen.

‘Het mooist vind ik de gewoonte een stel kippen mee te nemen naar het huwelijk van een noaber’, vertelt boer Brunnekreef. ‘Die kippen moet je vervolgens als gasten zien te stelen.’ Hoogleraar Hospers nam een stuk krentenwegge mee naar het interview om noaberschap te illustreren. ‘Bij het kraomschudden, het kraambezoek bij het eerste kind, nemen de noabers een groot stuk hiervan mee met zoveel mogelijk krenten. Zo kan de moeder aansterken en hebben de gasten iets te eten.’

meneer Maatman (met fiets) praat met zijn buurman over een nieuw te bouwen huis verderop in de straat. ‘Grote kans dat daar iemand uit het westen komt te wonen. Niks tegen mensen uit het westen, maar daardoor verandert het hier wel langzaam’

Dit is het tweede artikel in een reeks waarin ik zoek naar waarden voor de wereld na de Grote Lockdown. Want als het klopt dat we door waarden als globalisering en grootschaligheid in deze crisis zijn beland, zou het dan niet lonen om ons licht op te steken in het gebied dat we doorgaans de periferie noemen?

Als het platteland nu eens niet het vergeten achterland van de twintigste maar de avant-garde van de 21ste eeuw blijkt te zijn? Rem Koolhaas, ooit de peetvader aller urbanisten, is tegenwoordig die overtuiging toegedaan. In zijn Guggenheim-expositie Countryside: The Future vestigt hij dit jaar het oog van de mondiale voorhoede op het platteland, als het land van eindeloze mogelijkheden.

Wat als onze nationale talkshows zouden worden opgenomen in Doetinchem? vroeg ik me in het eerdere artikel af. Wat als het Boekenbal in de schouwburg van Hengelo zou plaatsvinden? Wat als de NRC in Deventer gemaakt zou worden?

Noaberschap zou in dat scenario in elk geval een volstrekt ingeburgerd begrip zijn aan de talkshowtafels. Bij werkelijk iedere notabele ten oosten van de IJssel gaat het begrip wel eens over de tong en ook als de geesten rijp gemaakt moeten worden voor iets nieuws wordt steevast op noaberschap teruggegrepen.

Zo was de regio Twente testregio voor CoronaMelder, de app die het ministerie van Volksgezondheid liet ontwikkelen. Het werd aan de regio verkocht als hightech noaberschap. ‘We zijn in deze streek gewend om een beetje op elkaar te letten’, zo klonk het bij de presentatie op de University of Twente. Ook op een universiteit die als eerste in Nederland het Engels als beleidstaal heeft ingevoerd wordt noaberschap niet vergeten. Noaberschap sells, kortom, of dan ten minste toch ten oosten van de IJssel. Van het nutsbedrijf tot de hogeschool, een ieder kent de sweet spot van de oosterling.

Onder meer authentieke proponenten en beoefenaars van noaberschap wekt de lippendienst aan dit begrip onder bestuurders, beleidsmakers en bedrijfsmarketeers overigens weleens wat argwaan. ‘Het kan gemakkelijk gebruikt worden om een bezuinigingsmaatregel te verkopen’, vertelt Linda Commandeur. ‘Zoals de participatiesamenleving: burgers verantwoordelijk stellen voor werk dat eerst door de overheid gedaan werd.’ Commandeur schreef met Tanja Abbas een boek over ‘Modern Naoberschap’, vol voorbeelden van hedendaagse interpretaties van dit begrip in de Achterhoek. ‘Naoberschap moet iets van onderop zijn, van de samenleving zelf.’

Modern naoberschap hoeft ’m volgens haar overigens niet per se te zitten in het afstoffen van allerlei oude gebruiken. Liever wijst ze op hedendaagse voorbeelden van buren die samen een probleem aanpakken. Zoals de Winterswijker Jeroen Schreurs (35), die aan het begin van de coronacrisis met zijn kersverse geliefde een oude camping in het Gelderse Rekken tot een nieuwe camping omtoverde, For Rest Glamp. Sinds hij van start ging kwam de ene na de andere bouwer en klusser uit de omgeving naar de camping toe. Ze zien in de verwaarloosde camping een mooi project voor een zomer zonder werk. Zonder vooraf om geld te vragen storten ze zich samen in het avontuur.

De stadse waarden: gelijkheid en vrijheid. Die van het platteland: kleinschaligheid en gezamenlijkheid

In de slipstream van de tentenbouwers die intussen op het medewerkersveldje zijn neergestreken is het de afgelopen zomer óók een komen en gaan geworden van zzp’ers uit de cultuursector die hun diensten aanbieden. Een artiest die voor het eerst op Zwarte Cross zou optreden hoopt dat hij nu bij het kampvuur terecht kan om zijn kunsten te vertonen. Een storyteller wil workshops aanbieden om mensen te helpen op verhaal te komen na de coronacrisis. Anderen bieden workshops ‘zenboogschutten’ aan, er komen yogasessies bij de vijver. Schreurs: ‘Er komt zelfs een bushcrafter langs die je een boom in takelt om boven in die boom je ontbijt te nuttigen.’

Opvallend aan de camping is het gebrek aan centrale regie: de camping is van iedereen die zijn schouders eronder zet. Een joint effort van onderop, waar de hele omgeving van Eibergen van meeprofiteert en waar men trots aan ontleent. Met luxe tenten zet de ‘glamping’ expliciet in op bemiddelde randstedelingen die de authentieke ervaring van het Achterhoekse platteland wordt voorgeschoteld. Zo staat er een keet waar je kunt schieten en kun je er (elektrische) brommers huren om door de bossen te scheuren. Met een volgend project, Silicon Forest, wil initiatiefnemer Schreurs IT’ers naar de Achterhoek halen om in tiny houses in het bos hackathons te komen organiseren. ‘Uiteindelijk zou ik het Achterhoek-gevoel zelfs naar het buitenland willen exporteren’, vertelt hij. ‘Dat kan best, want bij Ierse pubs hebben mensen over de hele wereld toch óók een duidelijk beeld.’

Wat we hier zien is hypermodern noaberschap, zo zou je kunnen zeggen. Van een verzekering van arme keuterboeren die op de zandgronden van Oost-Nederland in elkaars nabijheid een frontlinie tegen alledaags onheil vonden naar slim ondernemerschap vermengd met regiomarketing. Maar al blijft de essentie van een ‘verzekering’ ook bij de Achterhoekse festivalbouwers overeind, één zomer vol lotsverbondenheid is toch iets anders dan een leven lang voor elkaar zorgen, gewoon omdat je nu eenmaal op elkaar bent aangewezen.

Een boerderij uit 1892

Maar moet dat Oost-Nederlandse noaberschap nu als voorbeeld worden gesteld aan de geatomiseerde individuen die zich doorgaans in veel grote steden ophouden? Dat is nog maar de vraag. Veel vertrekkers uit het oosten nemen woorden als ‘verstikkend’ in de mond wanneer ze de burenplicht beschrijven en ervaren de ontsnapping daaruit als een verlichting. Uit vrees voor het wakend oog van de buren kan bovendien ook veel leed nodeloos binnenskamers blijven. Boerendochter Jantien Klein Ikink (31) uit het Achterhoekse Vragender kan daarover meepraten én besloot hier iets aan te doen.

Haar verhaal begint precies zoals dat van veel kinderen die opgroeien in een plattelandscultuur. Over moeilijke onderwerpen spreekt men niet, alles wat afwijkt van de heersende norm is taboe. Geen wonder, zegt ze daar nu over: ‘Mijn ouders hebben nooit anders geleerd.’ Het vroegtijdig overlijden van haar oudste broer, nog voor haar geboorte, wierp in haar jeugd een lange schaduw over het boerengezin. Tussen de regels was het thema alomtegenwoordig, maar er echt over praten? ‘Dat gebeurde niet.’

Ze moest eerst naar de andere kant van de wereld vertrekken voor ze er klaar voor was haar verhaal met de wereld te delen. Vanuit Australië verscheen tussen de opgewekte niemendalletjes over haar bestaan als reisblogger een persoonlijk verhaal over hoe ze als tiener lichamelijk geblokkeerd raakte. Direct na publicatie hing haar moeder aan de lijn, vijftienduizend kilometer verderop. Of ze dat blog meteen offline wilde halen. Ze wilde haar dochter beschermen. ‘Ik kom mijn buren morgen weer tegen bij de supermarkt’, zei ze tegen haar dochter. ‘Straks heeft iedereen het over jou.’ Haar vader: ‘Waarom zou je jouw problemen neerleggen bij een ander? Je wil hun toch niet tot last zijn?’

Redenaties als deze zorgen er volgens Klein Ikink voor dat er in dorpen veel wordt weggeslikt en verzwegen. ‘Ik had een fijne jeugd. Maar het hoge ons-kent-ons-gehalte dat het leven in dorpen zo mooi maakt heeft wel een keerzijde’, zegt ze daarover. ‘Daardoor blijft veel onbesproken. Neem vreemdgaan, of open relaties. Het zou me niet verbazen als dat in dorpen vaker blijkt voor te komen dan in de stad. Maar het gaat er nooit over. Althans, niet op een serieuze, eerlijke manier.’

Haar blog bleef staan. En de reacties van andere jonge vrouwen die zich in haar verhaal herkenden zorgden voor een omslagpunt.

Na een aantal jaren vanuit haar koffer levend de wereld te hebben doorkruist strijkt Klein Ikink begin 2019 neer in Lissabon. Daar neemt ze het stokje over van een andere ‘digitale nomade’ die avonden belegt waarop mensen elkaar op een podium, voor een publiek, waargebeurde verhalen vertellen: True Stories Told Live. Voor de vertellers het podium opstappen, worden ze door Klein Ikink getraind in het terugbrengen van hun verhaal tot een essentie van ongeveer tien minuten.

Een jaar later, de coronacrisis staat op het punt van uitbreken, besluit Klein Ikink dat ze wel even genoeg van de wereld gezien heeft. Ze gaat terug naar Vragender. Daar begint het te broeien. Wat zou er gebeuren als ze hier in het hart van de Achterhoek net zulke avonden zou organiseren als in mondain Lissabon? Híer, op het erf van haar ouders?

Maandag 6 juli van dit jaar is het zo ver. Omdat het weleens zou kunnen gaan regenen haalt haar vader zijn trekkers uit de halfopen schuur waar die geparkeerd staan. Er gaan wat hooibalen in voor het decor, er wordt een podium opgetuigd en er worden tachtig stoeltjes neergezet. Tussen het sjouwen door schudt haar vader, zesde generatie melkveehouder Bennie Klein Ikink (65), weer het hoofd. ‘Ik vind het goed hoor’, zegt hij, ‘maar ik begrijp er helemaal níks van. Waarom zou je dit allemaal doen?’

De schuur zit ’s avonds vol met Achterhoekers, die zeven diep persoonlijke verhalen van streekgenoten krijgen voorgeschoteld. Overwonnen burn-outs, vastgelopen sekslevens, zelfmoordpogingen; de zware thematiek contrasteert scherp met de feestelijke bites en wijntjes die Klein Ikinks zus tussendoor uit haar vrolijk versierde foodtruck serveert. Toch zit het publiek – voor een belangrijk deel vrienden en familie van de sprekers – van begin tot eind geboeid op de stoel. Een soort biechtsessies zijn het, maar dan met publiek. ‘Dat publiek zorgt als het ware voor de vergeving, de erkenning dat het goed is zoals het is’, zegt Klein Ikink.

De problemen van een overdaad aan noaberschap worden door Klein Ikink in feite bestreden met méér noaberschap: een praatavond op het erf van haar vader, bedoeld om buren en streekgenoten op verhaal te laten komen.

Voetbalveldje achter een huis aan het Stapelhaarspad in buurtschap Middel

De vraag is hoe inclusief dat noaberschap eigenlijk is. En, andersom, van hoeveel noaberschap de inclusiviteitsgedachte eigenlijk getuigt. Want terwijl ten oosten van de IJssel in voorbije jaren het begrip noaberschap werd afgestoft, zijn in de grote steden elders in het land diversiteit en inclusiviteit de woorden op ieders lippen geworden. En waar in het zogeheten centrum nog wel eens wat lacherig gedaan kan worden over de kneuterigheid waarmee men in de periferie bij elkaar placht te klitten – je sociale leven laten bepalen door zoiets toevalligs als geografie, hoe bestaat het! – daar wordt buiten die centra vaak eerder hoofdschuddend dan instemmend gekeken naar wat wel ‘diversiteitsgedram’ genoemd wordt.

Een heuse ‘inclusitie’ zou op geforceerde wijze universiteiten, de media en het culturele leven diverser maken, waarbij dan slechts naar kleur en etnische komaf wordt gekeken. Zo plukken veel Oost-Nederlandse cultuurmakers in hun beleving tegenwoordig de zure vruchten van het feit dat de grote kunstfondsen zich stuk voor stuk tot dit diversiteitsevangelie hebben bekeerd. Pas nadat ze deze zomer iets deden wat ze niet gewoon zijn – op de grote trom slaan, met brandbrieven aan het ministerie en georganiseerde media-aandacht – kregen de oosterse gezelschappen met Prinsjesdag te horen dat er ook voor hen geld beschikbaar zou komen. Toch blijft bij veel makers het gevoel hangen dat diversiteit die je met de stad associeert – kleur, afkomst, gender – er meer toe doet dan diversiteit binnen Nederland zelf.

Die afkeer van grootstedelijk diversiteitsdenken blijft overigens niet tot de buitengebieden beperkt. Ook in de grotere steden in het oosten zijn zulke geluiden wel op te tekenen. Deventer, bijvoorbeeld, geldt als een van de meest progressieve steden van Oost-Nederland. In de volksmond heette de stad zelfs lange tijd ‘Moskou aan de IJssel’. Maar toen Ron König medio 2018 aan zijn klus als waarnemend burgemeester van Deventer begon, deed de kleur van Zwarte Piet hem de wenkbrauwen fronsen. ‘Hoe verder je naar het oosten gaat, hoe zwarter Piet wordt. Dat wist ik. Maar dat het hier zó leeft, moest ik echt ontdekken.’

Op 30 oktober 2019 al stond een groep van zo’n honderd Zwarte Piet-aanhangers voor de deuren van het stadhuis, van wie zo’n 25 verkleed als Zwarte Piet. Aanleiding: het besluit van burgemeester König om de intochtcommissie te korten op haar subsidie als ze niet een derde van de Pieten als ‘roetveegpiet’ zou schminken. Een moeder, die niet haar naam wil noemen vanwege de privacy van haar kinderen, zei: ‘Misschien is dit de laatste keer dat ze Zwarte Piet kunnen zien zoals die bedoeld is.’ Richard van der Stelt, woordvoerder van de demonstranten: ‘Wij willen dit gewoon regelen als Deventenaren onder elkaar. Niet omdat ze in de Randstad of op televisie dat van ons willen.’

‘Vluchtelingen in Moria, het grijpt me aan. Maar intussen zijn we op het dorp hart- stikke druk met elkaar’

Wat opvalt is dat het meest gehoorde argument in Deventer om Piet zwart te houden het risico op herkenning is. Het zijn vaak buurmannen en buurvrouwen, ooms en tantes, die hun buurkinderen, neefjes en nichtjes als Piet willen verrassen. Te weinig schmink zou afdoen aan het mysterie. Het ideaal van nabijheid – samenleven met je vrienden, buren en familie – lijkt in de ogen van deze demonstranten het insluiten van anderen uit te sluiten. En andersom is het voor degenen die tegen de kleur van Piet ageren weer moeilijk voor te stellen hoe zwaar die argumenten kunnen wegen voor mensen die hun hele leven in dezelfde sociale kring doorbrengen.

Op Tweede Pinksterdag dit jaar, 1 juni 2020, kwam de spanning tussen beide idealen misschien wel het meest aan de oppervlakte. Om twaalf uur die dag gingen overal in het land de terrassen weer open na een kleine drie maanden gedwongen sluiting vanwege de coronamaatregelen. In een tweet van NRC-journalist Eppo König was aan het eind van de ochtend te zien hoe in het Brabantse Esbeek die ochtend al de polonaise werd gelopen. Het filmpje ging al snel het hele Hollandse internet over. Nederland boven de grote rivieren ontstak direct in woede over die ‘domme Brabanders’ die zichzelf en anderen doelbewust in gevaar zouden brengen.

Enkele uren later, aan het begin van de avond, trokken de troepen op Twitter opnieuw ten strijde. Maar toen tegen de ‘losgeslagen Amsterdammers’ die het bestonden om met duizenden op de Dam te hoop te lopen tegen racisme.

De rituele verontwaardigingsparade die volgde op beide gebeurtenissen vormde een nagenoeg perfecte demonstratie van het hedendaagse schisma bij uitstek: de Randstad versus de Rest. Of, op een dieper niveau: de waarden van de stad (gelijkheid en vrijheid) tegen die van het platteland (kleinschaligheid en gezamenlijkheid).

Want wat vierden die Brabanders nu eigenlijk met hun polonaise? Niet, zoals alom werd aangenomen, dat het café weer open mocht. Nee, gevierd werd dat een groep bewoners het stokje van de uitbaters overnam en ‘hun’ Café de Schuttershof weer in beheer zou nemen. Het was veeleer een uiting van verbondenheid van de dorpsbewoners, die de vorige uitbaters zo uitzwaaiden en zich samen opmaakten voor betere tijden. En waar kwamen die duizenden Amsterdammers voor samen? Niet allereerst, zoals wel werd gesuggereerd, om te demonstreren tegen politiegeweld in Amerika. Maar om aandacht te vragen voor hoe racisme ook in Nederland in onze systemen en instituten is gaan zitten.

Het bracht aspirant cda-leider Mona Keijzer – en met haar vele anderen – tot de conclusie dat de racismediscussie vooral een Randstad-discussie zou zijn: bij ons op het dorp, in de buurtschap of in de wijk, daar kénnen we elkaar en zouden we elkaar nóóit discrimineren. Al die termen over micro-agressies, systemische uitsluitingsprocessen en witte onschuld: moeilijkdoenerij uit de stad.

Dat dit beeld wat al te rooskleurig lijkt merkte Nana Scholten, naar eigen zeggen de enige zwarte vrouw in het Gelderse Wilp, aan den lijve. Ik trof haar in haar nieuwbouwwoning terwijl de resten van haar opbergschuur nog aan het nasmeulen waren. Op de vrijdagnacht vóór de Black Lives Matter-demonstratie in Deventer, waartoe zij het initiatief nam, brandde haar schuur én die van de achterburen geheel af. De politie zei brandstichting uit te sluiten – er zou een accu in brand gevlogen zijn – maar volgens Scholten is de timing van de schuurbrand simpelweg te toevallig. Terwijl ze het gesprek zoekt met haar eveneens gedupeerde achterburen valt op dat ze haar niet kunnen luchten of zien. ‘Ze vertellen me niet eens wát ik verkeerd gedaan zou hebben’, verzucht ze. ‘Terwijl: we zitten toch in hetzelfde schuitje?’

In Wilp, een van de oudste dorpen van het land, werd al gauw gefluisterd dat ze de brand zelf zou hebben aangestoken. Of zich op zijn minst doelwit gemaakt zou hebben, door in de lokale krant te vertellen dat haar kinderen wel eens voor ‘Zwarte Piet’ zouden zijn uitgemaakt en racisme hebben ervaren. Wat, hoe dat ook zij, opvalt is dat de verontwaardiging vooral het zelfbeeld van het dorp betreft: wij zíjn niet racistisch en wie beweert van wel, beledigt ons.

Ter vergelijking: toen eerder dit voorjaar in het Sallandse Lierderholthuis het dorpscafé afbrandde, stond het hele dorp direct klaar om de ongelukkige buren, voormalige eigenaren van het café, terzijde te staan. Uit alle hoeken en gaten kwamen er zakken met kleding tevoorschijn die het gezin kon dragen nu ze even niet meer in hun woning terecht konden. En zodra de verzekeringsagent langs geweest was begonnen de dorpelingen met elkaar na te denken over het herstel van ‘hun’ praathuis.

Misschien is noaberschap simpelweg een stuk makkelijker als iedereen op elkaar lijkt. Maar in de vaak miskende houding van veel Oost-Nederlanders zit ook een vreemd soort jaloezie verscholen op het succes waarmee nieuwe Nederlanders van diverse pluimage hun weg weten te vinden. Bij de boerenprotesten, bijvoorbeeld, werd Kick Out Zwarte Piet vaak als voorbeeld aangehaald: als zíj zich in de kijker weten te spelen en hun grieven geagendeerd krijgen, waarom wíj dan niet?

Beide groepen zijn in feite periferiebewoners die om erkenning en insluiting door het centrum vragen. Bedelaars aan de deur van de witte, progressieve hegemonie.

Betsy (69) en Gerard (71) staan voor de schuur bij hun huis in buurtschap Middel. Beiden zijn geboren en getogen in het uitgestrekte buurtschap. Hij aan de ene kant en zij aan de andere kant

Als je nog wat verder uitzoomt, zie je hier misschien wel het grootste samenlevingsvraagstuk van onze tijd opdoemen: hoe het gelijk van de overalmensen – dat we de opdracht hebben samen te leven op één wereld – te rijmen valt met het gelijk van de ergensmensen, namelijk dat betekenisvol samenleven begint met het ‘zien’ van je directe buren. Om, in de woorden van de Ghanees-Amerikaanse denker Kwame Anthony Appiah, ‘bewoners van één wereld en tegelijk vele werelden’ te worden. Tegelijkertijd ook door het vreemde als het nabije te houden.

Boer Brunnekreef, in zijn buurtschap bij Saasveld in het Twentse heuvellandschap, houdt wellicht de sleutel hiertoe in handen. Hij weet dat wie mooie vogels wil zien voor diversiteit zal moeten zorgen. Jaar na jaar sleutelt hij aan de juiste mix van grassen, kruiden, planten en bomen om op zijn weiland vreemde vogels van over de hele wereld te verwelkomen. Met elk jaar weer een beetje meer succes. Tegelijk is het bedrijf van de familie Brunnekreef óók gebaat bij continuïteit en bij de kennis die je alleen kunt vergaren doordat het van generatie op generatie wordt doorgegeven. Bij stabiliteit bovendien, van families die soms meerdere generaties lang met elkaar verbonden zijn.

De naar het oosten vertrokken randstedelingen vertellen over hoe aardig de oosterling is. Maar ook dat het intensieve samenleven met mensen die je niet hebt uitgekozen je uiteindelijk verandert. ‘Ik laat de krant steeds vaker liggen’, vertelde een van hen me onlangs toen ze reflecteerde op wat haar verhuizing van Amsterdam naar het buitengebied met haar had gedaan. ‘Vluchtelingen in Moria, het grijpt me nog steeds wel aan. Maar intussen zijn we hier op het dorp hartstikke druk met elkaar. En hier kan ik wél invloed op uitoefenen.’

Ze gaf het toe met, zo leek het, enige gêne. Maar misschien is wat ze beschrijft wel het punt waarop beide idealen elkaar ontmoeten. Het punt waarop je je betrokkenheid met de wereld als geheel vertaalt naar betrokkenheid met de concrete ander met wie je nu eenmaal door je noaberschap bent verbonden. En misschien is werkelijke inclusiviteit wél dat je óók de ergensmens in zijn waarde laat en niet geforceerd in een progressieve postmoderne stedeling probeert te transformeren. En daadwerkelijk noaberschap dat je leeft vanuit het besef dat je buren ook maar bij toeval je buren geworden zijn. Dat je betrokkenheid bij de wereld kortom niet bij de horizon aan het eind van je weiland hoeft halt te houden.

Toegegeven, het is wel een wat zijige conclusie. Maar met een aantoonbare trend van verhuisbewegingen oostwaarts worden we onmiskenbaar steeds meer noabers van elkaar. Of we nu willen of niet. En dus is noaberschap, net zoals het ooit begonnen is, straks geen ideaal meer, maar bittere noodzaak. Want demografen en geografen stellen rapport na rapport hetzelfde: Nederlanders komen onherroepelijk meer in elkaars vaarwater, nu de Randstad vol is en de noodzaak daar te wonen – versneld door corona – steeds minder groot. We stevenen af, zo voorspellen ze, op een situatie waarin niet meer gesproken kan worden van de Randstad tegenover de regio, maar van Nederland als Randland van Europa.

De hoogste tijd, kortom, om te leren ‘buurt te maken’ bij elkaar, zoals misschien wel het mooiste Oost-Nederlandse ritueel heet dat ik ken. Buurt maken doe je door je nieuwe buren na je verhuizing uit te nodigen voor een groot feest. Zo word je als het ware opgenomen in een nieuwe gemeenschap. En als je weer verhuist zul je zien dat de hele buurt voor je klaarstaat om je – al dan niet op de platte kar en met een fles jenever – uitgeleide te doen. Dan heb je écht buurt gemaakt.


Dit artikel werd mede mogelijk gemaakt door Fonds 1877

Het achterland als voorhoede

Wat als de periferie het centrum zou zijn en het centrum de periferie? Dat gedachte-experiment vormt het vertrekpunt voor deze serie artikelen, waarvoor journalist Karel Smouter kriskras door Oost-Nederland fietst. De volgende aflevering (winter 2020) gaat over kleinschaligheid. Intussen reist fotograaf Michael Rhebergen vast langs ‘de nieuwe kustlijn’, die ontstaat als de Randstad onder water komt te staan.

Maand van de Geschiedenis

De maand oktober is de Maand van de Geschiedenis, met als thema Oost/West. In het Rijksmuseum in Amsterdam vindt dit jaar een ‘online’ Nacht van de Geschiedenis plaats. Daar zullen Lotte Jensen, Marjolein ’t Hart en Karel Smouter met elkaar in gesprek gaan over de verschillen tussen Oost- en West-Nederland, in tijden van crisis. Info en tickets via rijksmuseum.nl/nl/nacht-van-de-geschiedenis