Nobel doel

Nu Marx weer als actueel denker wordt gevierd, kan het geen kwaad op de verdiensten van zijn dwarse schoonzoon Paul Lafargue te wijzen. Diens belangrijkste geschrift, het satirische Recht op luiheid, verscheen in het jaar van Marx’ overlijden, in 1883. Of de moegestreden auteur van het onvoltooide Kapitaal, werkezel pur sang, het in deze definitieve staat nog gekend heeft (eerder was het als tijdschriftartikel verschenen) is onduidelijk, maar in dat geval moet het een beslissende nagel aan zijn doodskist zijn geweest.
Lafargue kwam uit een welgesteld milieu. Zijn familie, van Franse nationaliteit, had een vermogen verworven in Haïti en op Cuba, en dat winstgevend belegd in de destijds Franstalige gebieden langs de Mississippi. Niettemin slaagde hij erin al snel volledig blut te raken, als gevolg waarvan hij zijn anarchistische en publicistische activiteiten alleen kon voortzetten dankzij de genereuze steun van Friedrich Engels, miljonair, vriend en coauteur van Marx, en ook díens mecenas.
Desondanks stonden de opvattingen van Lafargue in menig opzicht haaks op die van zijn schoonvader. Hij verweet de proletariërs hun slavenmentaliteit, zíj waren verantwoordelijk voor het voortbestaan van het kapitalisme. Ook de lichtekooi kon op weinig erbarmen rekenen, zij was eerder profiteur van de verhoudingen dan slachtoffer. Met het romantiseren van hun treurige bestaan was niemand gebaat.
Het recht op luiheid is een reactie op het ook in de late negentiende eeuw alom geëiste recht op arbeid. Lafargue kende zijn pappenheimers: hij zag zelfs in de afschaffing van de christelijke feestdagen niet zozeer een antiklerikale maatregel als wel een truc om de arbeiders nog langer te laten werken. Met Marx kan links Nederland anno 2010 niet veel beginnen, Lafargue heeft iets beters in de aanbieding: van hem is te leren dat er naar nobeler doelen valt te streven dan volledige werkgelegenheid voor iedereen.
Eigenlijk pleit hij ook niet voor luiheid, maar voor een kortere arbeidsdag. Het gaat hem om de ontdekking van de ‘vreugde door het nietsdoen’. Dat is iets anders dan alleen maar passief vegeteren; veel vrije tijd zag hij als voorwaarde voor een gelukkig bestaan. Zonder vrije tijd geen sociaal leven en geen intellectuele bezigheden. In Het recht op luiheid spreekt iemand die ook de proletariërs een leven in eigen beheer toewenst.