Nobelbob

Toen de Jamaicaanse schrijver Derek Walcott in 1992 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg, vroeg men hem naar zijn inspiratiebronnen. Het antwoord omvatte twee woorden: ‘Bob Marley’. Ook in latere interviews hield Walcott niet op met zich schatplichtig te verklaren aan zijn in 1981 overleden landgenoot. Als het aan Walcott had gelegen, zou de keizer van de reggae postuum de letterkundige prijs van de Zweedse munitiefabrikant hebben gekregen, en niet hijzelf.

Dit jaar krijgt de jury van de Nobelprijs de kans om dit historische onrecht ten aanzien van songteksten te rectificeren. Begin deze week werd bekend dat Bob Dylan dit jaar een van de kandidaten is voor de meest prestigieuze literaire onderscheiding op aarde, goed voor anderhalf miljoen gulden. De voordracht geschiedde op initiatief van beat-dichter en Dylan-vriend Allen Ginsberg, die de Amerikaanse hoogleraar in de letteren Gordon Ball wist te bewegen Dylan officieel kandidaat te stellen.
Ball, die ironisch genoeg werkzaam is aan het Militaire Instituut in Virginia, een instelling waarvan je niet zou verwachten dat die wegloopt met Dylan-songs als Masters of War, schreef een gloedvolle voordracht aan de Zweedse jury: ‘Dylan verdient de nominatie vanwege de wereldwijde invloed van zijn songs en literatuur. Het buitengewoon inventieve symbolisme van veel van zijn werk verdient het vergeleken te worden met gevierde dichters als Arthur Rimbaud en William Butler Yeats.’ De jury ging overstag. Hetgeen toch als een kleine revolutie mag worden beschouwd in het denken over de grenzen tussen popmuziek en letteren. Voor de 55-jarige Dylan, nog steeds bezig aan zijn allesverterende Never Ending Tour, is de kandidatuur de finale stap naar officiële erkenning als poëet. In januari 1990 hing de Franse minister van Cultuur Jack Lang hem al het erekruis van Commandeur des arts et des lettres om, zodat hij voortaan op voet van gelijkheid stond met literaire grootheden als Sartre en Cocteau. Het is een vorm van vleierij waar Dylan tot aan zijn bekering tot het Born again-christendom begin jaren tachtig weinig van wilde weten. Journalisten die al te nadrukkelijk refereerden aan de literaire zeggingskracht van zijn teksten, werden steevast op de nodige hoon van de meester uit Minnesota onthaald. 'Ze zien er te veel in’, liet hij weten. 'Het zijn alleen maar liedjes’. Niettemin bleef het leger 'Bob-cats’ onvermoeid in de weer om Dylan in te lijven in het land der letteren. Had Bob Zimmerman zijn artiestennaam immers niet ontleend aan Dylan Thomas, de al even woordvaardige poëet uit Wales?
Al in 1964 regelde Dylans manager Albert Grossman een contract bij een literaire uitgeverij voor zijn protégé. 'Alleen: er was geen boek’, zo bekende Dylan veel later. 'We hadden gewoon het vetste contract aangenomen dat we konden krijgen. Dus ik ging zitten en zei: “ik heb al zo veel dingen gedaan, het is vast niet moeilijk om een boek te schrijven”.’ Dat viel dus tegen. Pas zeven jaar later verscheen de vrucht van Dylans literaire inspanning: Tarantula, oftewel 'Dylans grote spinnenboek’. Dylan schreef het in de nachtelijke uurtjes, hallucinerend van de barbituraten en de LSD, hetgeen duidelijk blijkt uit het surrealistische prozagedicht vol woordspelletjes en absurde grappen. De spaarzame goedwillende critici noemden het de Beatnik-versie van James Joyce’s Finnegan’s Wake, de rest vond het vooral onbegrijpelijk.