Nobele bedoelingen

Anne Provoost, Vallen. Uitgeverij Houtekiet/Fontein, 264 blz., f29,90
DE LIBRIS Woutertje Pieterseprijs vormt met de Gouden Griffel de belangrijkste bekroning die jaarlijks voor een Nederlandstalig kinderboek is weggelegd. Onlangs werd de prijs uitgereikt aan de jonge Vlaamse auteur Anne Provoost voor haar roman Vallen. De keuze loopt duidelijk uit de pas met die van eerdere jury’s, die in schrijvers als Toon Tellegen, Paul Biegel, Imme Dros en Anne Vegter primair de taalkunstenaar eerden.

Provoost stelt al haar literaire vaardigheden in dienst van wat ze jongeren te vertellen heeft: laat je niet inpakken door de verleidelijke praat van extreem-rechts. Haar protagonist is de vijftienjarige Lucas, die terugkijkt op een hete, lamlendige zomervakantie in het huis van zijn pas overleden grootvader. In het Frans aandoende bergdorp broeit vreemdelingenhaat, gevoed door de aanwezigheid van donkere werklozen, die ‘Arabieren’ heten. Ook zoemen er verhalen rond over grootvaders verzwegen foute rol in de Tweede Wereldoorlog. Stukje bij beetje reconstrueert Lucas het familiegeheim: door opa’s toedoen werden de in het naburig klooster ondergedoken joodse kinderen ontdekt en de verantwoordelijke nonnen gefusilleerd.
Lucas trekt op met een bij het klooster en zijn geschiedenis horend meisje, voor wie hij gevoelens koestert die onbenoemd blijven, maar het meest ingrijpend zijn zijn contacten met twee Vlaams-Blokachtige types. Met hun kameraadschappelijke belangstelling, hun moeilijk grijpbare halve waarheden en vertrouwenwekkende schijnzekerheden weten ze Lucas voor hun karretje van steeds gewelddadiger acties te spannen. Verstrikt in halfslachtige beslissingen stelt de jongen uiteindelijk een onherroepelijke daad, wanneer hij zijn vriendin levend, maar verminkt uit een brandende auto loszaagt.
Het verhaal is knap in elkaar gezet. Ondanks een zekere breedvoerigheid en het trage verteltempo houdt Provoost haar lezers bij de les met een zorgvuldige spanningsopbouw en dosering van informatie. Alles hangt met alles samen, is een echo van eerdere gebeurtenissen of een opmaat voor wat nog komen moet. Als in de klassieke tragedie is het onafwendbaar onheil vanaf de eerste bladzijden voelbaar.
Toch ontbreekt er iets wezenlijks in het boek. De auteur gaat gebukt onder de zwaarte van haar onderwerp en van haar eigen gelijk. Dat resulteert in te grote woorden - er gebeurt iets, wat volgens de vertellende ik-figuur 'brutaal een einde aan mijn jeugd maakte’ - en in verhaalfiguren die leven voorzover ze in dienst staan van de boodschap en die te vaak spreken met de stem van de schrijfster.
Zo merkt Lucas’ vriendinnetje tijdens een gesprek in de zon over een gemeenschappelijke kameraad op: Zijn soort wil Auschwitz vergeten om weer racistisch te kunnen worden. Niet uit schaamte, nee, ze zijn er zelfs trots op dat de Duitsers die massadeportaties voor elkaar kregen, maar omdat ze weten dat hun racisme geen kans krijgt zolang de mensen zich de bergen haren en schoenen herinneren. Lucas bestaat om als prototype van een puber te laten zien hoe groot de gevolgen van onduidelijk, meeloperig gedrag kunnen zijn. Het kloostermeisje dient zijn tegenpool te zijn. Geen van beiden zijn ze springlevende, hun papieren omtrekken ontstijgende jonge mensen, zoals Peter Pohl, Aidan Chambers of Janni Howker die bijvoorbeeld geschapen hebben.
Daarmee schaart Vallen zich in de lange jeugdliteraire traditie, waar het primaat van de inhoud en de nobele bedoelingen heerst. En die traditie had de prijs in navolging van zijn naamgever Woutertje Pieterse tot op heden nu juist zo vrolijk aan zijn laars gelapt.