Nobele fotografie

Toen de fotografie als technisch proces een beetje hanteerbaar was geworden werd duidelijk dat ze als kunst zou worden erkend – maar de vraag was: als wat voor kunst?

Medium kunst

Haar sterkste punt was de weergave van de werkelijkheid, sneller, scherper en directer dan de tekenaar dat kon, maar zou de fotograaf ook de effecten van de schilderkunst kunnen imiteren – zoals George Breitner, die Lizzy Ansingh portretteerde ‘op de wijze van Vermeer’? Julia Margaret Cameron is in die ontwikkeling een interessante schakel. Het Museum voor Schone Kunsten in Gent toont een ruim overzicht van haar werk, dat eerder in het Victoria Albert Museum in Londen te zien was.

Cameron (née Pattle, 1815) was al 48 toen ze in december 1863 een camera cadeau kreeg van haar dochter. Ze wierp zich met tomeloze energie op de lastige techniek. Nauwelijks het amateurisme ontstegen stelde ze vast dat het haar missie was ‘to ennoble Photography’ door ‘all possible devotion to Poetry and beauty’. Door haar echtgenoot had ze toegang tot de crème van de Britse culturele elite. Darwin, Carlyle, Browning noch Tennyson kon ‘nee’ zeggen tegen de excentrieke dame, volgens een van haar geportretteerden ‘(…) a terrifying elderly woman, short and squat, with (…) more than her share of their passionate energy and wilfulness. Dressed in dark clothes, stained with chemicals from her photography (and smelling of them too), with a plump, eager face and piercing eyes and a voice husky, and a little harsh, yet in some way compelling, and even charming…’

De tentoonstelling toont vele tientallen portretten van kinderen en vrouwen uitgedost als historische of literaire figuren; haar kamermeisje is te zien als Maria, haar oude echtgenoot als Merlijn, en tientallen kinderen uit de buurt zijn opgevoerd als cupido’s of de slapende baby Jezus. Veel van de geportretteerden kijken intens devoot en gekweld in de lens, devoot omdat de scène dat vereiste, gekweld omdat de belichtingstijden lang waren, en niemand een glimlach vijf minuten vasthoudt, zeker kinderen niet.

Binnen achttien maanden na haar aarzelende begin verkocht Cameron tachtig afdrukken aan het nieuwe Victoria Albert Museum. Ze nam een agent, Colnaghi, en richtte een eigen studio in. Tot aan haar dood in 1879 vervaardigde ze zo’n negenhonderd foto’s.

Maar was het kunst, c.q. Hoge Kunst? Het is zeker Victoriaans: dweperig en donker, zuchtend en steunend als Tennysons heldinnen (‘I am aweary, aweary,/ I would that I were dead!’, ‘Mariana’). De foto’s waren nogal eens onscherp, ze zaten vol krassen en blaren, barsten in de plaat bleven zichtbaar. Collega-fotografen benaderden haar – als dame – met respect, maar veroordeelden haar amateurisme: ‘All that is good in photography has been neglected and the shortcomings of the art are prominently exhibited.’ Het merkwaardige is dat kunstenaars uit andere disciplines die tekortkomingen juist waardeerden. In het bewust tonen van de ‘onvolkomenheden’ van de techniek gaf Cameron ruimte aan ‘spirituele’ waarden, een kwaliteit die het technische oversteeg.

Julia Margaret Cameron, Museum voor Schone Kunsten, Gent, t/m 14 juni, mskgent.be


Beeld: Julia Margaret Cameron, Florence Fisher_, 1872. Albuminedruk van een nat collodiumnegatief, 610 x 510 x 40 mm. Museum voor Schone Kunsten Gent_