Nobele leugens

Ook ik was er ingetrapt, in de internet-hoax rond de Nobelprijs voor de literatuur vorige week.

Een uur lang verkeerde ik in de veronderstelling dat die gewonnen was door de Servische schrijver Dobrica Cosic, zoals www.nobelprizeforliterature.org meldde. Het bleek een fopadres (dat inmiddels onvindbaar is, red.). Dobrica Cosic kende ik evenmin als Tomas Tranströmer, de echte winnaar, die hem kreeg voor zijn ‘doorschijnende beelden’ waar hij ‘nieuwe toegang tot de werkelijkheid’ mee biedt.

Toe maar. Naast doorschijnende jurkjes, slipjes, zonnepanelen en tafelbladen zijn er dus ook doorschijnende beelden. Niet te verwarren natuurlijk met ‘doorzichtige beeldspraak’. Dat die beelden vervolgens ook nog een nieuwe toegang naar de werkelijkheid bieden, is ook wonderlijk. Nieuwe toegangen komen er doorgaans naar een A-zoveel of naar een metrohalte. Het zal wel druk worden in die werkelijkheid, de komende tijd, nu jan en alleman daar zomaar via die doorschijnende beelden binnen kan komen.

Doe mij liever die Servische nepnobel. We hadden kunnen vermoeden dat het een grap was. De grappenmakers hadden een citaat van Cosic op de site geplaatst: ‘We liegen om onszelf te bedriegen, om anderen te troosten.’ Hier breekt iemand een lans om de toegangsdeur naar de werkelijkheid juist op slot te draaien. Het citaat gaat verder: ‘We liegen uit barmhartigheid, om niet bang te zijn, om onszelf moed in te spreken, om onze eigen miezerigheid en die van anderen te verbergen.’ Natuurlijk bestaan er nobele redenen om te liegen. Je kunt bijvoorbeeld een verrassing voor iemand in petto hebben, die je verzwijgt om de impact - surprise, surprise - te versterken. Dat heeft wel iets weg van de leugen om bestwil, maar die van Cosic gaat verder. Troost, barmhartigheid.

Je zou een beknopte typologie van de leugenaar kunnen maken, die parallel loopt met die van de misdadiger. Zo heb je allereerst het type van de dief, die zijn misdaad pleegt om er zelf profijt van te hebben. De liegende evenknie: de fraudeur. Vervolgens is er de schelm, die er domweg plezier in heeft om de morele codes en wetten te schofferen, puur voor de lol, dus zonder de vermeende onrechtvaardigheid van die regels aan de kaak te stellen en een verandering af te willen dwingen, zoals een derde type, de rebel, wel doet. Rebellen die leugens als munitie gebruiken noem je: pamflettisten. De schelm-variant hiervan: romanschrijvers. Of beter gezegd: hun personages.

Don Quichot, Tijl Uilenspiegel, Jan Cremer, Raoul Duke (uit Fear and Loathing in Las Vegas): over al deze mafkezen kun je zeggen: ze liegen om zichzelf te bedriegen en om ons te troosten. Jazeker: troost. Als Don Quichot windmolens voor vijanden aanziet, bedriegt hij zichzelf en confronteert hij ons met de tekorten die we herkennen en waarvan we ons plotseling realiseren dat we niet de enige armzalige bezitters zijn.

Het is een hardnekkig misverstand dat optimisme en positief denken ons kunnen troosten. Al die peptalks en positief-denkboeken, die hele yes, you can-industrieën lijken niet in te zien dat ze ons alleen maar dieper in de put praten, door er onophoudelijk op te hameren dat je zelf verantwoordelijk bent voor je misère, en het uitblijven van daverend succes puur aan je eigen stompzinnigheid of nalatigheid is te danken.

De schelmen vertellen ons precies het omgekeerde. Neem een andere schelm, Michel Houellebecq. ‘De aftakeling zou vanaf nu steeds sneller gaan. Ze was twee jaar ouder dan hij; hij besefte ineens dat hij de volgende maand veertig zou worden. Ze bevonden zich ongeveer op de helft van hun leven; het was snel gegaan.’

En: ‘Voor zover hij had kunnen constateren, was het bestaan van de mens georganiseerd rond werk, dat het grootste deel van het leven in beslag nam en plaatsvond in organisaties van wisselende omvang. Na afloop van de werkjaren begon er een kortere periode, die werd gekenmerkt door de ontwikkeling van diverse ziekteverschijnselen.’ (Uit: De kaart en het gebied).

Tegenover de verheerlijking van onhaalbare idealen zoals die in onze cultuur alomtegenwoordig zijn, plaatst Houellebecq een voor iedereen nogal eenvoudig te bereiken realiteit, die van het verval. Zulk pessimisme leven geeft een plezierig soort opluchting. Het troostende eraan is dat het ons individuele lijden in een algemener perspectief van menselijk leed plaatst. Of je daarmee de ‘eigen miezerigheid’ verbergt, zoals onze fake nobel beweert, ligt wat ingewikkelder. Het schelmen-pessimisme wijst juist op die miezerigheid, en door die openlijke erkenning van die collectieve miezerigheid voelen we ons juist minder miezerig.

Een dag later lees ik dat de hoax het werk is van Serviërs die er een politiek doel mee hebben. Wat googlewerk leert al gauw dat die Dobrica Cosic bepaald geen onschuldige schelm is, en moeiteloos in de zwaardere categorieën past. Maar dat interesseert me al niet meer. Voor mij zal hij de auteur blijven van één zin, die net niet goed genoeg voor de Nobelprijs was: ‘We liegen om onszelf te bedriegen, om anderen te troosten.’