Nobele stenen

Ulrich Rückriem maakt grote beelden van steen die hij in segmenten verdeelt en dan weer in elkaar zet. Hij maakt ondoorgrondelijke volumes leesbaar en inzichtelijk.

HET IS EEN middeleeuws verhaal bijna: net als de beeldhouwers van de luisterrijke portalen van gotische kathedralen is ook Ulrich Rückriem, eind jaren vijftig, gewoon in de leer gegaan bij een steenhouwer. Geschoold in dat handwerk kwam hij toen als gezel te werken bij de Bauhütte van de Dom in Keulen - die sinds omstreeks 1250 met de bouw was begonnen, als voornamelijk werkplaats voor onderhoud, die nog steeds bestaat. Die handwerkelijke ervaring, het bewerken van steen, is de basis gebleven voor wat Rückriem in de loop van de jaren zestig als kunstenaar is beginnen te maken. In het Amsterdamse Bos staan twee latere beelden van hem. Bij wat de heuvel genoemd wordt staat, op een smal grasveld tussen twee paden, Scheibe. Verderop vinden we Stèle - tussen bomen aan de rand van de grote speelweide. Beide beelden zijn van graniet maar verschillend van kleur. Scheibe is lichtgrijs en in zonlicht bijna wit. Het is een enkel blok steen van 570 x 224 x 81 centimeter dat eerst, horizontaal, in vijf gelijke delen is verdeeld, elk dus 114 cm. Daarna zijn, van boven gerekend, het tweede en vierde segment nog eens gedeeld in twee gelijke delen van elk 57 cm. Als maatvoering heeft de kunstenaar dus een tiende van de totale lengte (hoogte) genomen. De blokken zijn gespleten door aan een zijde (laten we zeggen de voorzijde) op de gewenste lijn van splijting dicht op elkaar een aantal diepe gaten te boren. Daarna hoef je met een puntige beitel hier en daar maar een tik te geven om de steen te laten knappen.
Na deze operatie zijn de verschillende delen, ter plekke in het bos, weer in de juiste volgorde op elkaar gezet. Aan de achterkant en aan de zijkanten kun je aan de fijne scheidslijn tussen de blokken zien dat de splijting niet helemaal glad verlopen is. Die lijn is licht kartelig: dat is het effect van wat je de energie in het binnenste van het graniet zou kunnen noemen. In het andere beeld, Stèle, is de maatvoering van de operatie dezelfde. Het totale blok meet 600 x 120 x 120 centimeter. Bij een deling, als bij Scheibe, in eerst vijf delen, zijn de niet verder gedeelde segmenten dus kubussen (120 x 120 x 120). Alternerend daarmee zien we dan segmenten van 60 centimeter hoog. In de aarde neergelaten zijn ongeveer 100 centimeter. Het staat dus vijf meter boven het maaiveld in het gras.
Het ritme van de deling is elegant bijna, als de strofen van een sonnet. Voor het oog is Stèle vergeleken met zijn broer Scheibe een veel slanker beeld. Zijn kleur is echter zwaarder. Die is warm grijsbruin. Omdat het niet als Scheibe in een open ruimte staat maar tussen bomen zit het licht vol schaduwen - vaak ook, als het waait, zijn de schaduwen die erop vallen (van het gebladerte of, in de winter, de takken) nogal grillig en onrustig. Door de hardhandige manier waarop het blok graniet ooit is uitgehakt, is de oppervlakte van Stèle, meer dan die van Scheibe, ietwat bonkig en korstig. Daardoor heeft het, hoewel slank, meer plastiek. Scheibe, niet onder bomen maar in het volle licht, heeft een strakke contour en is gewichtig als een bastion.
Rückriem groeide op als kunstenaar in de jaren zestig toen in de minimal art de geometrische abstractie een strenge en tegelijk fantasierijke vorm had bereikt - in het werk van bijvoorbeeld Donald Judd en Sol LeWitt. Die echter construeerden hun sculpturen met industriële materialen: aluminium, plaatstaal, multiplex. Die objecten zijn hol en hun werking, als vorm, gaat vooral via contour en gestalte. Ze zijn getekend en ontworpen. Rückriem, van oorsprong steenhouwer, had een heel andere verhouding tot hoekige volumes. In zijn ervaring waren volumes van steen, recht uit de aarde afkomstig, massief en zwaar en als je ze tot expressieve vorm wilde bevorderen moest je ze bewerken - in stukken zagen of met beitels splijten. Die bewerkingen zijn per steensoort anders omdat de structuur van graniet of basalt anders is dan arduin of leisteen. Met zijn kennis van zaken, en in de artistieke omgeving van minimal art, begon Rückriem beelden te maken waarin hij, met zijn ambacht, eerst blokken van steen in segmenten verdeelt en dan weer in elkaar zet. Zo wordt een letterlijk zwaar en ondoorgrondelijk volume leesbaar gemaakt en inzichtelijk.
Je ziet een procedure, helder en raadselachtig tegelijk - omdat natuursteen nu eenmaal zo geheimzinnig is. Zulke stenen werden in veel culturen aanbeden, in Stonehenge vormden ze een heiligdom voor de zon. Omdat je ze toch wil begrijpen, die beelden in het Amsterdamse Bos, ga je kijken naar de meetkunde van hun vormgeving. Maar eigenlijk is dat niet nodig. Want hun sierlijke statigheid en hun nobele vorm en gewicht, afgetekend tussen en tegen het groen van gras en bomen, is onweersprekelijk.

PS In zekere zin is de steen zelf het poëtische onderwerp van een beeld. Dat kunnen we aflezen aan de onderschriften in het mooie boek Ulrich Rückriem: Arbeiten (herausgegeben von Heinrich Ehrhardt, Oktogon 1994). Daar staat gewoon: Finnischer Granit plus jaartal, of Anröchter Dolomit, Aachener Blaustein, Granit Bleu