Nobelprijs voor de onvrede

‘Ach, het is tenminste niet de Nobelprijs voor economie’, klonk het eind vorige week spottend op internet. Zojuist was bekendgemaakt dat de Nobelprijs voor de vrede dit jaar naar de Europese Unie gaat. Het verantwoordelijke comité roemde haar meer dan zestig jaar lange inspanningen voor ‘vrede en verzoening, democratie en mensenrechten in Europa’.

Medium groene commentaar nobelprijs

De Unie, inclusief haar voorlopers, bracht de aartsvijanden Duitsland en Frankrijk tot elkaar, moedigde het einde aan van de dictaturen in Griekenland, Spanje en Portugal en bevordert de democratie in Oost-Europa. Zij heeft, kortom, bijgedragen aan de gedaantewisseling van ‘een continent van oorlog in een continent van vrede’.

Daar heeft het Noorse Nobelcomité gelijk in. Maar het is niet het hele verhaal. De lofprijzingen kwamen in dezelfde week dat de Duitse bondskanselier Merkel een omstreden bezoek bracht aan het epicentrum van de Europese schuldencrisis. In Athene werd ze niet onthaald als vredestichter, maar als de leider van een bezettingsmacht. Vele duizenden politieagenten moesten haar beschermen, de lucht was dik van het traangas en er vlogen molotovcocktails.

Vredestichter of economische dwingeland: die twee gezichten hebben het Europese project vanaf het prille begin gekenmerkt. Natuurlijk speelde idealisme een grote rol. De eenwording kwam voort uit de wens van ‘nooit meer oorlog’. Maar Europa had net zo goed een materialistisch programma, getekend door keiharde financiële en economische belangen. Dat hoeft niet te botsen. Lange tijd vulden de twee elkaar zelfs aan. Door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal raakten de Duitse en Franse economieën nauw met elkaar verweven. Een beter medicijn tegen oorlogsdrift is amper denkbaar. Nog tot een paar jaar geleden bood de Europese welvaart een lonkend alternatief aan de bevolking van autoritaire staten als Turkije.

Maar aan die hoopvolle ontwikkeling lijkt een einde gekomen. Europa als economisch project gaat niet langer hand in hand met verzoening. De sociale vrede is verbroken. Schuld daaraan is de race to the bottom. De eenwording is ontaard in een fatale concurrentiestrijd tussen lidstaten: wie biedt het bedrijfsleven de gunstigste belastingtarieven, de laagste lonen, de meest flexibele arbeidsvoorwaarden?

De schuldencrisis heeft dat proces in een stroomversnelling gebracht. Aan Zuid-Europa de eer om als laboratorium te dienen voor deze doldrieste laissez faire-politiek. Met name Griekenland is een experiment in hoe drastisch de levensstandaard in een ontwikkeld land verlaagd kan worden, hoe snel je sociale verworvenheden kunt terugdraaien en tot op welke hoogte Brussel en Berlijn nationale democratieën buitenspel kunnen zetten.
De gevolgen van de Europese crisispolitiek zijn desastreus. De helft van de Spaanse jongeren is werkloos, in Griekenland stijgen na zes jaar economische krimp de zelfmoordcijfers, ouderen raken aan de bedelstaf en ziekenhuizen kunnen uit geldgebrek amper nog functioneren. Ondertussen groeit de aanhang van extreem-rechts, worden buitenlanders op straat aangevallen en zijn rellen aan de orde van de dag.

Ook dat is Europa anno 2012. Toegegeven, zelfs in de huidige crisistijd lijkt een militair conflict tussen lidstaten onderling ondenkbaar. Die ontwikkeling is en blijft van onschatbare waarde. Maar ‘verzoening, democratie en mensenrechten’? Dat is niet het eerste waar je aan denkt bij de hoog oplopende spanningen tussen rijk en arm, Noord- en Zuid-Europa, links en rechts. Europa was inderdaad getransformeerd van een continent van oorlog in een continent van vrede. Maar inmiddels heeft het meer weg van een continent van onvrede. Dat verdient geen Nobelprijs.