Nobelprijs voor Peter Handke: waar naïviteit omslaat in kwade trouw

Raymond van den Boogaard blogt op ongezette tijden over de boeken die hij zoal leest. Deze week: Peter Handke, de kersverse en uiterst omstreden winnaar van de Nobelprijs.

‘Was darf die Satire?’ – vroeg Kurt Tucholsky in 1926. Het voor de hand liggende antwoord: alles. Hetzelfde, zou je zeggen, moet dus gelden voor de literatuur. Maar helaas: het rumoer omtrent de toekenning van de Nobelprijs voor literatuur aan Peter Handke lijkt voorlopig niet te verstommen.

Al in de jaren negentig van de vorige eeuw had Handke’s opstelling in de Joegoslavische burgeroorlog(en) voor grote beroering gezorgd. De schrijver nam het op voor Servië, de Serviërs en zelfs voor de Servische president Slobodan Milošević. Op diens begrafenis in het Servische Pozarevac op 18 maart 2006 hield Handke een toespraak, die hem in het Duitse taalgebied dat het zijne is, bijzonder kwalijk werd genomen, zozeer dat de stad Düsseldorf hem spoedig daarna de aangekondigde Heine-prijs afnam. Vooral in Duitsland, maar ook wel in andere landen, gold en geldt Milosevic als eerstverantwoordelijke voor de bloedige conflicten waarmee de desintegratie van de federale republiek Joegoslavië tussen 1991 en 1999 gepaard ging.

‘De Bob Dylan onder de genocide-apologeten’, noemde de Bosnisch-Amerikaanse schrijver Aleksandar Hemon de Oostenrijkse auteur, daags na de bekendmaking van de Nobelprijs. Aardig gevonden natuurlijk, mede in het licht van de kritiek op de Nobelprijs 2017 voor de Amerikaanse singer-songwriter. De Bosnisch-Duitse auteur Saša Stanišić wees er in Frankfurt, waar hem de Duitse Boekprijs ten deel viel, fijntjes op dat hij er niet meer was geweest, wanneer Handke’s vrienden in de Joegoslavische oorlogen hun zin hadden gekregen.

Toen ook nog bekend werd dat Handke in 1999 zijn toenmalige vriendin had geslagen – zelf gewaagt hij van een schop – leken de contouren van het debat wel zo’n beetje duidelijk. Contra: hier krijgt iemand de Nobelprijs die oorlog en genocide vergoelijkt. Pro: gelukkig laat de jury van de Nobelprijs zich niets gelegen liggen aan de ‘politieke correctheid’ die de literatuur en andere kunsten de knevel wil aanleggen. Het proces wordt gevoerd in talloze krantenstukken en tweets, en de emoties lopen hoog op.

Dat laatste is evenzeer het geval bij de nogal driftig aangelegde Handke. Overvallen door een cameraploeg die een reactie op de uitlatingen van Stanišić vroeg, beet de schrijver de journalist toe: ‘Ich bin ein Schriftsteller, komme von Tolstoi, ich komme von Homer, ich komme von Cervantes, lasst mich in Frieden und stellt mir nicht solche Fragen. (…) Ich bin nicht hier für diesen Scheiß, um auf diesen Scheißdreck zu antworten. Und jetzt verschwinden Sie sofort, bitte!’ Misschien mede omdat de vergelijking met Tolstoj, Homeros en Cervantes aanleiding heeft gegeven tot nogal wat hoon, schijnt Handke te hebben besloten voorlopig geen vragen van de pers meer te beantwoorden. Het wachten is dus op zijn dankrede bij de uitreiking van de Nobelprijs.

Over Handke’s litteraire kwaliteiten kan geen misverstand bestaan. Vertellingen als Der kurze Brief zum langen Abschied of Wunschloses Unglück – beide al uit de jaren zeventig – hebben mij destijds zeer voor hem ingenomen. Ik wil me hier geenszins opwerpen als Handke-kenner – dat zou moeilijk zijn met een oeuvre dat alleen al meer dan honderd proza-werken omvat – maar zijn latere werk, voor zover ik het gelezen heb, boeit me minder. In Handke’s proza gebeurt weinig tot niets. De schrijver wandelt veel, beschouwt de natuur, mijmert over de omgeving en de wereld – dat alles in welhaast tastend, aarzelend proza. Het is zijn schuld niet, dat ik daar te weinig geduld voor heb. Zijn plaats op de Olympus der letteren lijkt me echter niet onverdiend.

De verdedigers van Handke nu, betogen meestal dat er een scheiding moet bestaan tussen Handke’s litteraire arbeid en zijn politieke keuzes – waaraan hij overigens ook met niet-litteraire middelen uitdrukking heeft gegeven, bijvoorbeeld door die toespraak aan het graf van Milošević, het bezoeken van Servische dorpen in Kosovo en zelfs Srebrenica. Voor zijn steun aan de Servische zaak bestaat weinig waardering in de wereld. De schrijver wijt dat aan een onzichtbare samenzwering tegen de Servische zaak, niet in de laatste plaats in de media – het gebruikelijke, en meestal onterechte gezeur over de niet-bestaande categorie van ‘de media’ dat sinds de jaren negentig steeds meer aanhangers lijkt te vinden.

Maar je moet dat alles van zijn litteraire kwaliteiten loskoppelen, menen de verdedigers. Louis-Ferdinand Céline was behalve een groot romanschrijver immers ook de auteur van antisemitische pamfletten. Ezra Pound heulde met het fascisme en Knut Hamsun met de nazi’s. Wat te denken van Ernst Jünger, met zijn verheerlijking van het militair bedrijf in de Eerste Wereldoorlog en zijn rol in het bezette Frankrijk? Er zijn talrijke voorbeelden van grote dichters en denkers – denk ook eens aan de figuur van Martin Heidegger, waarmee Handke wel enige geestelijke verwantschap vertoont – wier faam wellicht wordt ontsierd, maar niet teniet wordt gedaan door de onappetijtelijke politieke keuzes die zij op zeker moment in hun leven gemaakt hebben.

Grote literatuur stijgt uit boven de politieke biografie, is de basisredenering van onder anderen Jürgen Kaube, de cultuur-chef van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, en de schrijver Eugen Ruge. Van daar is het nog maar een kleine stap naar grote verontwaardiging over het ‘heksenproces’ dat Handke wordt aangedaan door twitteraars die de werken van de auteur niet of nauwelijks gelezen hebben en de auteur toch medeverantwoordelijk houden voor de vele wandaden die uit naam van de Servische natie in de jaren negentig begaan zijn. ‘Lees hem gewoon eens’, roept Ruge de tegenpartij toe.

Academisch bezien lijkt de gedachte literatuur van politiek te scheiden geheel juist. Maar als instrument om ons in staat te stellen een schrijver onverdeeld te bewonderen en met prijzen te overladen, lijkt het me toch niet helemaal toereikend. Niet voor niets ontstond in Frankrijk eerder dit jaar groot rumoer toen uitgeverij Gallimard van plan leek Céline’s antisemitische uitval Bagatelles pour un massacre opnieuw uit te geven. En in het geval van Heidegger heeft Peter Trawny, de bezorger van Heideggers Zwarte cahiers – tot voor kort onbekende schriftjes waarin het wemelt van de jodenhaat – terecht de vraag opgeworpen of het onmiskenbare, rauwe antisemitisme van Heidegger niet een grotere rol speelt in diens cultuurfilosofische opvattingen dan zijn talrijke bewonderaars eerder hadden aangenomen.

De stelling dat de politieke opvattingen van een schrijver geheel los moeten worden beoordeeld van diens literaire kwaliteiten lijkt dus enigszins overtrokken, vooral wanneer het om een publiek eerbetoon gaat, zoals bij de Nobelprijs, en de politieke opvattingen ook in het werk tot uitdrukking komen.

We kunnen er dus nauwelijks omheen ook Handke’s politieke opvattingen te beoordelen. Ik ben daartoe temeer geneigd daar Handke’s opvattingen deels de mijne waren en zijn. (Ik was van 1991 tot 1994 verslaggever in ex-Joegoslavië.) Net als hij vind ik dat het beter was geweest als de veelvolkerenstaat Joegoslavië was blijven bestaan, in plaats van al die Mickey Mouse-landjes van twijfelachtig democratisch gehalte van nu. Ook ik vind dat in de beeldvorming de Servische kant van de zaak te eenzijdig is voorgesteld als de bron van alle kwaad – zowel bij de politieke genese van de oorlogen als in verband met de begane wreedheden. Bijna iedereen loog in de ex-Joegoslavische oorlogen, voelde zich potentieel slachtoffer en werd ook slachtoffer, daarbij in veel gevallen erop hopend in het buitenland sympathie op te wekken voor de eigen zaak. Beulen en oorlogsmisdadigers waren te vinden onder alle oorlogspartijen – zij het niet altijd in gelijke aantallen – en intriganten en propagandisten van twijfelachtig allooi eveneens.

Het proces tegen Milošević in Den Haag, dat Handke deels heeft bijgewoond en dat werd afgebroken door het voortijdig overlijden van de verdachte, was op zijn minst onbevredigend: het ging voor een groot deel over politieke intenties, en concreet bewijs voor directe betrokkenheid van de verdachte bij oorlogsmisdaden was er nauwelijks. Toch deed en doet het feit dat Handke juist hem als een soort onbegrepen held voorstelt, nogal bizar aan.

Want over Slobodan Milošević is weinig goeds te vertellen; hij was een geslepen bureaucraat die met harde hand zijn oude communistische machtspositie probeerde om te zetten in nationalistisch leiderschap, en daarbij zonder schroom over lijken ging – zowel die van zijn politieke tegenstanders in Servië zelf als in de tijdens de oorlogen betwiste territoria. Dat hij in oktober 2000 door een brede volksopstand werd afgezet, hield geen of weinig verband met zijn opstelling bij de desintegratie van Joegoslavië – veeleer werd zijn in toenemende mate dictatoriale, corrupte bewind steeds meer als ondragelijk ervaren. Dat Servië, behalve oorlogspartij, ook nog een ‘gewoon’ land was, met voor een deel democratisch gezinde, niet-extreem-nationalistische bewoners, is een dimensie die in Handke’s dromerige vereenzelviging met de nationale zaak geheel verloren lijkt te zijn gegaan.

Maar goed, een litteraire auteur is misschien niet gehouden tot politieke analyse, al was er misschien iets vóór geweest als Handke ook had rondgekeken in het meer liberale deel van de Servische samenleving. Een schrijver als Handke moet het hebben van zijn gevoel en intuïtie, en om die kwaliteiten te appreciëren is het nodig hem te lezen. Het was derhalve een prima idee van de Süddeutsche Zeitung om de twee lange reisreportages waarmee Handke zich in januari 1996 voor het eerst mengde in het debat over Joegoslavië op internet beschikbaar te stellen.

Gerechtigkeit für Serbien. Eine winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina heet deze tekst, die later ook als boekje is verschenen. Het is een verslag van een reis naar Servië die Handke in oktober 1995 ondernam, samen met twee in het buitenland wonende Servische vrienden. Ofschoon zoon van een Sloveense moeder, wier ongelukkige bestaan hij in Wunschloses Unglück zo mooi heeft beschreven, kent Handke de Joegoslavische deelrepubliek Servië maar nauwelijks, schrijft hij. De auteur heeft zich echter in 1995 al jaren geërgerd aan de slechte pers die al het Servische had in West-Europa. Genoten had hij daarentegen van Emir Kusturica’s film Underground (net als schrijver dezes trouwens) en gestoord had hij zich aan Alain Finkielkraut en andere West-Europese intellectuelen die de film als verdekte Servische oorlogspropaganda hadden veroordeeld.

Kortom: Handke acht het moment gekomen om zich persoonlijk op de hoogte te gaan stellen van de toestand in het land waar, zoals hij smalend opmerkt, de zogenaamde ‘agressoren’ vandaan komen. Het is duidelijk dat Handke dit zelf als een stoutmoedige onderneming ziet. De moeite wordt alleszins beloond: Servië blijkt een normaal functionerend land, een beetje exotisch af en toe, maar bevolkt door aardige, gastvrije mensen bij wie een goed glas er op zijn tijd wel ingaat.

Handke bezoekt een aantal steden – Zemun, Smederevo en mijn persoonlijke favoriet, Valjevo (waarover een andere keer meer) – en het prettige beeld is overal eender: de mensen zijn aardig, de gesprekken interessant, goedmoedige vaderlandsliefde overheerst, naast bezorgdheid over de oorlog en onbegrip voor de weinig begripvolle wijze waarop de rest van de wereld de Servische zaak tegemoet treedt.

Op grond van mijn eigen reiservaringen in die jaren denk ik dat Handke de sfeer in Servië op dat moment aardig weergeeft. De gedachte dat in Servië iedereen met een mes tussen de tanden rondliep, was volstrekt onjuist. Op een bepaalde manier was de oorlog iets wat je in Servië op de televisie volgde – de feitelijke oorlogshandelingen waren geografisch en mentaal vér weg. Dat zou feitelijk pas veranderen met de Navo-bombardementen in 2000, ten tijde van de Kosovo-crisis, op Belgrado en andere steden, die dan ook enorme indruk hebben gemaakt.

Wat in het reisverslag wel opvalt is de eenzijdigheid van de door Handke opgedane indrukken. Zijn verblijf lijkt een warm bad van nationale trots, opgeluisterd met vriendelijke popes van schattige kerkjes met veel historisch bewustzijn en een ontmoeting met Milorad Pavić – een fantastische schrijver maar niet bepaald een kritische intellectueel. Ontmoetingen met kritische stemmen, in de redactie van het weekblad Vreme bijvoorbeeld, zijn er niet bij, net zo min als enige belangstelling voor de studenten in Belgrado die jarenlang actie hebben gevoerd tegen het regime.

Ook begeeft Handke zich niet naar Kosovo zodat de schrijver niet kan zien hoe Milošević daar, na de liquidatie van het autonoom bestuur in deze provincie, een afzichtelijke militaire bezetting heeft georganiseerd. In de heuvels rondom de hoofdstad Pristina staan, goed zichtbaar vanuit het dal, tanks opgesteld met de loop op het stadscentrum gericht.

In de tweede helft van Winterliche Reise bekruipt de lezer nog even de hoop dat Handke wat meer authentieke, en dus noodzakelijkerwijze problematische indrukken zal opdoen, wanneer de schrijver zich richting de Servisch-Bosnische grens begeeft en terechtkomt in het grensstadje Bajina Basta, aan de Servische kant van de grensrivier de Drina. Dat is niet ver van Srebrenica, waar eerder in 1995 Bosnisch-Servische troepen vele duizenden mensen hebben vermoord. De weg die van de brug bij Bajina Basta naar Srebrenica voert, is tot op heden een aanschouwelijke demonstratie van hoe vreselijk een burgeroorlog kan zijn: in de Servische dorpen langs de weg hebben de moslim-buren de orthodoxe kerkjes opgeblazen, en de Servische dorpelingen hebben hetzelfde gedaan met de moskeetjes van hun moslim-streekgenoten.

Handke ziet zulke dingen echter niet. Hij blijft aan de Servische kant van de Drina, waar de oorlog, net als in Belgrado, iets is wat zich buiten het persoonlijke gezichtsveld afspeelt. Zelfs het feit dat zich, eveneens in 1995, meer naar het noorden de grootste ethnische zuivering uit het hele Joegoslavische conflict heeft afgespeeld, de verdrijving van de Servische bevolking uit de zogeheten Krajina door Kroatische eenheden, lijkt in Bajina Basta geen onderwerp van gesprek.

Weliswaar begeeft Handke zich op een dag met een vriend op de plaatselijke brug over de Drina, maar als de grenswacht aan de Bosnische kant zegt dat niemand erdoor mag, laten ze het erbij. Uitvoerig beschrijft Handke in de lyrische stijl die hem eigen is dat zijn verblijf aan de Drina langer duurt dan voorzien, omdat het duchtig is gaan sneeuwen en de weg naar de bergen, terug Servië in, enkele dagen onbegaanbaar is.

Peter Handke had natuurlijk het volste recht zijn selectieve waarnemingen om te werken tot een litteraire tekst en deze te publiceren. Een dichter is niet gehouden tot steekhoudende politieke analyse, ‘factfinding’ of objectiviteit – naïef zijn is zijn volste recht. Maar dat werd in het vervolg van de Winterreise misschien toch een beetje anders, omdat Handke zich in de volgende jaren, met nieuwe reisverslagen – nu ook uit Servisch-Bosnië – in lezingen en andere fora heeft ontwikkeld tot een ijverig pleitbezorger van de Servische zaak, zonder zijn essayistische invalshoek uit 1995 nog noemenswaardig bij te stellen.

Daarbij rijst wel degelijk de vraag op welk moment de naïviteit van de schrijver omslaat in kwade trouw. En daarmee de vraag of kwade trouw gelauwerd moet worden. Ik ben trouwens razend benieuwd naar de toespraak waarmee Peter Handke straks de versierselen uit handen van de Zweedse koning in ontvangst zal nemen. En verder vind ik dat Servië zo snel mogelijk als lid tot de Europese Unie moet worden toegelaten.


Beknopte bibliografie

Handke’s Winterreise is door de Süddeutsche Zeiting, waar de teksten in januari 1996 voor het eerst verschenen, opnieuw op de site van de krant gezet. Deel 1 & Deel 2.

De website ‘Handke online’ van de Nationale Bibliotheek van Oostenrijk bevat een schat van materialen over Handke, waaronder zijn rede aan het graf van Milošević, die gedeeltelijk in het servokroatisch was.

De tekst van de rede van Saša Stanišić, waarin hij zegt dat zijn vreugde om het ontvangen van de Deutsche Buchpreis voor de helft wordt weggenomen door de bekendmaking van Handke’s Nobelprijs, staat hier.

Saša Stanišić komt uit de Bosnische stad Visegrád, waar vanaf 1992 op grote schaal wreedheden tegen de burgerbevolking hebben plaatsgevonden, die uitgingen van een militie onder leiding van de Servische gangster Milan Lukić. Die is daarvoor door het Tribunaal in Den Haag tot levenslang veroordeeld. Het geval wil dat Handke in Sommerliche Nachtrag uit 1997, een soort supplement op de Winterreise, een goed woordje gedaan heeft voor deze Lukić. Die zou namelijk vaak op blote voeten door de stad zijn gelopen en iemand op blote voeten, suggereert Handke, kan zulke wandaden als Lukić worden aangewreven nauwelijks hebben gepleegd. De schrijver Eugen Ruge bracht in een pro-Handke-stuk in de FAZ (zie hieronder) deze zaak ter sprake, stellende dat een schrijver het recht heeft te twijfelen. Stanišić reageerde op Twitter, en betoogt dat Handke bewust de ogen sluit voor algemeen bekende en goed-gedocumenteerde feiten.

De belangwekkende stukken in de Frankfurter Allgemeine Zeitung bevinden zich achter een paywall. Hier de verdediging van cultuur-chef Jürgen Kaube. En de verdediging van Handke door collega-auteur Eugen Ruge.

Voor de correspondent van de FAZ in Zuid-Oost-Europa, Michael Martens, is de verlening van de Nobelprijs aan Handke wel degelijk een schandaal en een klap in het gezicht van de oorlogsslachtoffers, omdat Handke moordpartijen als die in Srebrenica afdoet als onbeduidende voorvallen (‘Petitessen’). Martens heeft ook een interview in een obscuur tijdschrift, Ketzerbriefe, gevonden waarin Handke twijfel aan de waarheid over de slachtpartij bij Srebrenica naar voren brengt, onder andere stellende dat de slachtoffers mannen waren ‘die terug naar mama’ wilden.

De schrijver heeft zich van dit interview inmiddels gedistantieerd, met de volgende verklaring: ‘Ich habe das Gespräch nicht gegengelesen und auch nicht autorisiert. Es entspricht nicht dem von mir Gemeinten. Ich kann mir auch nicht vorstellen, diese Sätze in dieser Form so gesagt zu haben. Für mich gilt das, was ich schriftlich festhalte. Dem habe ich nichts und dem wollte ich nichts hinzufügen. 2006 habe ich geschrieben: “Es handelt sich bei Srebrenica um das schlimmste Verbrechen gegen die Menschlichkeit, das in Europa nach dem Krieg begangen wurde. Ich möchte hinzufügen: selbstverständlich ist durch den Genozid unendliches Leid entstanden, welches ich nie bestritten habe. Ein Leid, das durch nichts auszulöschen ist. Ich bedaure meine Äußerungen, sollten sie etwas anderes vermittelt haben.’ (Bron: Perlentaucher)

Het genoemde artikel over Handke als de ‘Bob Dylan onder de genocide-ontkenners’ uit de New York Times staat hier. Het werd gevolgd door een meer verdedigende column van Bret Stephens, die laakt dat het steeds meer de gewoonte wordt om literaire auteurs gelijk te stellen met hun politieke opstelling.

Verreweg de leukste reactie op Handke’s Nobelprijs kwam naar mijn mening van de Sloveense filosoof Slavoj Žižek, in de Spectator. Naar zijn mening lijdt Handke aan wat de Oostenrijkse filosoof Robert Pfaller ‘interpassiviteit’ heeft genoemd: de neiging om van anderen de authenticiteit en de ethiek te verlangen waartoe men zich zelf niet bij machte voelt. Handke, met zijn Sloveense moeder, heeft de Sloveense onafhankelijkheid van 1991 en het EU-lidmaatschap van Slovenië ervaren als verraad en capitulatie voor ordinaire kapitalistische belangen. Slovenië was deel van Joegoslavië en dus werd Handke een fan van Milošević, die in naam Joegoslavië wilde voortzetten. Žižek legt ook een verband tussen de schijnbaar apolitieke burcht van dichterschap waarin Handke zich verschuilt, en de genocidaire werkelijkheid erachter.

Wie wil zien hoe Peter Handke reageerde toen de Oostenrijkse televisie hem vroeg naar een reactie op de toespraak van Stanišić, kan hier terecht.