Ger Groot

Noblesse

Had hij langer geleefd, dan was Elias Canetti deze zomer honderd jaar oud geworden. Hij miste dat jubileum met elf jaar en liet een onvoltooid oeuvre achter, waarin de drie delen van zijn memoires gevolgd hadden moeten worden door een vierde. De brokstukken ervan, terugblikkend op Canetti’s decennialange verblijf in Engeland, waar hij een toevlucht had gezocht voor oorlog en antisemitisme, lagen al klaar.

Erg gelukkig kunnen die bijna veertig jaar van Canetti’s leven niet geweest zijn. Wrevel is de overheersende stemming die opwalmt uit deze fragmenten, waaruit na zijn dood het zojuist vertaalde boek Party tijdens de blitz werd samengesteld (Arbeiders pers). Ook al bewondert Canetti het Engelse flegma tijdens de Duitse bombardementen, de onconventionaliteit die vooral de hogere kringen zich mogen veroorloven en de geleerdheid van menige gesprekspartner, zijn ergernis wint het daarvan steeds weer op punten en af en toe met een donderende knock-out.

Wrevel koestert hij over de Engelse arrogantie, die het land tot een bakermat van «hoogmoedkunstenaars» maakt – waarvoor merkwaardig genoeg de Amerikaan T.S. Eliot model staat. Wrevelig is hij ook over het Engelse time management, dat zo scherp contrasteert met zijn eigen Midden-Europese spilzucht die voor een goed gesprek de tijd onbekommerd stromen laat. Met afgrijzen vertelt hij over een geleerde politicus die zelfs bij amoureuze ontmoetingen zijn horloge op tafel legde en zei: «Ik heb vijf minuten de tijd.»

In Canetti’s haat-liefdeverhouding met Engeland bereikt de haat, paradoxaal genoeg, zijn meest intense hoogtepunten wanneer het gaat over zijn liefdes, waarvan hij er vele gehad moet hebben. Van zijn vertaalster Veronica Wedgewood, die onvermoeibaar trachtte Het martyrium in Engeland uitgegeven te krijgen, heeft hij «geen hoge dunk, ze was niet origineel en had nergens eigen ideeën over». De beeldschone dichteres Kathleen Raine «viel op als vrouw aan mijn zijde» en «toch heb ik haar nooit gemogen».

De schrijfster Iris Murdoch, wellicht Canetti’s bekendste minnares, wordt door hem geportretteerd een «Oxford-ragout», wier boeken «heel slecht geschreven zijn, slordig, zoals colleges die niet goed genoeg zijn doorgekeken». Ze is «de gepassioneerde leerlinge (…) verliefd op talloze mannen, maar het waren bijzondere mannen», zo beschrijft hij deze Connie Palmen avant la lettre: «Al die mannen heeft ze in zich opgenomen, het zijn haar gedaanteverwisselingen.»

Verbijsterd vraag je je af hoe Canetti zich ooit aangetrokken kan hebben gevoeld tot deze «totaal-parasiet uit Oxford», onflatteus in haar kleding en haar sandalen «die haar grote platvoeten nog eens extra accentueerden». Of beter: hoe hij zich ertoe kon brengen zijn voormalige geliefde zo genadeloos tot de grond toe af te branden. Méér dan van de scherpe blik van de schrijver lijkt hier sprake van een rancuneuze hang tot ontluistering, zoals die vooral bij vechtscheidingen zijn kans schoon ziet.

Heeft Canetti het verlies van «zijn» vrouwen nooit kunnen verkroppen? Of koesterde hij een geheime haat jegens hen, die in Het martyrium al ruim baan krijgt. In dat boek vol minne personages blijft een minimum aan waardigheid slechts voorbehouden aan de geleerde Peter Kien, die met zijn wereldvreemde specialisme en boekenwijsheid de voorafschaduwing van Canetti’s bewonderde gesprekspartners in Engeland lijkt te zijn. Van vrouwen hebben ook zij weinig begrepen – en vermoedelijk wilden ze dat ook niet.

Lezend in Party tijdens de blitz zou je Canetti ouderwets willen toeroepen dat men zó niet over dames spreekt, dat zelfs een autobiograaf jegens voormalige minnaressen de plicht heeft tot een zekere noblesse. Maar die aanmaning zou even vergeefs als paradoxaal geweest zijn tegenover een man wiens oeuvre juist de teloorgegane zielenadel van het oude Europa wilde belichamen. Geen ironie of laffe schrijvers pretentie kan wegnemen dat uit dit boek de geur opstijgt van de laaghartigheid van het gemeen – die in de cultuur van Mitteleuropa misschien al dieper wortelde dan zij zelf verkoos te denken.