Noch paard, noch tuinman

De Georgische schrijver Boris Akoenin had volgens zijn moeder beter vertaler kunnen blijven. En dat vermoedt hij, een van de best gelezen schrijvers van Rusland, zelf eigenlijk ook.

Medium bakunin lost

Mijn moeder wilde dat ik dokter werd. En zo niet dokter, dan literair vertaler. Ze zei altijd dat er in ons land maar twee ‘deugdzame’ beroepen waren, in de eerste plaats geneeskunde, in de tweede literair vertalen. Toen ze zag dat ik hopeloos slecht was in schei- en natuurkunde en dat ik weinig belangstelling toonde voor biologie, begon ze me in de richting van de tweede optie te duwen. Ze was lerares, ze wist hoe ze mensen moest manipuleren.

Eén voorbeeld van haar intriges. We hadden thuis een heel hoge boekenplank waarop de boeken voor volwassenen stonden. Daar mocht ik pas aankomen als ik oud genoeg was om ze te begrijpen. Als ik alleen was las ik ze natuurlijk allemaal, tot de laatste bladzij. Ik was waarschijnlijk het jongste levende wezen ter wereld dat de twee delen van Anna Karenina en de vier delen van Oorlog en vrede las. Veel begreep ik er niet van, maar het lezen van moeilijke boeken werd een levenslange gewoonte.

Om mijn belangstelling te wekken voor het lezen van boeken in het Engels nam mijn moeder me mee naar de Bibliotheek voor Buitenlandse Literatuur in Moskou, die kort daarvoor was heropend na een renovatie. Het gebouw was gloednieuw, een en al glas en staal. In het socialistische Moskou van 1969 leek het een wonder van moderniteit, een tempel van licht. Zelfs het verplichte standbeeld van Lenin was niet zoals dat op school, drie meter hoog en verguld, maar klein, een beetje kubistisch, heel chic. En er waren geen kinderen, aangezien niemand onder de zestien lid kon worden.

Ik had onmiddellijk het idee dat ik tot die wereld wilde behoren. Zelfs de rij gedroeg zich anders dan andere sovjetrijen: iedereen was zo beleefd, zo geduldig, en ze praatten allemaal zo zacht. Dat zijn allemaal vertalers, dacht ik. Ik meende ook te begrijpen waarom vertalen een beroep was dat qua steriele aankleding alleen onderdeed voor geneeskunde. Ik stond erop dat moeder een lidmaatschap voor me aanvroeg op haar naam, waarna ik een boek mocht lenen. Omdat ik niet wist was ik moest nemen koos ik het dikste deel dat stond uitgestald en beloofde mezelf dat ik dat van a tot z zou lezen, wat er ook gebeurde. Ik had tenslotte toch ook Oorlog en vrede gelezen?

Helaas bleek het boek The Grapes of Wrath te zijn van John Steinbeck. In het begin moest ik van elke bladzij minstens vijftig onbekende woorden noteren. Ik worstelde me erdoorheen, ik moest mijn woord houden, maar ik heb sindsdien nooit meer een boek van Steinbeck aangeraakt. Een pubertrauma.

Het tweede Engelse boek, Scaramouch van Raphael Sabatini, was een opluchting, een feest. Ik begon het meteen te vertalen voor een vriend die de pech had Duits te moeten leren op school. Na een paar bladzijden vond ik het makkelijker om het verhaal in mijn eigen woorden te vertellen, en ik maakte het al doende mooier dan het was – een voorbode van wat er uiteindelijk van me terecht zou komen. Maar op mijn dertiende wilde ik geen schrijver zijn, ik wilde vertalen.

Wat mijn moeder werkelijk bedoelde toen ze literair vertalen ‘een deugdzaam beroep’ noemde en waarom het minder ‘deugdzaam’ was dan geneeskunde werd me pas later duidelijk, toen ik volwassen werd en me leerde bekwamen in de kunst van het zich aanpassen aan de echte wereld. Hier moet ik even uitweiden over de nogal specifieke positie van schrijvers en filologen in de Sovjet-Unie.

Adolf Hitler was een mislukte schilder. Jozef Stalin was een mislukte dichter. Stalin moet zijn dictatorschap als een soort episch gedicht hebben gezien, waarvan de schoonheid bewonderd moest worden. En die werd bewonderd, oprecht of geveinsd, vrijwillig of anderszins. Kritiek op dat grandioze staaltje van dichtkunst werd in elk geval niet geduld.

Het was jammer voor de Russische literatuur dat Stalin literatuur hoog in het vaandel had. Dat kwam er voor hem op neer dat literatuur politiek belangrijk was. De dictator groeide op in een tijd dat Dostojevski, Tolstoj en Tsjechov toonaangevende figuren waren in Rusland, die niet alleen de Russische literatuur beïnvloedden maar de hele maatschappij. Stalin keek onmiskenbaar neer op dit drietal vanwege hun nutteloosheid en zelfs hun onschuld. Hij had zijn eigen socialistische Tolstojs nodig. En door zijn berekenende praktische inslag, zijn eindeloze minachting voor de menselijke natuur, was hij er zeker van dat hij dit doel zou kunnen bereiken.

In de chaotische en onbeheersbare wereld van de literaire schepping moest orde op zaken worden gesteld. Stalin ‘regisseerde en organiseerde het proces’, zoals het toen werd genoemd. Hij stopte de nachtegaal in een vergulde kooi door in 1934 de Schrijversbond op te richten, die sovjetschrijvers in ruil voor volledige loyaliteit een geprivilegieerde positie verschafte, zowel financieel als qua status. Schrijvers die niet in een kooi wensten te worden opgesloten of zich misdroegen werden weggezuiverd of kregen een publicatieverbod. Maar de meerderheid vond het niet erg om zich aan de regels te houden. Aan het eind van het sovjettijdperk telde de Schrijversbond zo’n tienduizend geregistreerde leden. Kandidaten moesten jarenlang collaboreren om lid te kunnen worden.

Toen ik student was, in de jaren zeventig, was schrijven een begeerlijk beroep, maar het had tegelijkertijd iets beschamends. In Moskou en Leningrad was een groot aantal informele literaire clubs en groepen waarvan de leden er juist prat op gingen dat ze niet gepubliceerd wilden worden. Die mensen vroegen bij elke nieuwe naam: ‘Is ze dichteres of een gepublicéérde dichteres? Is hij schríjver of lid van de Schrijversbond?’ Daarom wilde mijn moeder niet dat ik schrijver werd. Voor haar en haar kringen was dat beslist geen ‘deugdzaam’ beroep. Maar literair vertalen wel.

Stalins regie over de schrijverswereld was afschuwelijk voor de Russische literatuur, die al snel al haar voormalige grandeur verloor, maar ze bleek een zegen voor het literair vertalen. Wanneer getalenteerde of zelfs geniale auteurs hun werk niet mochten publiceren of bang waren om te schrijven zoals ze wilden, namen ze hun toevlucht tot vertalen. Boris Pasternak schreef stiekem aan zijn Dokter Zjivago terwijl hij zich in leven hield met vertalingen van Shakespeare, Keats of Schiller; Anna Achmatova, die haar eigen gedichten niet mocht publiceren, verdiende de kost met het vertalen van Chinese en Koreaanse klassieken; Michail Zosjenko moest Fins proza vertalen en dat deed hij briljant. Dat is wat bijna alle Russische kanonnen deden, andermans werk vertalen. Het gevolg was dat de school van sovjetvertalers een ongelooflijk hoog niveau bereikte. Ze had haar eigen sterren, zelfs cultfiguren. Ook al was hij lid van de verachte Schrijversbond, een literair vertaler was welkom in elke ondergrondse literaire club, zelfs de meest snobistische.

En toch was het nog steeds minder deugdzaam dan geneeskunde. Ook hierin had mijn moeder gelijk. De roos van het literair vertalen was niet zonder doornen. Je kon niet zomaar elke auteur vertalen die je wilde en je vertaling dan aan een uitgever aanbieden, geen sprake van. Er was een ongepubliceerde maar in brede kring bekende lijst van verboden en half verboden schrijvers, en tot die laatste categorie behoorde bijvoorbeeld de eerder genoemde Steinbeck. Ik geloof dat van al zijn romans alleen The Grapes of Wrath, met zijn beschrijving van de ontberingen van de crisis, werd goedgekeurd voor publicatie.

En het was altijd veiliger een schrijver te vertalen die al dood was. Met levende schrijvers wist je nooit waar je aan toe was. Een ‘progressieve schrijver en een groot vriend van de Sovjet-Unie’ (dat was een soort eretitel) kon zomaar iets stoms zeggen over Tsjechoslowakije, de dissidenten of, God verhoede, Solzjenitsin, en nooit meer in het Russisch gepubliceerd worden.

Er kon van alles gebeuren. Er was een Japanse auteur, Abe Kobo, die als ontegenzeglijk ‘progressief’ te boek stond omdat hij, geloof ik, lid was van de communistische partij van Japan. Zijn proza was in de jaren zestig en zeventig erg populair in de Sovjet-Unie. Vertalingen van Abe maakten de vertaler, mijn hoogleraar op de universiteit, zelf een beroemdheid. Toen viel Abe uit de gratie bij de Japanse communisten, ze gaven hem aan bij Moskou en Abe werd onmiddellijk een persona non grata voor sovjetuitgevers – beroepsmatig een tragedie voor zijn vertaler.

Een andere doorn was de censuur. En dan bedoel ik niet de politieke censuur, want alle twijfelachtige auteurs en titels waren al uitgesloten voordat er van vertaling sprake was. Nee, het was een merkwaardig soort censuur dat ‘moreel-ethische redactie’ werd genoemd. Er mochten geen seksueel expliciete beschrijvingen voorkomen in een gepubliceerde tekst. Een redacteur schrapte alle ‘immorele’ scènes, en als dat niet mogelijk was zonder de logica van de plot geweld aan te doen, drong de redacteur er bij de vertaler op aan ‘de scherpe kantjes eraf te halen’, zoals dat werd genoemd.

Toen ik in de jaren tachtig voor het tijdschrift Inostrannaja Literatoera (‘Buitenlandse literatuur’) begon te werken, waren al die beperkingen nog van kracht, zodat ik als redacteur volop de kans kreeg om te zien hoe het werkte. Eigenlijk was het heel Victoriaans. Sommige dingen werden niet genoemd, sommige woorden bestonden niet. Ik herinner me dat onze corrector zonder enige aarzeling het woord ‘orgasme’ door ‘organisme’ verving. Mevrouw dacht dat het een drukfout was. (O ja, dat herinnert me aan de beroemdste drukfout in de geschiedenis van het blad. Een typograaf, waarschijnlijk met een kater of niet geheel nuchter, maakte van ‘Markies de Sade’ ‘Marxisme de Sade’.)

Dus toen ik jong was, kon literair vertalen niet een op en top deugdzaam beroep worden genoemd. Het op één na deugdzaamste kwam meer in de buurt.

Ik wilde vertalen en leven van het vertalen, maar niet op die manier, niet door mijn auteurs te kiezen uit de ‘progressieve vrienden van de ussr’ en er naderhand ‘de scherpe kantjes vanaf te halen’. Dus vond ik een compromis. Na mijn afstuderen werd ik vertaler en begon ik de kost te verdienen met de uitoefening van dit beroep, maar ik hield werk en plezier gescheiden. Voor het geld vertaalde ik technische documenten: wetenschappelijke artikelen, patenten, licenties. Het betaalde goed en het was even deugdzaam als geneeskunde. En voor mijn eigen plezier vertaalde ik fictie, boeken die indruk op me maakten en een uitdaging waren voor mijn vertaalvaardigheid. Ik probeerde er niet eens een uitgever voor te vinden, dat zou onbegonnen werk zijn geweest en misschien zelfs riskant.

Als lezerspubliek had ik mijn vrienden. Zij waren ongepubliceerde schrijvers en dichters, ik was een ongepubliceerde vertaler, en dat was volkomen normaal in die tijd. Daarnaast had ik mijn vrouw. Haar echtelijke plicht was het mijn vertalingen te lezen en over te typen en natuurlijk te zeggen wat een geweldige vertaler ik was. Dus mijn lezerspubliek was klein maar betrouwbaar. Ik moet zeggen dat het de meest onbewolkte periode van mijn hele carrière als vertaler was. Zuivere kunst, niet bezoedeld door hebzucht.

Alleen voor jezelf vertalen heeft heel wat voordelen. Geen deadlines, je gaat zo snel als je wilt en je werkt alleen als je er zin in hebt. In latere jaren leerde ik snel vertalen, soms heel erg snel. Het voelde alsof ik een fles goede wijn achteroversloeg en daarbij een deel van de kostbare vloeistof vermorste, omdat een uitgever me ongeduldig op de schouder tikte.

In de gezegende tijden van Samizdat kon het je niet schelen of je vertaling verkocht of niet, de oplage werd bepaald door het aantal kopieën dat je schrijfmachine kon produceren. De mijne produceerde er vier. En als ik zat te vertalen was dat vrijetijdsbesteding, geen werk. Ik genoot van elke minuut en van elke fase.

Zoals u weet, zijn er diverse metaforen voor literair vertalen. De meest gebruikte vergelijkt vertalen met het overplanten van een buitenlandse boom of bloem in de plaatselijke grond terwijl je hem zo min mogelijk beschadigt. Aleksandr Poesjkin zei (nogal neerbuigend, als u het mij vraagt) dat vertalers de postpaarden van de Verlichting waren.

Wanneer ik aan een vertaling werkte voelde ik me noch een paard, noch een tuinman. Voor mij was het meer als het restaureren van een kunstwerk dat was bedekt met een lelijke en irritante laag vreemde taal zodat Russen het niet konden bewonderen. Dit kunstwerk was een mozaïek. Het was mijn taak elk minuscuul steentje schoon te maken. Ze waren teer, heel erg breekbaar, zodat ik voorzichtig moest zijn met mijn borstel. Voorzichtig maar niet timide. Als je te behoedzaam te werk ging kon je elk afzonderlijk stukje van het mozaïek restaureren, maar de magie ervan bederven. Ik wist dat een vertaling die mathematisch correct was maar de persoonlijkheid van de vertaler ontbeerde dodelijk zou zijn voor de magie.

Met een taal die zo ver van mijn eigen taal af stond als het Japans was het vertalen van proza als poëzie vertalen. Vrijheid en inspiratie waren de sleutelwoorden. Grammatica was een valkuil, een vijand. Ik ken veel vertalingen uit het Japans waarin alle nadruk op het laatste deel van een zin komt te liggen, omdat in die taal het eind van een zin allesbepalend is. De Russische zin is flexibel en los, en wanneer je de nadruk op het eind legt gaat het pompeus en zwaarwichtig klinken. Ironie en humor worden op andere manieren uitgedrukt. Subtiliteit en grofheid functioneren niet hetzelfde. Zinspelingen en metaforen behoren tot een ander cultureel universum. Een vertaler uit het Japans moet heel vindingrijk zijn, en soms zelfs brutaal.

Ik vond mijn favoriete auteur bijna onmiddellijk. Hij bezat twee onweerstaanbare eigenschappen. Om te beginnen was hij volstrekt taboe in de ussr. In de tweede plaats was hij onmogelijk moeilijk te vertalen.

Ik heb het over Yukio Mishima, beroemd om zijn stijl en berucht om zijn ideologie die hem er uiteindelijk toe dreef harakiri te plegen. In de Sovjet-Unie ging Mishima door voor een schoolvoorbeeld van decadentie, morele verwerpelijkheid en politieke ondermijning, een gereïncarneerde duivel. Wij, toekomstige japanologen, kregen zijn boeken niet te lezen, maar ik herinnerde me van mijn literatuurcolleges op de universiteit de titels van Mishima’s giftige boeken. Het leken allemaal ‘lofzangen’ op iets afschuwelijks. De roman Bekentenissen van een gemaskerde was een lofzang op de perversiteit, de roman Kinkaku-ji was een lofzang op de vernietiging, de novelle Dood voor het vaderland was een lofzang op de zelfmoord en het toneelstuk Mijn vriend Hitler was natuurlijk een lofzang op het fascisme. Het klonk allemaal zo intrigerend dat ik al een fan van Mishima werd voordat ik zijn boeken ook echt had gelezen. In de loop van de tijd vertaalde ik alle genoemde titels en nog een heleboel meer. Mishima leerde me heel wat dingen op mijn vakgebied. Ik zal er maar eentje noemen, het belangrijkste van allemaal.

Toen ik Kinkaku-ji (Het gouden paviljoen) vertaalde, had ik de Engelse vertaling erbij, heel nauwgezet en geautoriseerd door Mishima zelf. Alles was onberispelijk correct, en toch ontbrak er iets aan. Mishima, moet u weten, is geen scherpzinnige auteur, zijn ideeën over leven en maatschappij zijn meestal niet interessant. Evenmin is hij een bijzonder begaafd bedenker van plots. Bij Mishima zijn de nuances belangrijker dan de denkbeelden die hij verkondigt; schaduw betekent zoveel meer dan licht. Maar zijn manier van vertellen is zo elegant, zijn stijl zo indrukwekkend, dat de banaliteiten en opschepperijen er ruimschoots door worden goed­gemaakt. Het wemelt van de oppervlakkigheden in Mishima’s werk, maar die versterken vreemd genoeg alleen maar de indruk van oprechtheid en schoonheid. Het wordt een melodie die ik altijd kan horen als ik Mishima lees.

In de Engelse vertaling was deze melodie verstomd. Het meest teleurstellend waren de natuurbeschrijvingen. Mishima is beroemd om zijn ‘landschappen’. Iedereen weet dat het beschrijven van luchten, weilanden en bergen het allermoeilijkste is in moderne fictie. Het lijkt meestal zo onnodig, zo pretentieus, zo saai. Ik sla die stukjes altijd over als ik lees. En als ik schrijf, hanteer ik de gouden regel: hoe korter hoe beter. ‘Het regende’, ‘de lucht was bewolkt’, en daarmee uit. Maar zo niet bij Mishima. Bij hem kun je echt zien wat hij beschrijft, en het landschap is altijd een belangrijk onderdeel van zijn vertelling. Ze vervelen je nooit. Hoe krijgt hij dat voor elkaar? vroeg ik me af. En hoe kan ik dit effect in mijn vertaling reproduceren?

Ik weet nog dat ik een fragment uit Kinkaku-ji probeerde te vertalen waarin een zeegezicht wordt beschreven. Ik deed het verscheidene keren, elke keer anders, en nog steeds was ik niet tevreden. (Er was geen deadline, weet u nog?) Toen begreep ik dat het geheim in de geluiden school. De passage moest hardop worden gelezen. Het was als een mantra, de combinatie van geluiden en woorden, en de kunst was deze combinatie te vatten, niet de betekenis. En toen ik de passage opnieuw vertaalde en haar ook in het Russisch als een mantra liet klinken, beviel het resultaat me.

Toen ontdekte ik dat elke afzonderlijke zin in de boeken van Mishima een mantra is. Een zin wordt een mantra wanneer elk woord op zijn juiste plaats staat en niet door een ander woord kan worden vervangen. Elke lettergreep is onderdeel van een mozaïek en kan niet worden verschoven. Het is als een gedicht, alleen is er in proza meer zuurstof, meer lucht. Om een goede vertaling van Mishima te maken moest ik van binnen een Russische Mishima worden. Wat natuurlijk gemakkelijker gezegd is dan gedaan.

Weet u hoe Mishima het schrijfproces beschreef? Het voelt, zei hij, alsof je de planeet hebt gezadeld en door het heelal vliegt terwijl sterren voorbij suizen en langs je wangen schrapen. Welnu, dat is het beeld dat ik me probeerde voor te stellen elke keer als ik me aan het vertalen van Kinkaku-ji zette. Soms lukte het.

Na een tijdje ontdekte ik een heel nuttige truc. Aangezien elk goed boek een verborgen melodie heeft, moet je het nauwkeurigst mogelijke equivalent zien te vinden. Ik probeerde een melodie te vinden – het kon van alles zijn, van klassieke muziek tot een popsong – die me op dezelfde geluidsgolf zou zetten als de tekst. Voordat ik een hoofdstuk vertaalde luisterde ik enkele minuten naar deze muziek, en daarna verliep het vertaalproces meestal bijna zoals Mishima beschreef.

Ik gebruik deze methode nu wanneer ik fictie schrijf, maar op een geraffineerdere manier. Ik heb een audiotheek van melodieën aangelegd die me in een bepaalde stemming brengen. Elke episode in een boek heeft zijn eigen ritme, zijn eigen kleur, zijn eigen gevoelsnuance. Dus daar stem ik mezelf op af. Ik heb melodieën voor alle emotionele schakeringen: ‘vage angst’, ‘onverschrokkenheid’, ‘onbeantwoorde liefde’, ‘totale zorgeloosheid’, ‘glimlachen door de tranen heen’, noem maar op. Elke keer als ik een melodie hoor die me op een bepaalde manier raakt, noteer ik die en neem haar op voor later gebruik. Dat bederft het plezier van naar muziek luisteren, maar wat hij ook doet, een schrijver is nu eenmaal altijd gespitst op kleinigheidjes die van nut kunnen zijn voor een tekst. Het is net als in De meeuw van Tsjechov, wanneer de schrijver Trigorin zegt: ‘Zie ik een wolk die op een kameel lijkt, dan denk ik: dat moet ik in een verhaal gebruiken…’

Ik heb vaak heimwee naar de tijd dat ik vertaler was en nog niet als een roofdier naar wolken hoefde te kijken. Je kunt geen deeltijdschrijver zijn. Zelfs als je slaapt ben je een schrijver. Toen ik vertaler was, voelde ik me veel vrijer.

Dit gevoel van vrijheid bereikte zijn hoogtepunt tijdens de jaren van de perestrojka toen alle ideologische taboes werden afgeschaft. Ik kon alle vertalingen publiceren die ik alleen maar voor mijn eigen plezier had gemaakt.

Ik was dertig toen het eerste door mij vertaalde boek verscheen. Ik wist dat het een grote dag voor mijn moeder zou zijn, dus ik had haar niets verteld – ik wilde haar het boek pas laten zien als het gedrukt was. We gingen bij haar op bezoek, mijn vrouw en ik. Moeder keek naar het boek, keek daarna niet naar mij maar naar mijn vrouw en zei iets vreselijk tactloos: ‘Je mag je handen dichtknijpen met zo’n man, vind je niet, meisje?’ Ik weet niet wat haar bezielde, ze was altijd een erg beleefde schoonmoeder geweest. Ik heb nadien nooit meer iets gepresteerd wat zoveel indruk op haar maakte.

Ik ben twintig jaar vertaler geweest. In Ru­sland was dat als lid zijn van de geestelijkheid of een kerkelijke orde. Filologen vormden een soort gemeenschap met ongeschreven regels. Sommige dingen werden gewoonweg niet getolereerd. Een criticus, een vertaler, een literatuuronderzoeker kon experimenteren met het schrijven van poëzie of fictie, maar het moest serieus zijn, dat wil zeggen geraffineerd, duister en van een respectabele saaiheid. De meeste literaire prijzen in Rusland gaan naar dit soort geschriften.

Er wordt me vaak gevraagd waarom ik een pseudoniem koos toen ik fictie begon te schrijven. Het antwoord is simpel. Lafheid. Ik werkte voor een literair blad dat in hoog aanzien stond, ik was een gerenommeerd vertaler. Als men geweten had dat ik, godbetert, misdaadromans schreef, dan had dat een gevoelig gezichts­verlies betekend. Daarom hield ik zo lang mogelijk geheim dat ikzelf Boris Akoenin was, het nieuwe fenomeen van de ‘massaliteratuur’. Soms moest ik me laten welgevallen dat collega’s in mijn aanwezigheid over die smerige profiteur discussieerden.

Vanaf het moment dat de waarheid uitlekte ben ik door een deel van die gemeenschap behandeld als een uit het ambt gezette priester. En dit is geen specifiek Russisch verschijnsel. Ik heb een aantal vrienden en kennissen in de Japanse ‘Boendan’, zoals de literaire wereld daar wordt genoemd. Japanners zijn veel beleefder dan Russen, als ze nuchter zijn. Ik had geen flauw idee dat ook mijn Japanse vrienden geschokt waren door mijn transformatie, totdat een van hen, een hoogleraar en beroemd Dostojevski-vertaler, me bij een lege sake-fles ‘een verrader van Joenboengakoe’ noemde. ‘Joenboengakoe’ betekent ‘deugdzame literatuur’ in het Japans, als tegenstelling van ‘taishoeboengakoe’, massa­literatuur. Dus het ging opnieuw over deugdzaamheid.

Ik zal proberen uit te leggen waarom ik een verrader van Joenboengakoe ben geworden, waarom ik mijn deugdzame beroep heb verruild voor een ondeugdzaam beroep. Er waren enkele verzachtende omstandigheden. Toen ik de veertig naderde, voor niemand een gemakkelijke mijlpaal, besefte ik opeens dat ik de drang om te vertalen verloren had. Het was een sleur geworden, en dat was altijd mijn idee van een zinloos bestaan geweest – wanneer het leven een sleur wordt. Ik was op weg naar niets. Ik had het hoogtepunt van mijn vertaalvaardigheid bereikt. Ik zou nog veertig jaar door kunnen vertalen en altijd op hetzelfde niveau blijven hangen. Dat vond ik een beangstigend vooruitzicht.

Toen begon ik een nieuwe neiging bij mezelf te bespeuren. Ik ging me ergeren aan de auteur die ik vertaalde. Schiet eens op, die omtrekkende bewegingen duren veel te lang, kom eens ter zake, dacht ik dan. Of: die episode had je anders moeten inkleden. Dat was normaal noch redelijk. Het was verontrustend. Mijn favoriete Russische toneelschrijver Jevgeni Sjvarts heeft een stuk waarin de schaduw van de held in opstand komt tegen zijn meester omdat hij er schoon genoeg van heeft hem overal te volgen en al zijn idiote bewegingen getrouw te weerspiegelen. De schaduw in het stuk maakt zich los van de man en begint een eigen leven.

Iets dergelijks overkwam mij. Toen ik mijn eerste roman begon te schrijven (voor het kleinere spul als een kort verhaal of een novelle haalde ik mijn neus op) was ik erg zelfverzekerd. Mijn stemming was er een van: ‘Ik zal jullie allemaal eens wat laten zien’, en daarmee bedoelde ik geen lezers, maar andere auteurs. Toen ik klaar was, was ik geweldig blij met het resultaat, en stomverbaasd dat aanvankelijk niemand de roman wilde publiceren en dat daarna maar heel weinig mensen hem wilden kopen.

Ik was koppig, ik schreef maar door. En ik had geluk. Mijn koren begon te bloeien op het moment dat er een nieuwe klasse opkwam in Rusland, de middenklasse, en die wilde lekkere leesboeken, niet te licht, niet te zwaar. Mijn genre sloot daar naadloos op aan.

Inmiddels heb ik zo’n vijftig titels gepubliceerd en ben ik een groot deel van mijn aanvankelijke zelfvertrouwen kwijt. Om eerlijk te zijn, ik ben het helemaal kwijt. Ik vermoed (en krijg van onvriendelijke recensenten te horen) dat ik een betere vertaler was dan schrijver.

Aan de andere kant is het waarschijnlijk juist deze onvrede die me motiveert om door te gaan. Ik houd mezelf voor dat ik beter kan, dus van routine is geen sprake. Je moet gewoon hoger springen. Dan zul je op een dag misschien vliegen en sterren langs je wangen voelen schrapen.

Ik moet eraan toevoegen dat mijn moeder mijn metamorfose nooit heeft goedgekeurd. Ze heeft mijn romans gelezen met een potlood in de aanslag en me vragen gesteld over de plots, ze heeft naar filmbewerkingen gekeken en theater­premières bijgewoond, ze heeft zelfs mooie artikelen over Boris Akoenin verzameld, maar een fan is ze nooit geworden. Voor haar was het allemaal maar een gril van me, een kortstondig verzetje. Ze moest gewoon geduld hebben.

Tot haar laatste levensdagen vroeg ze af en toe: ‘Wat ben je nu aan het schrijven? Weer zo’n roman over Fandorin? Je moet jezelf eens wat rust gunnen en iets serieus schrijven.’ En dan besloot ze, met een sprankje hoop: ‘Of misschien zelfs iets vertálen?’

Vertaling Peter Bergsma

Dit is een bewerking van de Sebald Lecture die Boris Akoenin op 4 februari gaf in King’s Place in Londen. Boris Akoenin, pseudoniem van Grigori Sjalvovitsj Tsjchartisjvili, werd in 1956 geboren in Georgië en woont in Moskou. Als ­Tsjchartisjvili vertaalde hij onder andere Japanse literatuur in het Russisch. Zijn historische misdaadromans zijn in Nederlandse vertaling uitgekomen bij uitgeverij De Geus


Vertalersgeluktournee

Tijdens de Vertalersgeluktournee kunt u kennismaken met de literair vertalers van voor de Europese Literatuurprijs 2013 genomineerde romans. Zij vertellen over hun bijzondere werk – welke keuzes maken ze, wat maakt het vertalersvak zo mooi? – en gaan specifiek in op de vertaling van de genomineerde boeken. Beleef Suikertand, Terugkeer ongewenst, Mr Gwyn en andere bijzondere romans door de ogen van hun vertalers. De Vertalersgeluktournee trekt in april en mei langs boekhandels in Nederland en Vlaanderen.

Zie hier het precieze programma