MUZIEK Nachtluisteren

Nocturnes voor de walkman

Wie ‘s nachts wakker is, schiet in een alerte modus, waakzaam, beducht voor gevaar. Door een delicaat biochemisch evenwicht staat het brein zo gevoelig afgesteld dat het elk geluid onder het vergrootglas legt - het perfecte moment om muziek te luisteren.

DIT NAJAAR kondigde Sony aan te stoppen met de productie van de walkman en de cassettetapes. Dit overlijdensbericht verbaasde me nogal. Ik dacht dat die draagbare cassettespelers al lang op de schroothoop van de geschiedenis lagen, ergens in een archeologische afzettingslaag tussen de ponskaarten, de VHS-banden en de Kodak Gold fotorolletjes.

Aangezien de walkman (1979-2010) drie jaar later is geboren dan ikzelf ben ik getuige geweest van al zijn gedaanteverwisselingen. Ik heb de grote, sponsachtige oorwarmers zien veranderen in ranke Omega-vormige diademen, en daarna in losse oorpluggen. Ik heb een generatie tieners volwassen zien worden in persoonlijke geluidcocons, muzikale stemmingsregulatoren waar ze overal een beroep op konden doen, en op elk moment van de dag.

Of van de nacht, zoals ik zelf veel deed. Halverwege de jaren tachtig kwamen de eerste walkmanmodellen met auto-reverse-functie op de markt. Dit nieuwe orgaan - dat het apparaat in staat stelde onophoudelijk door te spelen, zonder dat de luisteraar het magneetbandje elke 45 minuten hoefde om te draaien - heeft een waanzinnig grote invloed gehad op mijn muzikale vorming.

In die tijd - laten we zeggen van m'n tiende tot m'n vijftiende - heb ik een verzameling cassettebandjes samengesteld die de halve nacht in een loop draaiden. Tot mijn persoonlijke nachtmuziek behoorde naast de Nocturnes van Chopin en Fauré, een aantal langzame middendelen uit de Beethoven-sonates, largo’s uit vioolsonates van Corelli en Vivaldi, de preludes van Debussy, de cellosuites van Bach, Schumanns Kinderszenen…

Ik liet de muziek mijn halfslaap begeleiden, fantaseerde er landschappen, beelden, kleuren en situaties bij, en werd meestal halverwege de nacht wakker, verstrikt in een snoer, of met de koptelefoon pijnlijk tegen mijn oor gedrukt.

Nog altijd lijkt de nacht me het meest geschikte tijdstip om muziek te luisteren. ’s Nachts is niet alleen het rumoer van het dagelijkse leven verstomd, ook de visuele wereld is naar de achtergrond teruggedrongen, waardoor het gehoor vanzelf is aangescherpt, zoals dat ook bij blinden het geval schijnt te zijn.

Daar komt nog een neurobiologisch verschijnsel bovenop: wie ’s nachts wakker is, schiet in een alerte modus, waakzaam, beducht voor gevaar. Door een of ander delicaat biochemisch evenwicht, dat voor onze evolutie ongetwijfeld van onschatbaar belang is geweest, staat het brein zo gevoelig afgesteld dat het elk geluid onder het vergrootglas legt, dat het elke verandering in geluidssterkte, toonsoort of tempo ervaart als een mentale aardverschuiving.

Laatst wilde mijn zoon (vijftien maanden) niet slapen, en heb ik hem uiteindelijk maar naar beneden genomen, waar we in het donker Bach luisterden. Om half drie ’s nachts vielen mij stemmen en thema’s op die me overdag altijd waren ontgaan.

De nacht is de geëigende tijd voor een intense muziekbeleving. Dat concerten altijd ’s avonds van kwart over acht tot tien plaatsvinden is een tegemoetkoming aan het praktische leven. Maurice Ravel keerde zijn dag- en nachtritme radicaal om, door overdag te slapen en ’s nachts te werken, maar hij is dan ook zijn hele leven ongetrouwd gebleven. Iets soortgelijks gold voor Niccolò Paganini, die ’s nachts op kerkhoven scheen rond te spoken om voor de doden te spelen - allemaal netjes in lijn met het imago van de romantisch-demonische kunstenaar.

Natuurlijk is de nacht het deel van het etmaal dat toebehoort aan kunstenaars, die de duisternis graag delen met prostituees, alcoholisten en bohemiens. Maar ook los van de romantische clichés is de innige verwevenheid van kunst en nacht te begrijpen.

’s Nachts verliezen voorwerpen hun functies en betekenissen. De potloden in het metalen pennenbakje, de lege bus Pringles, het verdwaalde plastic tasje van De Slegte - in deze nachtwereld zijn het nutteloze verstekelingen. Ze staren je aan, vestigen de aandacht op hun materiële existentie.

Buiten is het niet anders. Die rijen gelakte dierenharnassen op wielen, wat doen die naast de trottoirs? Het schermpje van de parkeerautomaat blijft zijn nutteloze instructies oplepelen aan parkeerders die niet zullen komen, terwijl de tijdsaanduiding plichtmatig verspringt naar 3:19.

Details die bij daglicht oplossen in het geweld van menselijke bedrijvigheid tekenen zich ineens haarscherp af. Waar zouden de letters TBS op een putdeksel voor staan? Nooit gezien dat hier een gedenksteen in een geveltrap zit gemetseld. Achter de donkere ramen flitst af en toe een lampje van een rookmelder of inbraakalarm.

Boven met spinrag beklede lantaarnpalen gaapt de hemel, veel ruimer en wijder dan overdag. De immense koepel lijkt een en al oog te zijn, een en al uitheemse bewaking, begeleid door maanlicht en het strooisel van sterren. De grens tussen hier en het lege universum is werkelijk niets anders dan een flinterdun schilletje lucht.

Zulke momenten, wanneer de disintegratie van de overdagwereld al een eindje op streek is en de kosmische dimensie zich ermee komt bemoeien, vormen het gouden uur voor de muziekliefhebber.

DIE KAN bijvoorbeeld Gaspard de la nuit van Ravel opzetten. Ik hoor het kringelen en het zachte kabbelen van de trillers, als water, waar nevel, blauwig beschenen, boven dampt. Wat overdag hooguit een auditief behang op de achtergrond kan zijn, is vannacht ineens een bezielde aanwezigheid. Nu de buitenwereld stil is - het vriest ook nog eens; straatstenen en autodaken zijn toegedekt met sneeuwdekens die zelfs de stilte kunnen dempen - lijkt de muziek niet alleen kristalhelder te spreken, ze slaat ook als het ware meteen naar binnen.

Het is vergelijkbaar met wat een raam ’s nachts doet als je binnen het licht aan knipt: het houdt op de gewillige etaleur van de buitenwereld te zijn en toont je eigen spiegelbeeld. Zo krijgt ook Ravels ijle virtuositeit iets inwendigs. Anders gezegd: de nacht faciliteert het wegvallen van vaste structuren en biedt openingen voor nieuwe verbanden, een nieuwe inwendige ordening.

Nu ik toch wakker ben, maak ik van de gelegenheid gebruik om te luisteren naar wat destijds al mijn meest geliefde nachtcompositie was: de Nocturne opus 62 nr. 2 in E-groot. Ik vind een uitvoering door Rafal Blechacz. Vanaf mijn werkkamer, op driehoog, kijk ik uit over de daken - bij Chopin-nocturnes moet je in de verte kijken - waar ik nu pas al die schoorsteenpijpjes opmerk, zwart afgetekend tegen de grijszwarte hemel. Het zijn er tientallen, elk met een eigen lengte en dikte. De enige tekens van menselijke aanwezigheid komen van een flat - vermoedelijk die kale woontoren boven de Albert Heijn aan de Laan van Meerdervoort - waar galerijlicht brandt, of fonkelt, met dank aan de damp uit die schoorsteenpijpen.

De muziek van Chopin is een langgerekte zucht over dit landschap. Ze lijkt iets te zeggen als: het is goed zo. Of eigenlijk zegt ze beter, indringender, helderder wat die woorden (‘het is goed zo’) proberen te beweren. De nocturne is tegelijkertijd preciezer en schimmiger dan taal, wat het zo lastig maakt erover te schrijven. Ik weet en ervaar welke gemoedstoestand de muziek wil overbrengen, welk type troost - want daar komt het zo ongeveer op neer, al is het woord te beperkt - Chopin articuleert.

Stemmingen en emoties laten zich in literatuur alleen indirect benaderen. Ze benoemen (heimwee, liefde, troost) is ze verjagen. Je hebt scherpomlijnde drama’s, dialogen en decors nodig om ze aanwezig te maken, onuitgesproken en des te sterker omdat het de lezer zelf is die zijn gevoelens op de situatie projecteert.

Muziek - en dat is voor schrijvers zo raadselachtig en jaloersmakend - volgt exact de omgekeerde richting: ze concretiseert stemmingen en emoties scherpomlijnd en laat juist de drama’s, dialogen en decors aan de verbeelding van de luisteraar over.

DAT IS PRECIES als in mijn auto-reverse-nachten. Laten we niet vergeten dat de mogelijkheid om muziek op te slaan en elektronisch te reproduceren een nog maar heel recente is. Als graaf Hermann Carl von Keyserlingk in 1742 niet kon slapen, moest hij klavecinist Johann Gottlieb Goldberg van z'n bed lichten om variaties van Bach voor hem te komen spelen. Als ik ’s nachts aan een artikel over nachtmuziek werk, hoef ik in mijn Spotify-zoekvenstertje maar een halve titel in te tikken en ik krijg de keuze uit tientallen topuitvoeringen van de gezochte stukken.

Luisteren is voor een 21ste-eeuwer in de meeste gevallen hérluisteren - zolang de overheid althans nog niet slaagt in haar streven om alle klassieke muziek uit te bannen. Bij een concert kennen we de meeste stukken al, waardoor we op een andere manier luisteren dan de tijdgenoten van de componist. Ons brein anticipeert voortdurend op wat er gaat komen. Iedereen kent het verschijnsel dat je aan het einde van een stuk van een veelgeluisterde cd de eerste maten van de volgende track al in gedachten hoort. Ook als je het stuk op de radio of in een concertzaal luistert, en die volgende track helemaal niet komt.

Zo gaat het ook met individuele stukken. De Beethoven-sonates van mijn privé-nachtconcerten op de walkman waren gespeeld door Vladimir Ashkenazy. Doordat het díe versie is die toevallig ’s nachts in mijn hersenen is geprogrammeerd, heb ik andere uitvoeringen altijd beoordeeld als afwijkingen op die oervorm. Pollini is wel héél onstuimig. Horowitz maakt er Horokitsch van. Had ik Pollini destijds op m'n cassettebandjes staan, dan zou ik de meeste Beethoven-uitvoerders later een tikje te tam hebben gevonden.

Vanzelfsprekend ben ik jaloers op het selecte groepje mensen dat Chopin voor het eerst heeft kunnen horen, als iets volslagen nieuws en onbekends. Maar misschien is ook dit door nachtluisteren te benaderen. ’s Nachts is het geheugen namelijk van slag en kun je, half slapend, luisteren zonder herinnering, in een langgerekt heden. Probeer ’s ochtends maar een droom vast te houden of terug te roepen: de beelden verkruimelen bijna letterlijk, het droomtheater lost op in flarden.

Als de auto’s starten en de straten weer gegijzeld zijn door wakers en werkers, verdampt de muziek onder het daglicht.