Nog altijd een vreemdeling

Er zijn mensen die menen dat emigranten uit vrije wil emigreren en ’t land van aankomst verkiezen boven dat van herkomst. Dergelijke personen hebben geen idee. Zelfs niet van zichzelf.

Medium par366850

Over het algemeen zijn zij immers degenen die denken dat Nederland zichzelf moet blijven, diezelfden ook die geloven in gemeenschap, natie en thuis. En juist zij zien niet, wat een ironie, dat voor migranten hetzelfde geldt en dat nog in versterkte mate ook. Die versterkte maat is simpel te verklaren: migranten hebben hun huis verlaten, juist daarom missen ze het zo – het begrip ellende is niet toevallig samengesteld uit de woordstammen ‘elders’ en ‘land’. Anders gezegd, voor 99 van de honderd migranten is Nederland, om het zo maar eens te zeggen, ‘niet leuk’. Ze zouden liever thuis zijn gebleven maar ja… de omstandigheden.

Een van de vele omstandigheden die mensen in het recente verleden richting elders dreef heeft van doen met het land dat nu al meer dan dertig jaar een islamitische republiek is: Iran. Miljoenen hebben dat land ondertussen verlaten – men schat dat tussen de vier en vijf miljoen Iraniërs ‘in ellende’ verblijven, in Nederland zijn het er bijna 35.000, van wie 27.000 uit de eerste generatie. Over enkelen van hen schreef Marja Vuijsje, bekend vooral van de joodse familiegeschiedenis Ons kamp, het boek Het rijbewijs van Nematollah. De titel verwijst naar de grootvader die zoals zovelen van zijn generatie in de jaren twintig het Iraanse platteland verliet, een rijbewijs haalde, chauffeur werd van politici en ook in zaken carrière maakte. Maar het verhaal gaat eigenlijk over zijn jongste zoon, Arash, en zijn dochter Maryam. Arash woont sinds lang in Nederland, Maryam werd hier geboren.

In haar nawoord zegt Vuijsje dat ze niet alleen over deze mensen en een haar onbekende wereld wilde schrijven maar ook ‘het universele verhaal over migratie’ wilde vertellen. Dat is nogal wat. Maar het is, zeker in deze tijden van alomtegenwoordige migratie, ook een mooie en belangrijke ambitie. Slaagt ze daarin?

Het antwoord is ontkennend, maar dat is geen verwijt. Het kan niet, nog niet. Want tegelijk met de formulering van haar ambitie stelt Vuijsje, terecht denk ik, dat ‘wonen’ en ‘thuis’ in het tijdperk van digitalisering een andere betekenis hebben gekregen. ‘De elektronische snelweg heeft het begrip diaspora een nieuwe dimensie gegeven, en de hedendaagse hang naar “culturele identiteit” roept bij veel kinderen van migranten specifieke vragen op.’ Welke? Het antwoord blijft uit. Wel vertelt Vuijsje dat Arash dagelijks vele uren in cyberspace doorbrengt. Daar leeft hij in een surrogaat van de wereld die ooit de zijne was. Naar aanleiding daarvan spreekt hij optimistisch van ‘modern burgerschap’. Dat is het niet. Het is troost, bij gebrek aan beter.

Cyberspace heeft meer voordelen. Ze maakt het eenvoudiger dan ooit een voorbije wereld te reconstrueren. In dit geval is dat de wereld van de man om wie het grootste deel van dit boek draait, vader/grootvader Nematollah. Arash, de zoon, heeft de man nauwelijks gekend. Hij was nog een baby toen de man stierf. Maryam heeft hem vanzelfsprekend helemaal niet gekend.

Aras houdt van Nederland. Toch wel. Maar het land verandert. Keert in zichzelf, zegt hij

De wereld van Nematollah was het Iran dat met de komst van de ayatollahs verdween. Het was een moderne wereld, vol westerse waarden, vrij voor degenen die het regime van de sjah steunden, onvrij voor allen die anders dachten. Nematollah voelde zich er prima. Hij reed met z’n Mercedes, verdiende bij als vrachtwagenchauffeur en handelaar in onderdelen, genoot van vrouwelijk schoon, eten, vrienden. Een patriarch in patriarchische tijden.

Arash was een nakomertje, geboren begin jaren zestig, en wenste zoals zovelen van zijn generatie andere tijden. Daarom zette hij zich actief in voor de strijd tegen de sjah en bejubelde de komst van Khomeini. Wat een vergissing!

Dertig jaar geleden deed hij wat honderdduizenden mensen op dit moment doen. Met een plastic tasje, een schoon T-shirt, wat papieren en geld liep hij door de bergen van Koerdistan richting het westen. Na omzwervingen en gevangenschap belandde hij uiteindelijk in Nederland. Van dit land wist hij niets behalve dat Emmanuelle (Sylvie Kristel) ervandaan kwam. Arash was op het moment van aankomst ergens midden twintig, een jonge man op het toppunt van zijn kracht, dus dat beloofde wat. Het viel tegen zoals bijna alles tegenviel. Niettemin had Arash geluk. Hij kon studeren, vond een vrouw (van wie hij later weer scheidde), kreeg een kind (Maryam). Maar toch. Hij mist de bergen, de vanzelfsprekendheid van de eigen taal, de geur van verse pistachenoten. Wat mist hij niet?

Probleem van zoveel gemis is dat je al snel een nostalgische zeur wordt en als Arash iets niet wil, al is het maar voor zijn dochter, dan is dat het wel. Dus wat doe je? Je zwijgt.

Arash verzwijgt niet alleen mooie, hij verzwijgt ook nare dingen. In de tijd vóór zijn vertrek was hij politiek gevangene. In zo’n positie maak je dingen mee die je niet vertelt, aan niemand, ook jezelf niet, laat staan je kind.

Ondertussen leeft Arash in Nederland het leven dat hij zich nooit had kunnen voorstellen. Hij houdt van het land. Toch wel. Maar belangrijker nog is dat hij zich hier nog altijd een vreemdeling voelt, in de afgelopen jaren weer meer dan voorheen. Het land verandert. Keert in zichzelf, zegt Arash, met als gevolg dat hij meer dan vroeger gezien wordt als een van de ‘anderen’. Dat op zijn beurt brengt weer vluchtgedrag met zich mee. Dergelijk gedrag vergroot de nostalgie. Maar nostalgie wil je niet. Het is een cirkel waaruit ontsnappen onmogelijk is. Over dit aspect van migratie zouden we het ook eens moeten hebben.


Beeld: Teheran, Iran. Foto Thomas Dworzak / Magnum Photos / HH.