ONDERZOEKSDOSSIER: LAND VAN GAS EN KOLEN

Nog een eeuw fossiel [geannoteerde versie]

Dit is de geannoteerde versie van het onderzoeksdossier ‘Nog een eeuw fossiel’.

De bronnen die worden genoemd zijn opgenomen in de literatuurlijst.

Medium rotterdam

‘ZE HEBBEN een deuk in mijn façade gereden’, klaagt projectleider Aris Blankenspoor van E.ON tegen zijn persvoorlichter. Hij wijst naar een beschadiging in de zilvergrijze behuizing van ‘zijn’ centrale in aanbouw. Blankenspoor is verantwoordelijk voor de bouw van de grootste kolenketel van Nederland, tevens een van de grootste ‘hoog-technologische investeringen’ van het land. Hij glundert: groter dan dit worden kolenketels niet, en efficiënter ook niet. Wil je meer vermogen, dan moet je er twee naast elkaar zetten.

Vanaf december 2013 moet de centrale elektriciteit gaan leveren. Door de diepe waterwegen van de Maasvlakte varen dan grote kolenschepen met tonnen aan steenkolen binnen op de overslag. Vanaf daar rollen de kolen over een lopende band van honderden meters lang naar de eigen depots van de centrale, waar ze vermengd worden met cacaodoppen en andere biomassa. De lopende band voert de kolenmix verder, richting de kolenmolens in de centrale, die de boel verpulveren tot er niets anders overblijft dan een grote zwarte wolk poeder. Hete lucht blaast die wolk de ketel in, alwaar hij ontbrandt in een vlam van tientallen meters doorsnede.

De ketelwand bestaat uit duizenden dunne buisjes waar water doorheen gepompt wordt om uiteindelijk verhit te worden tot een stoomwolk van 650 graden Celsius. De stoom jaagt door geweldige turbines, wordt weer opgevangen en nog een keer langs de ketel geleid. Er is alles aan gelegen om ieder laatste procentje rendement, ieder laatste graadje warmte en iedere laatste euro uit de ongeveer 1,3 miljard kostende investering terug te winnen.

De centrale is daarom ook onderdeel van een web van buizen en leidingen van omliggende bedrijven. Elektriciteit en de restjes water van E.ON stromen naar de buren van LyondellBasell, een fabriek die allerlei chemische producten maakt, onder meer halffabrikaten voor de auto-industrie. Van de as die uit de ketel van de kolencentrale stuift wordt cement en gips gemaakt. Overtollig warm water uit de centrale loopt via een ondergrondse buis naar de nabijgelegen terminal voor vloeibaar gas, dat op een temperatuur van min 163 Celsius over de globe gevaren wordt en eenmaal in Rotterdam aangekomen wel wat warmte kan gebruiken. Tussen alle pijpleidingen, silo’s en kabels nestelt producent E.ON zich in een soort hoog-industriële biosfeer waar energie, industrie en productie op onnavolgbare wijze verknoopt zijn.

E.ON is niet de enige: ook GDF Suez, de eigenaar van Electrabel, en RWE Essent bouwen nieuwe kolencentrales in Nederland. Samen investeren de energieproducenten meer dan vijf miljard in de drie centrales, die tenminste veertig jaar moeten gaan draaien. Een vreemde gewaarwording, zoveel kolen in een tijd waarin bijna iedereen de mond vol heeft over duurzaamheid. Wat dat betreft heeft Nederland weinig om over op te scheppen: hier wordt slechts 4,3 procent van de energie uit groene bronnen opgewekt, veel minder dan in de rest van Europa (CBS, 2012: 24; Eurostat 2012 en Eurobser’ER 2012 gegevens in CBS, 2012: 31). Het huidige kabinet wil in 2020 naar zestien procent duurzame energie. Maar hoe is zo’n sprong mogelijk als we nu drie nieuwe kolencentrales krijgen? Er zou toch een ‘energietransitie’ komen? Waar blijven de windmolens?

In de energiesector wordt bij zo’n vraag standaard naar de overheid gewezen: die heeft de afgelopen decennia jojo-beleid gevoerd, waardoor groene energie niet van de grond komt. Het ontbrak de overheid niet alleen aan visie en durf, ze is ook nog eens incompetent. Maar is dat wel waar? Uit maandenlang onderzoek en tientallen gesprekken met deskundigen en sleutelfiguren in de sector rijst een heel ander beeld op. De rijksoverheid heeft wel degelijk succesvol energiebeleid gevoerd, dat beleid was alleen niet gericht op een groene energievoorziening. Er werd wel lippendienst bewezen aan ‘duurzaam’: er waren transitiewerkgroepen en vergezichten. Maar in feite zijn slechts twee keuzes helder gemaakt: één voor gas, en één voor goedkope elektriciteit. Beide keuzes zijn onder grote druk gemaakt: ze werden afgedwongen door de gasbelangen en door een jarenlange lobby van de energie-intensieve industrie. Dit is de geschiedenis van een land dat hard op weg is het meest fossiele van West-Europa te worden.

LAURENS JAN Brinkhorst houdt niet van polderen, hij is iemand die compromisloos kan handelen indien nodig. Toen hij in 2003 minister van Economische Zaken (EZ) werd, was hij vastbesloten iets te doen aan die ongelooflijke Nederlandse elektriciteitssector, waar een decennialange traditie van overleg en gemoedelijke kartelvorming heerste. Op de avond van 8 maart, tijdens het jaarlijkse energiediner van consultancybureau Roland Berger waar alle ingewijden uit de energiewereld gemoedelijk bij elkaar kwamen, hield de minister van EZ een speech. Hij kondigde aan dat de elektriciteitssector met de zogenaamde splitsingswet in tweeën zou worden gehakt. Door zijn doortastende optreden werd de EZ-minister een hoofdrolspeler in dit verhaal. Hij werd ook de laatste minister die nadrukkelijk zijn stempel achterliet op de elektriciteitssector: met zijn ingrijpen overhandigde de overheid de controle over de elektriciteitsproductie aan de markt.

‘Voor de Nederlandse polder was het een ongebruikelijk optreden’, herinnert de oud-minister zich met gevoel voor understatement. Een kleine tien jaar later houdt Brinkhorst nog altijd kantoor vlak achter het Binnenhof. Hij is goed gebruind, gestoken in een keurig grijs pak en even heerachtig als altijd. Hij raakt ook net zo begeesterd als vroeger wanneer hij vertelt over zijn politieke knokpartijen, het brengt een twinkeling in zijn ogen.

Met het besluit voor splitsing beslechtte Brinkhorst een discussie die zich al meer dan tien jaar voortsleepte. Bij een groot deel van de energiemaatschappijen, tot dan toe nutsbedrijven, bestond al lange tijd de wens tot privatisering en investering in het buitenland, en ook vanuit Europa groeide de druk om de Nederlandse elektriciteitsmarkt open te gooien (Stellinga, 2012: 211). Eén ding was echter volslagen onwenselijk: dat de maatschappijen zouden privatiseren terwijl ze hun elektriciteitsnetten in handen hielden. Het bezit van een elektriciteitsnet kwam neer op het bezit van een monopolie – geen enkele consument kon kiezen op welk elektriciteitsnet hij was aangesloten. Geprivatiseerde energiebedrijven dreigden zo private monopolies te krijgen op de Nederlandse markt (Stellinga, 2012: 211).

Daarom besloot Brinkhorst om de functies van de bedrijven – elektriciteitsproductie en levering enerzijds en netbeheer anderzijds – simpelweg uit elkaar te trekken. De levering mocht geprivatiseerd worden, maar het net werd ondergebracht in een staatsbedrijf (Stellinga, 2012: 212). De CEO’s die bij het energiediner aanwezig waren reageerden verbijsterd, en woedend. Ze zetten een omvangrijke antisplitsingscampagne op met paginagrote advertenties in de krant en demonstraties op het Binnenhof, ze voerden de lobbydruk op Kamerleden op tot ongekende hoogte en dreigden met doemscenario’s over black-outs.

Maar ondanks, of eigenlijk vooral dankzij, hun campagne, verloren de energiemaatschappijen hun politieke vrienden. Al snel was de Kamer zowel de publieke agressieve opstelling als de dreigende houding achter de schermen volledig beu. Daarnaast verkeken de energieheren zich op het temperament van Brinkhorst: ‘Ik was ook landbouwminister geweest en daar had ik met de mond-en-klauwzeer een wat zwaardere crisis meegemaakt. Het kan zijn dat ze zich dat niet goed herinnerden.’

Na verloop van tijd vonden de energiemaatschappijen zichzelf tegenover een niet te stuiten pro-splitsingcoalitie van het ministerie van EZ, een ruime meerderheid in de Kamer, de Consumentenbond, de energie-intensieve industrie en een aantal grote buitenlandse energiebedrijven – multinationals die ‘op de achtergrond meedachten’, aldus Brinkhorst, zoals het Franse GDF Suez, het Duitse RWE en E.ON. Op de Nederlandse markt opende zich voor hen een vrij en toegankelijk net met daarop een aantal kleine spelers en een stel prachtige havens op de Maasvlakte en in de Eemsmond, waar de kolen direct van de oceanliners de centrale in konden rollen en waar zich een hele zee van koelwater bevond. Zulke omstandigheden ontbraken in Duitsland en maakten Nederland een uitstekende locatie om kolenstroom te produceren voor Noordwest-Europa.

Dat vond de industrie ook. Brinkhorst zat in 2003 nog geen maand op zijn post of drie grootverbruikers – DSM, Pechiney en Akzo – kwamen bij hem langs om te klagen over de hoge energieprijzen (Parlementair onderzoek privatiseringen, 2012: 132). De Nederlandse energievoorziening leunde te zwaar op gas, zeiden ze, dat duur was door een koppeling met de olieprijs. Gevolg waren hoge elektriciteitstarieven die de concurrentiepositie van Nederland schaadden. Kolenstroom in Duitsland en kernenergie in Frankrijk leverde de industrie in die landen grote voordelen op. Ook in Nederland moest er wat gebeuren. De grootverbruikers kwamen volgens Brinkhorst ‘met de hand op, zoals zij dat altijd zouden doen’ (idem). Ze vroegen om een compensatie.

Brinkhorst nam de problemen serieus, maar wilde de gasprijzen niet verlagen, omdat dit neer zou komen op directe staatssteun. In een interview met het blad van werkgeversvereniging VNO-NCW (Opinieblad Forum, 18-12-2003) zei hij dat ‘de prijsverschillen tussen Nederland en Duitsland naar mijn idee kleiner [zijn] dan de grootverbruikers suggereren’. Het dreigement dat de grootverbruikers zouden verkassen noemde hij in 2003 ‘een merkwaardige opvatting’, want het ging maar om ‘een paar centen prijsverschil’. ‘Ik wilde geen lagere energieprijs voorschrijven’, zegt Brinkhorst nu, ‘want dan had ik als het ware gebogen voor de druk.’ Brinkhorst zocht andere manieren om de problemen van de industrie te verlichten. Hij besloot dat er in Nederland meer kolenstroom moest komen, en hij verkende de mogelijkheden om meer goedkope buitenlandse stroom naar Nederland te importeren.

IN HET voorjaar van 2004 maakt Brinkhorst werk van zijn besluit. Op 9 juni stuurt hij een notitie naar de Tweede Kamer waarin hij aanstuurt op het verbeteren van het investeringsklimaat voor nieuwe centrales. Nederland, schrijft Brinkhorst, is zeer geschikt voor de grootschalige productie van elektriciteit. ‘We hebben uitstekende aanvoerroutes voor brandstoffen zoals kolen, een kwalitatief zeer hoogwaardig elektriciteits- en gasnet, relatief veel koelwater, substantiële gasvoorraden en relatief veel interconnectiecapaciteit (stroomverbindingen met het buitenland – red.) die ook voor export gebruikt kan worden.’ Nederland heeft zelfs ‘de potentie om op termijn exportland van elektriciteit te worden’ (Brief Brinkhorst, 9 juni 2004).

Ook op 9 juni 2004 stuurt Brinkhorst zijn hoogste energieambtenaar, Gert-Jan Lankhorst, naar de jaarvergadering van VEMW, de belangenbehartiger van zakelijke gebruikers van energie, om te laten zien dat EZ de problemen van stroomslurpers als Tata Steel, Dow-Chemical en Sabic serieus neemt (FD, 10 juni 2004). Lankhorst zegt bij de vergadering dat er vanaf 2005 meer stroomverbindingen met het buitenland zullen komen en dat er in Nederland ‘zeker ruimte is voor kolen’. De buitenlandse energieproducenten, die al met Brinkhorst optrokken pro splitsing en die in tegenstelling tot de Nederlandse producenten voldoende geld hebben om te investeren in nieuwe centrales, reageren verheugd. ‘Waarom zouden we kolen die aankomen bij de Maasvlakte eerst nog naar Duitsland vervoeren?’ zegt Jannes Verwer, directeur van E.ON Benelux in Het Financieele Dagblad. ‘Dit is een mooie opening van EZ.’ (FD, 10 juni 2004)

HALF WERK levert Laurens Jan Brinkhorst niet. De minister die de elektriciteitssector in tweeën hakte, is vastbesloten ook in de gassector te splitsen, omdat de leer uit Brussel dit, vindt hij, voorschrijft. Deze sector wordt in Nederland aangevoerd door Shell en Exxon, die beide 25 procent van de aandelen in Gasunie bezitten, en de Nederlandse staat, die de overige vijftig procent in handen heeft. Om het gasnet volledig over te nemen, zal de overheid de twee oliebedrijven moeten uitkopen. EZ-minister Annemarie Jorritsma probeerde dat al eerder, maar zonder succes. In de zomer van 2004 sturen Shell en Exxon hun hoogste bestuurders naar het kamertje van de minister om te onderhandelen. ‘Je verkoopt niet iedere dag iets van miljarden’, vertelt Jeroen van der Veer nu; toen zat hij als CEO van Shell aan tafel bij de onderhandelingen. Hij is van huis uit ingenieur en dit tekent hem. Hij gaat kordaat en gedisciplineerd te werk en heeft het vermogen om een ingewikkeld verhaal helder te vertellen. Hoewel hij soms met priemende ogen boven zijn bril uit kijkt, heeft hij iets vriendelijks over zich. De onderhandelingen over de uitkoop verlopen moeizaam: ‘We wilden de relatie met de Nederlandse regering niet verstoren.’

Na een aantal stevige onderhandelingen is in oktober 2004 de deal rond. De infrastructuur en de handel worden gesplitst en de Nederlandse staat koopt Shell en Exxon uit het transportnetwerk voor 2,78 miljard euro. Gasunie komt volledig in handen van de overheid, die daarmee eigenaar van het Nederlandse gasnet blijft (EZ, Kamerbrief, November 2004). De gashandel, waar Shell, Exxon en de staat nog steeds samen deelgenoot in zijn, wordt ondergebracht onder de bedrijfsnaam GasTerra. Daarmee blijft de overheid in de gassector, anders dan in de elektriciteitssector, een actieve speler.Van der Veer: ‘Dat partnerschap was altijd een succesverhaal geweest. Het was een goede constructie voor alle partijen. Dus waarom dan ook nog GasTerra veranderen?’

De decennialange succesvolle samenwerking met oliebedrijven Shell en ExxonMobil begon vijftig jaar geleden, op 6 april 1963, in het statige kasteel Oud-Wassenaar met de ondertekening van de oprichtingsakte van Gasunie door minister Pous van Economische Zaken (Oprichting Gasunie: www. gasinbeeld.nl) De ontginning van de gasbel van Slochteren, het tot dan toe grootste gasveld van Europa, kon van start gaan. Het Nederlandse oliebedrijf Shell en het Amerikaanse ExxonMobil die via hun gezamenlijke dochterbedrijf de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in 1959 de gasbel hadden ontdekt, kregen elk een kwart van de aandelen van Gasunie. De staat hield de andere helft, grotendeels via het staatsbedrijf DSM.

Het gas werd ingezet voor de verwarming van Nederlandse huishoudens: op die manier kon er veel meer geld mee verdiend worden dan alleen met de verkoop aan gascentrales. (Madsen en Steward: 2007) Bovendien zorgde het relatief schone gas ervoor dat de Limburgse kolenmijnen overbodig werden. Nederland werd een gasland en legde in versneld tempo een landelijk gasnet aan. De omwenteling kostte ongeveer vijfhonderd miljoen euro, (Kielich:1988:56-61) een schijntje vergeleken bij de opbrengsten van de gasbel (tweehonderd miljard euro in de afgelopen vijftig jaar). (NRC, 12-06-2009; Delfstoffen en Aardgaswarmte:2009:124)

Het goedkope gas trok allerlei bedrijvigheid, en vooral energie-intensieve industrie aan. Geen wonder dat nog altijd 64 procent van het totale energieverbruik naar het bedrijfsleven gaat (Energietrends, 2012: 2). Door speciale gaskortingen en de lage belastingtarieven voor grootverbruikers (Madsen en Steward: 2007: 97-101) werden Nederlandse ondernemingen vanaf de jaren zestig wereldwijd concurrerend in petrochemie, aluminium, plastic en papier. Ineens hadden we hier aluminiumsmelters (zoals Aldel), chemieconcerns (zoals AkzoNobel en DSM) en methanolproducenten (zoals Methanor). Voor de energie-intensieve industrie is de energieprijs nog steeds dé bepalende factor als het gaat om nieuwe investeringen. Als gas of elektriciteit te duur wordt, weten de bedrijven de politiek en de ministeries altijd uit te leggen dat de volgende fabriek ook in India neergezet kan worden. Meestal hoeft men dat niet zo expliciet te zeggen.

IN JULI 2005 maken de ambtenaren op het ministerie van Economische Zaken zich zorgen. De splitsing van de oude Gasunie in een transportbedrijf (de nieuwe Gasunie) en het handelsbedrijf GasTerra is succesvol afgerond, maar er groeit onzekerheid over de toekomstige energievoorziening van Nederland. Volgens de informatie die op dat moment in de gassector rondgaat, nemen de olie- en gasvoorraden wereldwijd af, terwijl de toekomstige Europese vraag naar fossiele brandstoffen alleen maar toeneemt. Zonder het expliciet te noemen klinkt in het EZ-energierapport Nu voor later het besef door dat ook de Nederlandse gasvoorraden langzaam uitgeput raken.

Om de leveringszekerheid te garanderen en om te voorkomen dat Nederland zijn positie als sterk gasland verliest, moet een nieuwe strategie ontwikkeld worden. Nederland dient, aldus het energierapport, ‘nog meer een knooppunt in de internationale gashandel te worden. Daarmee wordt de voorzieningszekerheid verbeterd, omdat meer gasstromen in Nederland bijeen komen.’ (EZ, Energierapport:2005:10-11)

In de volgende jaren zullen deze denkbeelden uitgroeien tot een icoon van het Nederlandse energiebeleid: de gasrotondestrategie. Nederland moet een internationale rol gaan vervullen in all things gas – pijpleidingen in binnen- en buitenland, opslag, en terminals voor vloeibaar gas. Als het kabinet er in 2005 over praat, is er weinig discussie over, vertelt Pieter van Geel, de toenmalige staatssecretaris van VROM: ‘Dat zijn van die dingen waarvan iedereen na twee minuten zegt: ja, dat is eigenlijk wel logisch.’

HET WAS ZO logisch dat Gasunie alvast was begonnen. ‘Het echte begin van wat later de gasrotonde is gaan heten lag in de jaren 1996 tot 2000’, vertelt oud-Gasunie-directeur George Verberg, in de lobby van het Hampshire Plaza Hotel in Groningen. Ondanks zijn pensioengerechtigde leeftijd heeft hij nog een bepaalde jeugdigheid over zich, zowel in zijn manier van spreken (‘dat heb ik van een vriendje uit de sector’) als in zijn voorkomen, een zwarte rugzak over zijn nette blauwe colbert. In 1996 ging Verberg voor het eerst naar Rusland, zo vertelt hij: ‘Jeltsin was nog president en mijn collega van Gazprom, Vjachirev, liet het ook allemaal filmen want het was in verkiezingstijd. Zo konden ze laten zien dat het Westen wel degelijk voldoende vertrouwen in ze had.’ Verberg overtuigde de Gasunie-aandeelhouders Shell en Exxon ervan dat het noodzakelijk was om Russisch gas aan te kopen ondanks het feit dat Nederland nog voor zo’n 25 à dertig jaar gas in de grond had zitten. Met welke tactiek? ‘Een goed verhaal voor de echt lange termijn. Die Groninger gasbel, hoe je het ook wendt of keert, die is eindig. En als je dan pas naar de Russen toe gaat als het gas op is, dan heb je geen onderhandelingspositie.’

Het gascontract met Rusland dat inging in 2000 was volgens Verberg eigenlijk al een voorbode van de gasrotondestrategie. Nederland beloofde namelijk gasopslagcapaciteit. Het te veel geleverde Russische gas kon in de zomer worden opgeslagen in lege gasvelden in Drenthe en Groningen zodat Gazprom ’s winters, als er meer vraag is naar gas, meer gas kon leveren aan Duitsland. De bedoeling was, in de woorden van Verberg, ‘om de gasinfrastructuur zo goed mogelijk een plek te geven in Noordwest-Europa’.

Door de nauwe contacten tussen Nederland en Rusland kon Laurens Jan Brinkhorst in 2003, vlak na zijn beëdiging als minister van Economische Zaken, Nederland voor negen procent eigenaar maken van Nord Stream, een pijpleiding onder de Baltische Zee van Rusland naar West-Europa. Het was een bijzondere aankoop, want ‘oorspronkelijk was het de bedoeling dat die pijp gewoon eigendom zou zijn van de Duitsers en de Russen’, vertelt Brinkhorst nu. Gasunie was vanaf 1996 al op de hoogte van de ideeën rond Nord Stream, en volgens George Verberg heeft het bedrijf ‘van meet af aan geprobeerd om daarbij betrokken te raken’.

Toen Nederland eenmaal participeerde in Nord Stream stelde Brinkhorst zichzelf de vraag: ‘Wat doe je dan met dat gas?’ Brinkhorst herinnert zich dat hij toen het concept van de ‘gasrotonde’ heeft doorontwikkeld. ‘Dat contract met Gazprom en de Duitsers was als het ware de trigger – je bent nooit honderd procent origineel.’ Volgens de hoogste baas van Shell, Jeroen van der Veer, was er in het begin veel onduidelijkheid over de Nederlandse gasrotondestrategie. ‘De ene zei, we moeten meer gas uit Rusland halen. Dus dat Nord Stream-project. De ander zei, meer leidingen naar Engeland. Ik herinner me nog goed dat als iemand dat woord “gasrotonde” gebruikte ik meteen na moest gaan: wat is precies de definitie die deze persoon heeft van de gasrotonde? Soms vroeg ik het voor de zekerheid.’

PAS IN maart 2006, tien jaar na het eerste gascontract met Rusland, wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de nieuwe Nederlandse gasstrategie. Brinkhorst concludeert in de Visie op de gasmarkt dat ‘zowel de Nederlandse consument als de Nederlandse economie daarbij gebaat is’. (EZ, Visie op Gasmarkt:2006:4) Een economische onderbouwing wordt niet gegeven, en ook details over Nord Stream ontbreken. Wel schrijft de minister dat Nederland een goede uitgangspositie heeft wat geologie, ligging, infrastructuur en kennis betreft om zich te ontwikkelen tot de ‘gasrotonde’ van Europa. (EZ, Visie op Gasmarkt:2006:4)

Daarvoor zijn nog twee dingen nodig: geld en een grote strategische aankoop buiten de landsgrenzen. Gasunie, inmiddels volledig staatseigendom, gaat aan de slag. Om nieuw kapitaal aan te trekken besluit het bedrijf in 2006 het Nederlandse gasnet in te zetten als onderpand. Het bedrijf meent dat het net een waarde heeft van 6,4 miljard, ruim voldoende om een flinke hoeveelheid geld te lenen voor de gasrotondestrategie. Maar de NMa, de onafhankelijke autoriteit die verantwoordelijk is voor de waardering van het net, schat de waarde op 4,8 miljard – volgens Gasunie te weinig om de internationale ambities te financieren (Algemene Rekenkamer, 2012). Er volgt een rechtszaak en de NMa wordt opnieuw aan het rekenen gezet. De minister van Economische Zaken, Maria van der Hoeven, wacht niet af en beslecht het geding in het voordeel van Gasunie. Ze legt de waarde van het net op 29 juni 2007 alsnog vast op 6,4 miljard euro (EZ, kamerbrief juni 2007).

Nog geen twee maanden later wordt het Noord-Duitse gasnet BEB, een netwerk van in totaal 3200 kilometer aan pijpleidingen, te koop gezet door Shell en ExxonMobil. Het is dé strategische aankoop waarop Gasunie zat te wachten. Via het net kan Nederland aangesloten worden op zowel Russisch gas, via Nord Stream, als Noors gas, dat binnenkomt bij de Noord-Duitse stad Emden. De oliebedrijven willen van het netwerk af omdat er volgens hen te weinig rendement zit in het Europese gastransport (ongeveer zeven procent). Gasunie, in de ban van de gasrotondestrategie, is niet primair geïnteresseerd in een hoog rendement, maar wel in het binnenhalen van zo veel mogelijk buitenlandse gasstromen. Het enthousiasme over de beoogde aankoop is groot – binnen de raad van bestuur van Gasunie klinkt meermaals het verkoopargument ‘buurmans land komt slechts éénmaal te koop’. (Financiën-American Appraisal:2012:9)

Onwelgevallige informatie over dé onzekere factor binnen de aankoop – een mogelijke verlaging van de transporttarieven door de Duitse toezichthouder en dus verlaging van het rendement van het netwerk – wordt door de raad van bestuur van dat moment niet gedeeld met de commissarissen en het ministerie van Financiën, dat formeel als aandeelhouder moet instemmen met de overname. (Financiën, Onderzoeksrapport Overname Gasunie Duitsland:2012:19) In november 2007 betaalt Gasunie 2,15 miljard euro voor het BEB-netwerk. (Financiën, American Appraisal:2012:1)

Vervolgens gebeurt wat een kritische waarnemer of een goed geïnformeerde aandeelhouder had kunnen voorzien. Kort na de aankoop verlaagt de Duitse toezichthouder haar tarieven, zodat Gasunie tussen 2008 en 2011 in totaal 1,52 miljard euro moet afboeken op de investering. (Financiën-American Appraisal::2012:21-22)Meer dan tweederde van de totale aankoopprijs gaat in rook op. En daarbij blijft het niet. Na de afwaardering van het Duitse gasnet krijgt Gasunie in 2010 een nieuwe klap te verwerken. De regeling van minister Van der Hoeven over de waarde van het Nederlandse gasnet is kort na de invoering in 2007 aangevochten. In 2010 fluit de rechter de minister terug en waardeert de NMa het net alsnog op 4,8 miljard. (CBb, 29 juni 2010) Hierdoor moet Gasunie in totaal vierhonderd miljoen terugbetalen aan de afnemers van gas (in de tussentijd zijn te hoge transportkosten gerekend). Al met al heeft Gasunie met de beide aankopen in totaal bijna vijf miljard aan Shell en Exxon betaald, terwijl ze hierop vervolgens bijna twee miljard moest afschrijven.

Maar dan heb je ook wat. Door de investeringen in pijpleidingen, gasopslag, handel, LNG-terminals en ‘gasdiplomatie’ kreeg de gasrotondestrategie concreet gestalte. Op de Rotterdamse Maasvlakte staat nu een enorme terminal voor vloeibaar gas – in elk van de drie silo’s kan een Airbus parkeren – die ons land verbindt met gasstromen uit landen als Qatar, Algerije en Nigeria. Lege gasvelden zijn omgebouwd tot gasopslagplekken, die gebruikt kunnen worden om reserves op te slaan. Via het BEB-netwerk beheert Gasunie de Noordwest-Europese aanknopingspunten van Noorse en Russische pijpleidingen (Financiën- American Appraisal, 2012). In Amsterdam is een gasbeurs geopend die uitgroeide tot de grootste van continentaal Europa (APX Endex, 2011). De staat, Shell en ExxonMobil varen er wel bij. Bezien vanuit het oogpunt van de ‘energietransitie’ heeft de succesvolle gasrotonde slechts één nadeel: het consolideert de positie van Nederland als grote fossiele speler.

IN DECEMBER 2012 werken op de Synergieweg in de Groningse Eemshaven dagelijks ruim 3500 bouwvakkers op een bouwterrein waar de Amsterdamse Arena gemakkelijk in zou passen. De nieuwe kolencentrale die RWE Essent hier bouwt is groter dan die van E.ON op de Maasvlakte, want het wordt een dubbele unit van twee gespiegelde gebouwen, de schoorstenen tegen elkaar geplakt. Even verderop staat de nieuwe driedubbelloopse gascentrale van Nuon, net af maar nog uit. RWE Essent heeft hier ook aanzienlijke windmolens neergezet (RTV Noord, 19-06-2012), maar door zijn bonkigheid maakt de kolencentrale meer indruk. Hoe is het mogelijk, zo veel kolen in gasprovincie Groningen?

De plannen voor RWE’s centrale stammen uit de tijd waarin grootverbruikers zoals de Delfzijlse aluminiumsmelter Aldel moord en brand schreeuwen over de in hun ogen te hoge energieprijzen. Brinkhorst heeft dan al aangegeven dat meer kolenstroom van harte welkom is, en Tennet – het nieuwe staatsbedrijf voor beheer van de elektriciteitsnetten – is aan het werk gezet om meer stroomverbindingen met het buitenland te realiseren, zodat er meer goedkope elektriciteit kan worden geïmporteerd.

Maar de industrie vindt dat de minister niet genoeg doet. In september 2005 staat op aandringen van VNO-NCW en FNV opnieuw een groep grootverbruikers bij Brinkhorst op de stoep (SEO, 2006: 11). Volgens de vakbonden staan op dat moment achttienduizend arbeidsplaatsen op de tocht, en indirect nog eens 56.000 (SEO, 2006: 12) – hoewel ook op dat moment al onduidelijk is of deze banen bij lagere energieprijzen behouden zullen blijven. Er volgt een vergadering tussen de industrie, VNO-NCW en Brinkhorst, waarin wordt besloten dat er een consortium moet komen om de belangen van de energie-intensieve industrie te behartigen. Voor inspiratie kijkt men naar Frankrijk, waar grootverbruikers via een contract met energieproducenten langdurige afname van stroom garanderen. Met zo’n overeenkomst kan het investeringsplaatje voor een nieuwe kolencentrale gemakkelijk rondgemaakt worden (zie e.g. Notanummer ET/EM / 6064857, openbaar na Wob verzoek GreenPeace; eerste bijlage, pdf p. 61, 24-08-2006).

Voorzitter Wientjes van VNO-NCW en Brinkhorst vragen hun wederzijdse kennis, oud-Hoogovens-topman Fokko van Duyne, het consortium te leiden. Negen energie-intensieve bedrijven, samen goed voor twintig procent van het binnenlandse energieverbruik, sluiten zich bij de groep aan, die zich doopt tot Stichting V.E.I.N. (Voorziening electriciteit Energie-intensieve Industrie Nederland). Van Duyne, een Hoogovens-man pur sang, met een vriendelijk rond gezicht en een zachte stem, krijgt van VNO een werkkamer aangeboden; V.E.I.N. zorgt voor een salaris. ‘Het was heel natuurlijk dat dit zo bij elkaar kwam’, vertelt hij tijdens een achtergrondgesprek in het Amsterdamse American Hotel. ‘De bedrijven hadden een gelijk belang en EZ vond dit gewoon belangrijk.’ Van Duyne gaat in gesprek met de energieproducenten over de bouw van nieuwe centrales en onderzoekt de mogelijke oplossingen voor de tussenliggende periode. (SEO, 2006; interne EZ-documenten rond consortium). VNO-NCW spreekt in een persbericht van een ‘doorbraak’ maar blijft ook voorzichtig: pas als het consortium slaagt en er een nieuwe centrale komt, kan de industrie ‘waarschijnlijk voor Nederland behouden blijven’ (VNO-NCW, 20-10-2005).

De werkgevers en de industrie houden in de maanden die volgen de druk op de ketel. Er wordt gedemonstreerd tegen de hoge energieprijzen (ECN Energie Verslag Nederland 2005, markt, 2006: 9) en in de media is Nederland inmiddels bekend komen te staan als ‘duurte-eiland’. Vertegenwoordigers van de noordelijke provinciebesturen, het plaatselijke bedrijfsleven en de vakbonden doen eind november 2005 een ‘klemmende oproep tot actie’ aan Brinkhorst, omdat de prijsontwikkeling van energie ‘dramatische gevolgen’ dreigt te hebben. (Brief van VNO-NCW Noord, MKB Noord, FNV Noordoost, de NOM, de Kamers van Koophandel van de provincies Groningen, Drenthe en Friesland en de gezamenlijke noordelijke provinciebesturen, aan de minister van EZ, Laurens Jan Brinkhorst. Haren, 28 november 2005.) Van Duyne blijft onderhandelen met de energieproducenten, en Brinkhorst blijft de onderhandelingen op de voet volgen (zie interne EZ-documenten over consortium).

In 2006 weten vier energieproducenten het onafhankelijk van elkaar zeker: Nederland is klaar voor meer kolen. Ze voelen zich na de uitnodiging van Brinkhorst in 2004 van harte welkom. Door de inspanningen van het consortium weten de energieproducenten dat er voor de lange termijn afnemers zijn. De situatie is bijna ideaal: in Nederland wordt stroom geïmporteerd, er staan veel oude centrales, en zowel de overheid als het bedrijfsleven staat te springen om meer kolen. Uiteindelijk vragen drie bedrijven vergunningen aan: E.ON en GDF Suez willen op de Maasvlakte gaan bouwen, RWE Essent in de Eemshaven. ‘Het consortium werd ingehaald door de tijd’, zegt Van Duyne achteraf.

Jacqueline Cramer, de milieuminister op wier bureau de vergunningsaanvragen belanden, besluit in juni 2007 schoorvoetend om de voorgenomen bouw van de nieuwe centrales niet te dwarsbomen (brief Cramer, 28 juni 2007). Ze wordt politiek onder druk gezet om de bouw van nieuwe ‘CO2-kanonnen’ tegen te houden, maar voelt de hete adem en de schadeclaims van de energieproducenten in haar nek. Er zijn al zoveel toezeggingen gedaan dat ze niet meer terug kan (Köper, 2012: 130; Duyvendak, 2011: 211-213). ‘Het moet gezegd’, schrijft Cramer in een brief aan de Kamer (28 juni 2007), ‘Europa en Nederland kennen een geliberaliseerde stroommarkt. De elektriciteitsproducenten zoeken locaties die goed scoren wat betreft de aanvoer van brandstoffen, mogelijkheden voor koeling enzovoort en Nederland beschikt over een aantal van deze geschikte locaties.’

In een convenant (Sectorakkoord Energie 2008-2020) spreekt Cramer met de producenten af dat de rijksoverheid zich niet ‘dwingend’ zal bemoeien met het aantal of het type centrales, maar dat die wel tot de ‘schoonste van Europa’ moeten behoren.

Jaren later, in 2012, zal een topadviseur van minister Cramer in een interview ten behoeve van een boek over de energiesector terugkijken op de speelruimte van de overheid en concluderen: ‘Wij konden eigenlijk geen nationaal beleid meer voeren.’ (Pieter Boot in Köper, 2012: 130).

En zo wordt een keurige varkenscyclus – het verschijnsel is bekend uit de varkenshouderij – in gang gezet (zie e.g. ECN, Elektriciteitsprijs; Wikipedia, Varkenscyclus (online bronnen)). Op basis van schaarste aan goedkope productiecapaciteit beginnen alle energieproducenten tegelijkertijd te investeren in nieuw vermogen, maar tegen de tijd dat dit vermogen beschikbaar komt, is het gevreesde tekort omgeslagen in een overschot. Tennet, de netbeheerder, ziet het als een van de weinigen gebeuren. In het leveringszekerheidverslag in 2006 schrijft de elektriciteitstransporteur al dat er volop centrales worden gepland, met name veel gasgestookte warmtekrachtcentrales voor de industrie (Tennet, 2006: 4). In juli 2007 houdt Tennet al rekening met een overcapaciteit vanaf medio 2008 (Tennet, 2007: 8). De netbeheerder voorziet ook dat er vanaf dat jaar meer verbindingen met het buitenland beschikbaar zullen komen, eerst met Noorwegen, later met Engeland, zodat goedkope stroom uit die landen naar Nederland zal kunnen stromen (Tennet, 2007: 13). De ‘dwingende redenen’ om nog drie kolencentrales te bouwen, verwateren in hoog tempo. In hun vergunningsaanvragen moeten de kolenstokers de grootst mogelijke moeite doen om aan te tonen dat het inderdaad gaat om ‘noodzakelijke’ centrales (ECN drob rapport 2010).

Vanaf 2009 staat er in Nederland inderdaad meer vermogen dan we nodig hebben (Tennet 2012: 6), en door de toegenomen internationale handel in energie kunnen grootverbruikers al vanaf 2006 goedkopere stroom gaan inkopen (Energietrends 2012, 50). Als alle nieuwbouwplannen die zijn aangekondigd ondanks de overcapaciteit doorgang vinden, zal de totale opwekcapaciteit tussen 2012 en 2019 nog eens met bijna vijftig procent groeien (rekensom op basis van Tennet, 2012: 16; basisvariant; vgl. ECN, 2010: 39). Als het hele productiepark in 2016 tegelijkertijd wordt aangezet, produceert het zelfs meer stroom dan Nederland kan exporteren (Tennet, 2012: 3). Nu al staan gascentrales regelmatig uit terwijl oude kolencentrales vol door blijven stampen. De impact op het milieu is desastreus, omdat kolencentrales – ook de nieuwe – ruim twee keer zo veel CO2 uitstoten als hun efficiënte maar dure concurrenten, de gascentrales (ECN, 2007:4) (zie kader ‘Kolen winnen op kosten’). Als de drie nieuwe kolencentrales worden aangezet, zullen de gascentrales nog vaker worden uitgeschakeld.

HET IS een druilerige, herfstige ochtend als op 8 november 2012 om twee over zeven de stoompijp van GDF Suez’ kolencentrale in Nijmegen met een oorverdovende klap uit elkaar knalt. De afvoerpijp ontploft vlak boven de kolenketel en slaat zo een gat in de ketelwand. Op de klap die tot in de wijde omgeving te horen is volgt een langdurig, luid geraas veroorzaakt door de stoom die uit de centrale ontsnapt. Omwonenden die nog niet wakker waren zitten nu rechtop in bed, terwijl isolatiemateriaal uit de weggeslagen muur tot in Nijmegen-Noord neerdwarrelt (omroepgeldenland.nl, 08-11-2012; degelderlander.nl, 08-112012) .

De Nijmeegse centrale is ‘al een oud bakkie’. De investeringen zijn ruimschoots terugverdiend en ieder extra draaiuur is pure winst, maar de ouderdom betekent ook dat hij niet bepaald schoon is. Al in 1999 neemt het ministerie van VROM, dan onder leiding van Jan Pronk, zich voor om de centrale te sluiten (ANP, 07-06-1999). Het plan stuit op grote woede van de kolenstokende energieproducenten (ANP, 07-06-1999; FD, 21-10-1999). De controverse eindigt uiteindelijk in een convenant waarin de producenten beloven meer te investeren in duurzame en nieuwe technologieën. In ruil daarvoor zal de overheid de centrales ongemoeid laten en vrijstelling geven van de brandstofbelasting, die de elektriciteitssector al lange tijd een doorn in het oog is omdat Nederland het enige land in Europa is dat hem oplegt aan energiebedrijven (ANP, 15-06-2000.

Het convenant bevat mooie intentieverklaringen, maar uiteindelijk bepaalt de markt waar wel en niet in wordt geïnvesteerd (CE Delft, 2012: 20). ‘Wat de overheid niet zag is dat die markt gewoon echt werkt’, zegt Jan Paul van Soest, criticaster van het Nederlands klimaatbeleid. Van Soest is een alom gerespecteerde en gewaardeerde ‘duurzaamheidsconsultant’. Hij is een milde, humoristische man, maar achter zijn zachte trekken en glimlach steekt een scherpe blik. ‘Ja, dan kun je wel ergens in een sector een handtekening onder een convenant zetten, “wij gaan zoveel duurzame energie produceren”, maar wat betekent dat voor de individuele producent die geld probeert te verdienen aan zijn centrales? Niets.’

Een internationaal bedrijf heeft een internationaal perspectief. Alleen waar de wind waait en waar een overheid het juiste investeringsklimaat schept komen windmolenparken te staan. Kolencentrales worden gebouwd waar de havens het diepst zijn en het meeste koelwater voorhanden is. Als straks de centrale van RWE Essent in de Eemshaven aan gaat en er nog steeds te veel vermogen in Nederland staat, zal een andere worden stilgezet. Welke? ‘Dat laten we de markt beslissen’, zegt Jens Hannes van RWE. ‘Er wordt er straks eentje uit de markt gedrukt, hopelijk niet een van ons.’ De markt bepaalt, zoals dat heet in de sector. De beroemde onzichtbare hand zet nu de ene centrale aan en de andere uit.

Landsgrenzen zijn daarbij steeds minder belangrijk – wereldwijde ontwikkelingen des te meer. In de Verenigde Staten wordt sinds een paar jaar op massale schaal schaliegas gewonnen door het zogenoemde fracking, een omstreden vorm van gaswinning waarbij grote hoeveelheden water en chemische hulpstoffen worden gebruikt. Het is wat je noemt een gamechanger. (zie e.g. Economist, 02-06-2012). Het land dat op dit moment nog afhankelijk is van buitenlandse energie gaat volgens het toonaangevende Internationaal Energie Agentschap vanaf 2015 gas exporteren. In 2035 zijn de Amerikanen zelfvoorzienend (IEA, 12-11-2012; The Huffington Post Canada, 11-12-2012). De kolen die de VS zelf niet meer gebruiken, worden nu al tegen spotprijzen de Europese markt op gedreven (IEA, 17-12-2012). Diezelfde markt dicteert dat de goedkope kolencentrales in Nederland doorsjouwen, terwijl efficiëntere maar duurdere gascentrales terugschakelen. Amerikanen kiezen voor goedkoop gas, wij krijgen goedkope kolen. Dat is niet alleen slecht voor de gassector, het is ook slecht voor het milieu; zoals gezegd, kolencentrales stoten twee keer zo veelCO2 uit als gascentrales.

Intussen zijn in Noord-Duitsland sinds het begin van de Energiewende zoveel windmolens en zonnepanelen geplaatst dat de opgewekte stroom op zonnige en winderige dagen het hele Centraal-Europese elektriciteitsnet onder druk zet (Bloomberg, 25-1-2012). In 2012 werd er een recordhoeveelheid Duitse stroom het Nederlandse net op gejaagd (Nu.nl, 09-11-2012 op basis van cijfers Duitse Verbond van Energie- en Waterbedrijven (BDEW), soms tegen negatieve prijzen – Tennet kreeg dan geld toe om de Duitsers van hun overschot af te helpen (Tennet CEO Hartman in Leeuwarder Courant, 08-11-2012; in NRC, 10-11-2012). Op typische lentedagen (zie e.g. Tennet, 2012: 23, figuur 10) betalen Duitse burgers dan (via de subsidie voor groene stroom) de goedkope elektriciteit voor Nederlandse consumenten.

Zo worden leveringszekerheid, het beheer van elektriciteitsnetten en de elektriciteitsprijs langzamerhand Europese zaken. In heel Europa worden de komende jaren oude conventionele centrales uit gebruik genomen (Platts, december 2011: 26), en in Duitsland is na de meltdown in Fukushima een Atomausstieg ingezet, een programma voor sluiting van alle kerncentrales. Doordat in Nederland juist nieuwe kolen- en gascentrales worden gebouwd, krijgt ons land een steeds belangrijkere positie alsswing producer van elektriciteit (zie e.g. Tennet, 18 juni 2009). Twee Belgische kerncentrales – ‘Doel 3’ en ‘Tihange 2’ – zijn deze winter niet volledig beschikbaar door onderhoud, waardoor het land afhankelijk wordt van import uit Nederland (Elia, persbericht, 30-11-2012; Nos, 07-12-2012; De Morgen, 30-11-2012). Buurlanden weten: als het moeilijk wordt kan Nederland leveren, omdat daar een overschot aan opwekvermogen staat. Op koude dagen is Nederland de betrouwbare stroomleverancier van Europa, en als u liever gas had, kunnen we door de gasrotonde ook helpen. Zo regelde Gasunie dat het gas in de winter van 2011 in Zuid-Duitsland niet op raakte. De bedankbrief die de plaatselijke netbeheerder in naam van de Duitse overheid schreef, hangt ingelijst in Gasunie’s kantoor in Groningen.

BINNEN de Nederlandse overheid zijn wel degelijk mensen te vinden die serieus streven naar een transitie naar duurzame energie. Vlak na de eeuwwisseling ontstond binnen EZ een groepje ‘transitiedenkers’ dat aansluiting zocht met koplopers in de markt. In 2002 richtten ze een Taskforce Energietransitie op die zich voorzichtig profileerde als ‘transitiemanager’. Er kwam een interdepartementaal overleg tussen vijf ministeries. Er kwamen ook zeven ‘platforms’ en er waren meer dan twintig werkgroepen of ‘cirkels’. Men zocht naar een coalition of the willing en er ontstond een Interdepartementale Programmadirectie Energietransitie (IPE) die inzette op een volledig duurzame energievoorziening in 2050 (Regeren met programma’s, 2010: 80; vortgangsversplag IPE, 16-02-2010).

Het mocht niet baten. De transitiedenkers hebben het dominante fossiele beleid nooit kunnen beïnvloeden. Toen het Regieorgaan Energietransitie in 2008 in een rapport voorzichtig kanttekeningen plaatste bij de nieuwe kolencentrales (Regieorgaan Energietransitie Nederland, 14 november 2008) werd de voorzitter van het Regieorgaan op het matje geroepen bij VNO-NCW om uitleg te bieden. In 2010 schreef de secretaris-generaal van EZ in een artikel in het economenblad ESB dat Nederland zich niet moest vergalopperen aan hoge doelstellingen voor duurzame energie. CO2-reductie moest centraal komen te staan, en dat was volgens de secretaris-generaal een marktvraagstuk (ESB artikel van secretaris-generaal Buijink, 2010). Begin 2011 werd het transitieproject de nek om gedraaid.

De overheid ging wel gewoon verder met het formuleren van groene doelen. Regeringspartners VVD en PVDA verhoogden onlangs nog de doelstelling: ze willen nu zestien procent duurzame energie in 2020. Om dat doel te halen krijgt groene energie de komende jaren meer subsidie (Brief Kamp aan Kamer, 10-12-2012), maar in energieland is iedereen het erover eens dat dat bij lange na niet genoeg is om een sprong naar groen te maken. Over aanvullend beleid zijn de regeringspartijen het nog niet eens (De Volkskrant, 15-01-2013).

Volgens milieuorganisaties, energieproducenten én grootverbruikers kan een transitie naar duurzame energie alleen tot stand komen als het ministerie van Economische Zaken de leiding neemt. En dat weigert het ministerie te doen. Het dominante beleid op de Bezuidenhoutseweg in Den Haag is gericht op het maximaal faciliteren van de markt en de Nederlandse industrie. Dat betekent dat de energieprijzen laag moeten zijn, en dat er verder geen uitspraken worden gedaan over waar die energie vandaan komt. In 2008 stelde het ministerie onder de leuze ‘geen blauwdrukken’ dat alleen ‘marktpartijen investeren in energie en uiteindelijk zorgen voor de energiemix waar de afnemer om vraagt’. Energievraagstukken zijn volgens het ministerie ‘te groot en te complex’ – de overheid moet niet de ambitie hebben daar een beslissende rol in te spelen (EZ, 2008: 15).

De markt weet het beter, zei EZ hiermee in feite. Maar kan de markt op eigen houtje een transitie naar duurzame energie bewerkstelligen? Hebben alle energiebronnen eenzelfde kans als de Nederlandse staat op voorhand geen enkele energieoptie uitsluit? Niet zolang er een overvloed is van goedkope fossiele brandstoffen, en al helemaal niet zolang het bedrijfsleven primair de nadruk legt op een lage energierekening. Binnen de huidige omstandigheden leidt de EZ-keuze om het energiebeleid over te laten aan de markt de facto tot meer fossiel, in het bijzonder tot meer kolen omdat die in Nederland relatief goedkoop kunnen worden omgezet in elektriciteit. Duurzame energie is nog altijd relatief duur. Om haar concurrerend te maken zou de prijs van fossiele energie omhoog moeten. Het Europese CO2-emissiehandelssysteem is daarvoor ontworpen, maar het functioneert niet (zie kader hierboven). Het leidt tot veel frustratie.

EIND NOVEMBER 2012. Het Nationaal Energie Forum – een exclusief evenement voor ‘bestuurders, beslissers professionals uit de gehele energie-industrie’ – is al een paar uur bezig als Sinterklaas binnenvalt. De bijna tweehonderd aanwezigen zijn op dat moment verwikkeld in ‘co-creatie sessies’: in kleine groepjes praten ze over de toekomst van de energievoorziening. Het gaat hier al de hele dag over klimaatverandering, de inpassing van groene stroom, en ‘iets doen voor de aarde’.

Hans Grünfeld, directeur van VEMW, de branchevereniging van zakelijke gebruikers van energie en water, leidt een gesprek over energiebesparing. Grünfeld is een paradox: hij heeft een grijze baard en krullen die hem de aaibaarheid van een levensgrote knuffelbeer geven, maar hij is óók heel zakelijk. Hij staat bekend als een hardliner die de belangen van de energie-intensieve industrie verdedigt.

Het is even na vijven als Grünfeld zijn inleiding heeft afgerond, enkele onbetwistbare argumenten heeft genoemd om energie te besparen, en Sinterklaas binnenstommelt, met drie zwarte pieten. De goedheiligman zegt tegen de organisatoren dat hij een cadeautje heeft voor de heer Grünfeld. Hij wordt naar deVEMW-directeur verwezen, geeft hem een hand en neemt het woord.Zijn toespraak is alarmerend. Klimaatverandering dreigt desastreuze gevolgen te krijgen, en de heren in de zaal zouden moeten ingrijpen voordat het zo ver is, zegt de goedheiligman. Hij richt zich tot de ‘leveranciers van gas en olie in de zaal en energieproducenten die kolencentrales bezitten’. ‘Tegen de lobbyisten in de zaal, zoals de heer Grünfeld, zeg ik: “Ga naar huis, ga wat nuttigs doen in plaats van geld te verdienen met lobbyen voor destructie.”’ De zaal lacht ongemakkelijk, terwijl wenkbrauwen worden opgetrokken. Dan leest Sinterklaas een ‘wenslijst’ voor met items als ‘U moet uw aandeelhouders vertellen dat uw bedrijf niets meer waard is.’ En: ‘U moet beginnen met het sluiten van kolencentrales, over tien jaar moeten ze allemaal buiten bedrijf zijn.’

Bij binnenkomst heeft de goedheiligman zich geïdentificeerd als iemand van PriceWaterhouseCoopers, maar als de zwarte pieten flyers beginnen te verspreiden van de website wijstoppensteenkool.nl blijkt dat een leugen. De website is een initiatief van (anonieme) klimaatactivisten die strijden tegen kolencentrales. De zaal kijkt de indringers minzaam aan, weinig onder de indruk van de toespraak. Onderweg naar buiten strooien de pieten een hand kolen op iedere tafel uit. Grünfeld, nu gezeten aan een tafel bezaaid met pepernoten, flyers en steenkool, vervolgt onmiddellijk de discussie. ‘Ik ga niet naar huis, we kunnen beter dit gesprek over energiebesparing voortzetten.’Een week later – de echte Sinterklaas is inmiddels het land weer uit – vertelt Grünfeld, nu gezeten in zijn kantoor te Woerden, dat hij zichzelf niet in het beeld van een kolenlobbyist herkent. Een deel van zijn achterban heeft zich via V.E.I.N., het consortium van grootverbruikers, ingespannen voor nieuwe kolencentrales, maar persoonlijk had hij daar niets mee te maken. Grünfeld ergert zich aan de redenering van de klimaatactivisten. ‘Het is heel makkelijk om te zeggen: we gaan in Nederland de kolencentrales of de industrie sluiten, dan hebben we een fantastische bijdrage aan het milieu geleverd. Maar het klimaatprobleem is een wereldprobleem. Als je een bijdrage wil leveren aan een oplossing moet je niet beginnen met in Nederland je straatje schoon te vegen. Mensen gaan niet minder staal gebruiken als je Tata Steel sluit.’

Over wat er wél zou moeten gebeuren voor het klimaat heerst consensus, bij de energieproducenten én de industriële afnemers: Europa zou het falende CO2-emissiehandelssysteem ETS moeten repareren, zodat de uitstoot van broeikasgassen naar beneden gaat. Als het ETS werkt, kan de markt het klimaatprobleem oplossen.

WIE NIET op het ETS wil wachten, wijst naar Duitsland. Daar heeft de overheid een overtuigende keuze gemaakt voor groene energie: er wordt meer dan twintig miljard euro per jaar geïnvesteerd, bijna één procent van het bbp. De groene energiesector heeft 370.000 banen opgeleverd, en inderdaad is nu tien procent van het totale energiegebruik in Duitsland groen (in Nederland is dat 4,3 procent).

Het is een ongekende omwenteling waarmee de Duitsers veel bewondering oogsten. Maar de transitie van de oosterburen blijkt wel erg kostbaar, en dat begint te knagen (Buchan, juni 2012). Het verouderde elektriciteitsnet, en met name de verbinding tussen Noord- en Zuid-Duitsland, moet aan alle kanten worden uitgebreid om de grote hoeveelheden wind- en zonne-energie te vervoeren, waardoor de kosten van een betrouwbare elektriciteitsvoorziening in Duitsland juist stijgen en burgers nu gemiddeld 220 euro betalen voor de groene elektriciteitshuishouding (de Volkskrant, 16-10-2012 op basis van cijfers van de 4 netbeheerders; European Energy Review, 12-07-2012).

De kosten van de Duitse Wende vormen een dankbaar argument voor opinieleiders en politici die vinden dat Nederland überhaupt niet voorop moet lopen in het experimenteren met zoiets vaags als een ‘transitie’. Het feit dat de transitie naar duurzame energie in Nederland langzaam gaat, dat 0,03 procent van het bbp naar groene energie gaat, heet nu ‘slim’ of zelfs ‘verschrikkelijk efficiënt’. Wie wacht, kan leren van de fouten van anderen (lees: de Duitsers). Wij kunnen groene stroom beter en goedkoper importeren uit Noorwegen, Duitsland of Spanje, schreef VVD-energiewoordvoerder René Leegte onlangs in een opiniestuk in de Volkskrant (Opinie & Debat, 14-01-2013). ‘Dit land kan met zijn gasstrategie van onschatbare waarde zijn, want ook in de andere landen zijn er momenten dat de wind onvoldoende waait, of de zon net even niet schijnt.’

Gascentrales kunnen dan snel aan en uit worden gezet, omdat ze flexibeler zijn dan kolencentrales. Ze zijn daarom de ideale partner van groene energiebronnen zoals wind en zon, die een wisselende hoeveelheid energie leveren. Gas is Hollands, het is relatief schoon en het is een ‘transitiebrandstof’: we zouden er keihard op moeten inzetten en met de gasrotonde hébben we dat ook gedaan. Het feit dat de gasrotonde geboren werd uit angst voor tekorten, en in die zin niets met groene energie te maken had, wordt in dit soort betogen meestal achterwege gelaten.

ZO ONTSTAAT een beeld van een overheid die wel degelijk consequent energiebeleid heeft gevoerd, en zichzelf daar nu voor op de borst klopt. Toch zijn er ook onbedoelde gevolgen. De energieproducenten houden een stevige kater over aan hun besluit om met z’n allen tegelijk nieuwe centrales te bouwen (zie e.g. GDF Suez in Energeia energienieuws, 31-10-2012). Door de ontstane overcapaciteit zijn de marges op elektriciteitsproductie momenteel erg laag: de bedrijven moeten stevig afschrijven op hun investeringen, terwijl hun portefeuille van centrales de komende jaren minder geld oplevert. Hun investeringsbereidheid is momenteel minimaal, zeggen de bestuursvoorzitters van E.ON Benelux en GDF Suez in het FD. (03-10-2012). Deze bedrijven hebben er nu geen belang bij om in Nederland te investeren in nieuw duurzaam vermogen: dat zou de business case van de bestaande centrales alleen maar verder onder druk zetten (CE Delft, 2009: 18; D-cision, 2010: 39; Jepma in Korsten et.al., 2010: 80). Het is een direct gevolg van Brinkhorsts uitnodiging aan de kolenbedrijven in 2004, al herkent hij zich niet in die constatering. ‘Ik heb geen dingen gedaan die het proces van verduurzaming in de weg hebben gestaan’, zegt de oud-minister. ‘Ik heb de structuur van de markt verbeterd.’

De facto zullen de drie nieuwe kolencentrales de opkomst van groene energie wel degelijk bemoeilijken. ‘In de Eemshaven en op de Maasvlakte wordt voor meer dan vijf miljard geïnvesteerd in de nieuwe kolencentrales’, zegt voormalig VROM-minister Hans Alders, tegenwoordig voorzitter van Energie-Nederland, de branchevereniging van de energiebedrijven. ‘De bedrijven verdienen dat geld alleen terug als ze meer dan veertig jaar kunnen produceren. Dus er is een grote druk om dat te doen. Als zo’n investering is gedaan, kun je hem niet zomaar even terugdraaien.’

Dit wordt wel het ‘lock-in’-effect genoemd: de centrales die nu worden neergezet, staan er voor nog ten minste veertig jaar en ze halen het hoogste rendement als ze volle bak kunnen doorkachelen (zie e.g. Guardian, 09-11-2012; D-cision, 2010: 33). Alles wat de winstgevendheid van een nieuw gebouwde centrale onder druk kan zetten – een andere centrale, of veel windenergie – is vanuit die centrale gezien ongewenst (zie e.g. Kema, september 2010: 54).

Dat was goed te zien toen een alliantie van bedrijven met grote belangen in gas – Shell, Eneco en het Deense Dong Energy – samen met milieu-organisatie Natuur Milieu een lobby voerde voor een kolenbelasting. Die belasting zou niets veranderen aan de CO2-uitstoot of aan de elektriciteitsprijs, maar de fiscus 115 miljoen euro (Cijfer Financiën memorie van toelichting, juni 2012: 18) opleveren en de centrales van de kolenbedrijven iets minder winstgevend maken. Toen de kolentaks in het voorjaar van 2012 werd beklonken in het Lenteakkoord klaagden de kolenstokers steen en been over deze ‘botte lastenverzwaring’. De belasting zou ten koste gaan van duurzaamheid, vreesden E.ON, RWE Essent en GDF Suez (zo blijkt uit een lobbystuk dat ze naar de formateurs van Rutte 2 stuurden, in handen van De Groene, zie ook NOS, 21-09-2012). Kolencentrales zouden door de belasting minder draaiuren gaan maken ‘waardoor ook de meestook van biomassa in elektriciteitscentrales afneemt’. Nederland zou trouwens ook meer stroom moeten gaan importeren, wat ten koste zou gaan van de werkgelegenheid (zie e.g. persbericht Abvokabo FNV, 1 oktober 2012). Op deze manier ‘kwam er geen windmolen bij’, zei E.ON Benelux-CEO Rolf Fouchier, want de energieproducenten zouden geen geld overhouden voor investeringen in groen (FD op basis van eigen Energiedebat, 29-06-2012). Zwaar overdreven, zegt Ron Wit van Natuur Milieu. ‘Uit alle analyses – ook die van de kolenbedrijven zelf – bleek dat er geen grote verschuivingen in de markt zouden optreden door de kolenbelasting. Het was mogelijk dat de oude kolenbakkies wat minder gingen draaien, meer niet.’

De kolenbelasting is ingevoerd per 1 januari 2013, maar er zijn duidelijke signalen dat deze binnenkort weer zal verdwijnen. Jarenlang gehannes om één maatregel die eenmaal afgesproken direct weer ter discussie staat: het is kenmerkend voor prestaties van ‘groene’ belangen. Pragmatische spelers als Natuur Milieu moeten de politiek langdurig belobbyen om halfzachte, verre van ideale maatregelen zoals de kolenbelasting ingevoerd te krijgen. Zo gauw de belangen van de energieproducenten in het geding komen, wordt fijntjes duidelijk gemaakt dat het met groene energie op deze manier niets wordt. Waren het niet de kolencentrales die biomassa bij moesten gaan stoken om het doel van zestien procent duurzame energie te halen? (zie e.g. Dagblad van het Noorden 20-09-2012; de Volkskrant, 17-10-2012).

ROND groene energie hangt een air van onvermijdelijkheid: aangezien fossiele brandstoffen opraken, worden we vanzelf wel gedwongen om over te stappen op duurzaam. Maar in tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, zijn er nog ruime voorraden aan fossiele brandstof (e.g. National Petroleum Council, 2011; Economist 02-06-2012, op basis van IEA). Volgens jaarlijkse cijfers van oliebedrijf BP, die in de hele energiesector rondgaan, hebben we wereldwijd nog voor meer dan vijftig jaar aan olie, voor meer dan zestig jaar gas, en voor ruim honderd jaar kolen (BP, 2012). Die zijn met een ware opmars bezig, vooral in China en India (BP, 2012: 5; IEA, 12-11-2012). Volgens het Internationaal Energie Agentschap zullen kolen in 2017 olie van de troon stoten als ’s werelds belangrijkste energiebron (FD, 19-12-2012; IEA, 17-12-2012). In de gaswereld heeft zich ondertussen iets opmerkelijks voltrokken: sinds een paar jaar nemen de bekende voorraden aan gas door ‘onconventionele winning’ toe, niet af.

Duurzaamheidsconsultant Jan Paul van Soest noemt de groeiende reserves – refererend aan de bekende klimaatfilm van Al Gore – een inconvenient truth voor wie denkt dat de transitie naar honderd procent duurzame energiebronnen er hoe dan ook wel komt.

In de energiesector zijn de nieuwe gaswinningen hét onderwerp van gesprek. Tijdens het Nationaal Energie Forum van november 2012 veert een CEO hoog op terwijl hij erover vertelt. ‘In Australië zijn ze bezig hun hele land om te boren op zoek naar gas. Dat gaat hard jongen, hard. Ik denk dat we minstens voor 250 jaar genoeg hebben. Ik had het er gisteren nog met Shell over: eindigheid bestaat niet meer. De technieken schrijden voort, en wat vandaag shale gas is, zijn morgen misschien gashydraten. De hele diepzeebodem ligt er vol mee.’

De gassector, kort geleden nog in de ban van mogelijke tekorten en de gasrotonde, lijkt nu bedwelmd door het wonder van schaliegas. Tijdens een debat in de statige Haagse Sociëteit De Witte wordt hoog opgegeven over de mogelijkheden daarvan: zowel voor de Nederlandse gassector als voor de chemische industrie. Keynote speaker Laurens Jan Brinkhorst, de oud-minister, vertelt enthousiast hoe de VS door de winning van schaliegas aan de vooravond staan van een industriële renaissance. In Nederland verhindert een lopend onderzoek de winning van het gas vooralsnog, net als in veel andere Europese landen. ‘We zijn zo gericht op gas van gisteren’, zegt Brinkhorst, ‘dat we kansen voor gas van morgen vergeten.’We hebben nu een gasrotonde, maar er is nog steeds werk aan de winkel – dat is de consensus onder de old boys in De Witte.

Zeker na de opmars van kolen in de elektriciteitsproductie heerst het gevoel dat gas zichzelf opnieuw moet uitvinden – wat moet je anders met zo’n gasrotonde? Nederland moet weer aansluiting zoeken bij de belangrijkste internationale ontwikkelingen en niet bang zijn om ook in schaliegas te stappen; ook in de Lage Landen zit het spul rijkelijk in de grond. ‘We hebben te lang gedacht dat de voordelen van gas voor zichzelf spreken’, zegt Gert Jan Lankhorst, ex-topambtenaar van Brinkhorst en tegenwoordig directeur van handelsbedrijf GasTerra. ‘Dat blijkt niet zo te zijn. We moeten gas nu echt gaan promoten.’


Voor de geannoteerde versie van de kaders, kijk hier.

Voor een overzicht van alle stukken in het dossier: groene.nl/energie.

Beeld: Rotterdam, E.ON-kolencentrale op de Maasvlakte. Courtesy Peter Hilz, HH.