Media

Nog even (de zaak) Aantjes

Afgelopen week hield ik in Utrecht een openbaar gesprek met Willem Aantjes (met wie in dit blad onlangs een prachtig interview), Henk Hofland en Hans Blom. Vooral de getuigenis van Aantjes werd door de aanwezigen, ook door Hofland, ontroerend gevonden. Die oude (bijna 89), broze maar glasheldere en dagelijks twitterende man die nog altijd vol zit van ‘zijn’ verhaal, zichzelf niet spaart, zijn rechter (Loe de Jong) vergeeft en tegelijkertijd overloopt van een fascinerende mix van strijdlust en berusting.

Het ging zoals het ging, was de teneur van zijn verhaal, mijn fout was niet wat ik in de oorlog gedaan heb, mijn fout was dat ik daar naderhand niet open en duidelijk over ben geweest. Toen de affaire eenmaal begonnen was, was het te laat. Voor dat ‘te laat’ moet ik tot op de dag van vandaag boeten. Terecht maar toch. Voor Loe de Jong was ik de parel die aan zijn kroon ontbrak. Die parel kon hij niet laten liggen en dat begrijp ik.
Hans Blom die als derde in de rij aan het woord kwam, gaf aan deze inzichten nog een mooie afsluiting door te stellen dat de affaire-Aantjes 'het grootste bedrijfsongeluk in de geschiedenis van het Niod’ is geweest. Aantjes koopt daar niets meer voor, de fout van destijds wordt er niet meer door hersteld, maar de geschiedschrijving is ermee gediend - zo ook het inzicht in de macht van de media en de beperkingen van het collectief geheugen.
Want dit laatste is volgens mij toch het meest interessante aan de zaak: niet de fout van De Jong of de publieke opoffering van Aantjes maar de rol van de media en de werking van de herinnering. Dit laatste blijkt uit tal van feiten, te beginnen met de toenmalige sympathie voor Aantjes. Die was destijds heel wat groter dan je op basis van het dominante beeld zou denken. Dit blijkt uit de verbijsterende hoeveelheid post die Aantjes destijds ontving en die in mappen bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme aan de Vrije Universiteit bewaard wordt. Ik heb lang niet alle brieven gelezen, daarvoor zijn het er te veel, maar ik heb er toch heel wat ingezien en een aantal steekproeven gehouden.
Op basis daarvan is slechts één conclusie mogelijk: het dominante beeld (Aantjes fout want SS en moet dus verdwijnen) is niet gelijk aan wat destijds in den lande leefde. Dit wordt bevestigd door onderzoek dat het Nipo twee jaar na de affaire hield - op een moment dat sprake was van een terugkeer van Aantjes in de politiek: 46 procent van de bevolking vond dit een goed idee, 44 procent slecht, tien procent onthield zich van een oordeel.
Maar met deze discrepantie tussen feit en herinnering ben ik er nog niet. Want ook over de beeldvorming in de media van destijds valt wel iets meer te zeggen. Op het eerste gezicht lijkt het nog eenvoudig te verklaren dat Trouw, de krant van het volksdeel waartoe Aantjes behoorde, zijn kant koos. Maar Trouw was toch ook een verzetskrant. Het vormde voor de lezers geen belemmering de partij van Aantjes te kiezen. Na plaatsing van brief nummer 77 over de zaak, op 14 november 1978 en dus ruim een week na de gebeurtenissen, meldde de krant dat hij de brievenstroom niet aankon. Enkele dagen later, op 17 november, verscheen brief nummer 130. De teneur ervan was zeer pro Aantjes.
Verbazingwekkender is dat ook in de 'linkse’ pers de stemming verre van eenduidig was. Zo schreef een parlementair verslaggever van de Volkskrant dat er al binnen 24 uur na de beruchte persconferentie van De Jong een omslag in de publieke opinie plaatsvond. Dit niet omdat Aantjes zich zo goed verdedigde, maar omdat hij in de rol van underdog werd gedwongen en daardoor mededogen opwekte. De politiek tekenaar van NRC Handelsblad drukte de keerzijde van het verhaal goed uit door op een pagina vol brieven over de zaak-Aantjes - vóór en tegen - een totaal verwarde Loe de Jong te tonen die van achteren een boemerang tegen het hoofd krijgt. Zijn bril schiet van het hoofd, zijn pen vliegt uit de hand, de das flabbert alle kanten op.
In veel kranten stonden, geschreven of getekend, vergelijkbare commentaren. Zelfs Vrij Nederland nam het in de week van de gebeurtenissen voor Aantjes op en sprak van 'een entourage, die rook naar een openbare terechtzitting’.
Toch duurde het vele, vele jaren - met om te beginnen de beroemde uitzending van Het zwarte schaap in januari 2001 - dat dergelijke nuanceringen gemeengoed werden en nog langer, tot voor kort, dat ze algemeen gedeeld worden. Gevolg hiervan is dat Aantjes tegenwoordig steeds weer uitgenodigd wordt zijn verhaal te doen. Een vorm van rechtvaardigheid? Zeker. Maar tegelijkertijd een correctie van de collectieve herinnering. De gebeurtenissen van destijds waren op alle gebied complexer dan onthouden werd.