Tentoonstelling: Aat Veldhoen

Nog steeds Aatje

Aat Veldhoen exposeert grafisch werk in het Rembrandthuis in Amsterdam. Aatje, de man die in de jaren zestig zijn eigen markt vernietigde en op zink etste, maar die zich tegenwoordig de luxe van koper kan veroorloven.

Aat Veldhoen tref ik met enige regelmaat op de Magere Brug, als ik op weg ben naar mijn arbeidsplaats en hij op weg is naar Amstel 274, want voor de politiek heeft hij altijd een brandende passie gevoeld.

Hij woont en werkt aan de Wittenburgergracht, in een vier verdiepingen tellend pand dat van de kelder tot de nok vol staat met kunstwerken: etsen, schilderijen en beeldhouwwerken. Veldhoen is een, naar eigen zeggen, «manisch creatief» kunstenaar met een onstuitbare verbeeldingskracht.

Ooit was ik een van die velen die voor drie gulden een litho van hem kocht, gedistribueerd via de bakfiets die op democratische wijze door de hoofdstedelijke binnenstad karde. Voor een vergelijkbare ets van Rembrandt was ook ik in die dagen te arm, zodat ik Veldhoen boven de schoorsteen hing, tot starre ontzetting van een Amerikaanse dame die mij was aangewaaid en die bij het zien van deze grafische paring tot het diepste pioenrood uit de geschiedenis van de beeldende kunst verschoot.

Aat Veldhoen is méér dan de man die via zijn, niet zelden aanstootgevende, vrijende paren de cultuurgeschiedenis is ingegaan. Hij is eveneens de man van Duinlandschap bij school en Zelfportret met zakdoek op het hoofd. Niettemin, of wij of hij het prettig vinden of niet, hij is de man die met grote openhartigheid de erotiek in de beeldende kunst hanteert. Er is even enige aarzeling bij het beroeren van de deurklink, die een gestileerde penis blijkt te zijn. Het dominerende schilderij in de huiskamer toont een copulerend koppel dat vrijwel verscholen gaat achter testikels in de grote herenmaten. Een deurpost verder ziet men de gewezen minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, in heur volle glorie, een eer die bij mijn weten nooit aan Marga Klompé, mevrouw Gardeniers-Berendsen noch André van der Louw beschoren is geweest.

Aat Veldhoen is een man uit de jaren zestig, een kunstenaar die sedertdien weinig is veranderd, zoals blijkt uit onder meer het feit dat hij zich, op zijn 66ste, nog steeds Aatje laat noemen. Waarom zou hij zich veranderen? Was de jonge Mozart maar de jonge Mozart gebleven, de man die in de avond van zijn leven verstarde in Duitse dansen en plichtmatige vrijmetselaarsmuziek. De Veldhoen van vroeger is, dankzij zijn befaamde collega uit de Jodenbreestraat, weer naar zijn oerbronnen teruggekeerd. Hij is in de eerste plaats etser, een kunstenaar die zich realiseert dat in het atelier van Rembrandt, dat hem vijf weken lang is uitgeleend, moet worden geëtst; Jos de suppoost, en de diverse karakteristieke types die zich over straat plegen te begeven. Nee, Veldhoen is niet veranderd. Ja, ook schildert hij tegenwoordig, en maakt hij sculpturen, werk waarvoor tot zijn verwondering weinig belangstelling bestaat. En hij is nog steeds een man met radicale meningen over mens en maatschappij, het socialisme en het koningshuis. Ik diepte uit de archieven een antiquarisch interview uit De Nieuwe Linie-zaliger-nagedachtenis op, waarin hij zijn mening etaleert over «dat zooitje uitzuigers-parasieten», representanten van het «allerslechtste van het slechte». Je zit bij hem, op de Wittenburgergracht, geen vijf minuten op de bank of er wordt reeds gesproken over het «wandelend vriesvak» van paleis Noordeinde, de aanstaande schoonmoeder van een zekere «temeie» van Zuid-Amerikaanse herkomst. In het programma van Frits Barend en Henk van Dorp tekende hij vanuit de heup een naaktportret van onze geliefde vorstin, zich willens en wetens bloot stellend aan de sancties van de artikelen 111 en 112 van het Wetboek van Strafrecht, die niettemin niet op hem van toepassing zijn, want in het liberale Nederland wordt een Voltaire niet gearresteerd, behalve als hij onze aanstaande vorst een idioot of een imbeciel heeft genoemd, kwalificaties waaraan geen oprecht vaderlander — ook Aat Veldhoen niet — zich zal wagen. Hij spreekt onbevangen over prins Willem de Domme, de man wiens doctoraalscriptie nog steeds als een staatsgeheim wordt bewaakt, constateringen die nog net binnen de ons gegunde grenzen van de vrijheid van meningsuiting vallen.

Hij is, qua verschijning en habitus, een typische Amsterdammer, hij is misschien zelfs wel een onderdeel van die veelgesmade hoofdstedelijke grachtengordel, waarvan Theo van Gogh eens heeft gezegd: «Wat zeuren ze toch de hele tijd over de grachtengordel? Daar vind je de creatiefste en interessantste mensen van Nederland!» Zoals Rembrandt, Veldhoens bewonderde voorbeeld, de bewoner van perceel Jodenbreestraat 4. «Ik verhoud me tot Rembrandt als een erwt tot een watermeloen», zegt Veldhoen, maar iedereen die ogen heeft om te kijken kan op de Veldhoenexpositie in het Rembrandthuis constateren dat de kunstenaar véél te bescheiden is. Waar is trouwens die roemruchte prent uit 1975 gebleven waarop men de toenmalige koningin in innige omstrengeling zag met de toenmalige premier en de toenmalige burgemeester van Amsterdam? Het is ongetwijfeld een matige tekening, die evenwel een rol heeft gespeeld in Veldhoens biografie, al was het alleen al omdat ze zijn grondige hekel aan het koningshuis illustreert. Niettemin ontbreekt de tekening op de tentoonstelling. Belangstellenden verwijs ik naar catalogusnummer 111, waar de prent is terug te vinden, op postzegelformaat, zodat het geen kwaad kan een vergrootglas bij de hand te houden.

Eerst was Veldhoen graficus, toen werd hij schilder, nu is hij, dankzij Rembrandts gastvrijheid, weer graficus, al vermoed ik dat zijn etsen inmiddels een centje meer kosten dan de drie gulden die hij in 1964 vroeg. Hij had daar in die tijd een sociale theorie over. Volksgrafiek moest het worden, tegen ramsjprijzen op de markt gebracht, zodat in een klap de kunstmarkt zou worden vernietigd. Helaas, daar waren vergelijkbare acties van zijn collega’s Wijnberg, Corneille, Appel, Westerik en Lucebert voor nodig — en die keken wel mooi uit. Dus de enige markt die Veldhoen vernietigde was die van hemzelf, want zijn reguliere werk was plotseling niet meer aan de straatstenen te slijten. Waarom zou je vandaag een ets van driehonderd gulden kopen, als je voor een vergelijkbare ets gisteren drie gulden hebt betaald?

Zo belandde Aat Veldhoen in de contraprestatie, armer dan ooit, groot kunstenaar, maar een weinig begaafd econoom.

Nu, een halve carrière later, is hij naar eigen zeggen rijk. Daar bedoelt hij desgevraagd mee dat hij vroeger op zink etste, terwijl hij zich tegenwoordig de luxe van koper kan veroorloven.

Nu de kopers nog!

De expositie Veldhoen, het grafisch werk is tot

6 januari 2002 te bezichtigen in het Rembrandthuis te Amsterdam