Het imago van Nederland Geschaad?

Nog steeds een sterk merk

Ophef over ons ‘internationale aanzien’ dient vooral handelsbelangen en binnenlandse politieke doeleinden. Maar toch: Nederland scoort slecht in de Arabische wereld en door terugtrekking uit Afghanistan worden opdrachten niet verlengd.

‘Door de Turkse premier Erdogan een “total freak” te noemen, beschadigt Geert Wilders het Nederlands belang’, zei Jan Peter Balkenende in het jongste wekelijkse Gesprek met de minister-president. Zulke uitlatingen kunnen 'ten koste gaan van de werkgelegenheid in ons land’, aldus de demissionaire premier. Zijn collega Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken was hem een paar dagen eerder voorgegaan door te verklaren dat Wilders 'de reputatie van Nederland in de wereld’ aantast.
Zoals ieder land maakt Nederland zich bij tijd en wijle druk om zijn aanzien in de wereld. En net als elders wordt dit openbaar handenwringen meestal gevoed door interne problemen. Wezenlijke vragen worden vermeden. Welk aanzien heeft Nederland precies? In wiens ogen? En in hoeverre moeten we ons daarvan iets aantrekken? Een goed voorbeeld is het rampzalig verlopen optreden in Srebrenica. In ons land waren de beschuldigingen van slapheid en medeplichtigheid jarenlang niet van de lucht. Hadden de demonstrerende Bosnische weduwen niet gelijk dat Nederland medeplichtig was aan genocide?
Buitenlanders herinneren zich de val van Srebrenica als episode in een mislukt Europees optreden op de Balkan. 'Internationale waarnemers en het grote publiek in westerse landen beseffen dat het drama in Srebrenica onderdeel was van een Europa-wijd falen en dat de Nederlandse politiek en de Nederlandse militairen net zo goed slachtoffers waren van dat geknoei’, zegt Aurélie Basha i Novosejt, deskundige in internationale betrekkingen bij The Hague Centre for Strategic Studies, afkomstig van de Balkan: 'Het treft mij juist dat men in veel landen vindt dat Nederland, in tegenstelling tot andere betrokken landen, zijn eer heeft gered doordat de regering erover gevallen is. Nederlanders mogen klagen dat het te laat en te weinig was, maar in andere landen waardeert men het dat Nederlandse politici tenminste ter verantwoording zijn geroepen, iets wat men in eigen land mist.’
Meestal dient de ophef over ons 'internationaal aanzien’ vooral economische belangen of binnenlandse politieke doeleinden. Vandaag staat hij overduidelijk in het teken van de worsteling van politiek Den Haag met het verschijnsel Wilders. Terwijl Nederland zijn bondgenootschappelijke plicht ingevolge artikel 5 van het Noord-Atlantisch Handvest verzaakt door zich terug te trekken uit Afghanistan maken rechtse ministers, linkse Kamerleden, multiculti-instituten en werkgeversorganisaties zich druk om de schade aan ons internationaal imago door toedoen van de blonde schrik uit Venlo.
Zijn we het contact met de buitenwereld dan helemaal kwijtgeraakt? Als The New York Times spreekt van een 'beschamende vertoning voor Nederland’, doelt de krant niet op Wilders, maar op het besluit tot terugtrekking uit een legitieme en noodzakelijke Navo-operatie. Ook andere deelnemende landen beseffen dat de operatie waarschijnlijk een aflopende zaak is. De Duitsers hebben het er al langer moeilijk mee. Maar zoals voormalig bondskanselier Helmut Schmidt onlangs verklapte na een rondetafelgesprek van oud-politici met Angela Merkel is men in Berlijn unaniem van mening dat de afbouw een gezamenlijke stap moet zijn, geen Alleingang van de Duitsers. 'Dieser Krieg ist nicht zu gewinnen’, sprak hij, 'maar een terugtrekking is alleen denkbaar samen met de Amerikanen.’

Waarover is de demissionair minister van Buitenlandse Zaken nu zo ongerust dat hij de Afghanistan-verwikkelingen verdringt? Maxime Verhagen uitte zijn bezorgdheid naar aanleiding van een recent onderzoek naar de internationale beeldvorming over Nederland dat zijn ministerie in vijftien 'focuslanden’ liet uitvoeren. Dat onderzoek richtte zich op landen die in hun regio een voortrekkersrol spelen en landen waarmee Nederland een sterke historische band heeft of goede economische betrekkingen onderhoudt. Het bleek dat Nederland nog steeds een 'sterk merk’ is en dat het zich in naamsbekendheid kan meten met de grote Europese landen. De bevolking in de genoemde landen geeft Nederland een rapportcijfer tussen de 6- en 8+. Het hoogste cijfer komt van Brazilië.
Opvallend is dat Nederland het laagst scoorde in de drie landen waar de bevolking in meerderheid uit moslims bestaat: Indonesië, Turkije en Egypte. Hier geven zowel opinieleiders als de bevolking aan Nederland niet te waarderen in termen van 'morele waarden’ en 'respect voor andere religies’. Verhagen vond de uitslag 'deels teleurstellend’ omdat dit laatste beeld 'haaks staat op onze kernwaarden: mensenrechten en tolerantie. Daarom spreken Nederlandse diplomaten de bevolking in het buitenland, met name in de moslimwereld, steeds vaker rechtstreeks aan.’ Vervolgens stelde hij dat Geert Wilders 'angst en haat’ zaait: 'Hij opereert niet opbouwend. Hiermee beschadigt hij de reputatie van Nederland in de wereld.’
Daar kwam de aap uit de mouw: Geert Wilders beschadigt onze handelsrelatie met islamitische landen, inzonderheid in de Arabische wereld. Op dat thema hamert ook al jaren Bernard Wientjes (66), fabrikant van wc-potten te Roden (Dr.) en voorzitter van werkgeversverbond vno-ncw. Reeds in 2008 pleitte Wientjes voor een verbod op de film Fitna. Vorige week zei hij voor de zoveelste maal dat Geert Wilders Nederland 'op een geweldige manier’ beschadigt. 'Zoals hij zichzelf laatst in Londen presenteerde als toekomstig premier van Nederland en vervolgens de Turkse premier Erdogan uitschold. Dat is ongehoord’, aldus Wientjes in de Volkskrant: 'De Engelse pers was diep geschokt over die vertoning, die de hele wereld over ging.’
Om te beginnen was de Engelse pers helemaal niet geschokt. The Guardian, The Times en The Telegraph vermeldden de uitspraak van Wilders over Erdogan niet eens. The Telegraph drukte zelfs een opinieartikel af waarin Wilders werd uitgeroepen tot 'nieuwe Willem van Oranje’ die de geestelijke vrijheden van het Westen, de vrijheid van meningsuiting voorop, verdedigt tegen censuur en zelfcensuur die ontstaan onder druk van islamitische landen, terroristen en pressiegroepen. Vergelijk dat eens met de echte schok die door de Britse media ging toen burgemeester Ken Livingstone van Londen in 2004 de radicale Egyptische sjeik Joesoef al-Qaradawi als officiële gast ontving. Zelfs de bbc had moeite de bovenlip stijf te houden. Wilders is een clown, maar een nuttige clown, zo lijken veel Conservatieven aan de overzijde van het Kanaal te denken. Dat hij openlijk tegen de Europese Unie en 'Brussel’ ageert, maakt hem in hun ogen alleen maar nuttiger.

En waaruit blijkt nu precies de handelsschade die Nederland oploopt door Wilders? 'Nederlandse bedrijven in islamitische landen bellen ons met hun zorgen’, laat Wientjes via een woordvoerder weten: 'Ik word er ook op aangesproken, bijvoorbeeld door collega’s in het buitenland. Aantasting van het imago gaat langzaam, het is een sluipend proces, maar als het een bepaald punt passeert is het moeilijk te corrigeren.’ Wientjes is, met andere woorden, bevreesd voor 'Deense toestanden’. Dat blijkt ook uit zijn antwoord op de vraag of het verbieden van een film niet op den duur grotere imagoschade aan ons land toebrengt dan het toestaan ervan: 'Onze zorg ten tijde van Fitna waren de vele duizenden, deels Nederlandse werknemers bij Nederlandse bedrijven in islamitische landen. De situatie was zeer bedreigend.’
Dat mag waar zijn, maar een land dat zich laat intimideren door, pakweg, de Organisatie van de Islamitische Conferentie (oic), waarbij 57 islamitische landen zijn aangesloten, verliest zijn reputatie van vrijheidslievendheid. De oic riep destijds meteen om een verbod op Fitna en constateerde al snel dat het Nederland 'aan politieke wil ontbrak’ om af te rekenen met de maker. Nu is de oic zo ongeveer de meest corrupte en ruggengraatloze van alle internationale instituties. Haar standpunten zijn in het geheel niet serieus te nemen, behalve als graadmeter voor de stemming onder Arabische en islamitische potentaten en de diverse religieuze sekten waarop zij steunen. Zeker, de houding van de oic is voor Nederland van aanzienlijk economisch belang. Maar de waarde van het morele en politieke oordeel van deze organisatie, die zich nimmer serieus om godsdienstvrijheid of welke vrijheid dan ook bekommert, is nul.
Een soortgelijke episode uit 1980 is leerzaam. Toen probeerden de liberale ministers Hans Wiegel en Neelie Smit-Kroes de uitzending van de bbc-documentaire De dood van een prinses (over de onthoofding van een Saoedische prinses wegens vermeend overspel) door de nos tegen te houden met het argument dat de prille Saoedische democratie erdoor in gevaar kwam. In werkelijkheid stonden er natuurlijk handelsbelangen op het spel. De uitzending ging door en werd door vijf miljoen kijkers bekeken. Islamitische organisaties riepen op tot boycots, maar daar kwam niets van terecht. Belangrijker is dat de vrijheid van meningsuiting zegevierde. Hoeveel grimmiger is de sfeer tegenwoordig, nu een man als Wientjes oproept om eventuele schade aan de Nederlandse handel te verhalen op Geert Wilders persoonlijk. Als dat doorgaat, zou de vrijheid van meningsuiting voortaan alleen bestaan voor wie het betalen kan.
Vooralsnog lijdt Nederland vooral aanwijsbare economische schade door zijn terugtrekking uit Afghanistan en door de algehele indruk van ingekeerdheid en provincialisme die daaruit ontstaat, meent Dick Scherjon, lid van de vno-ncw-werkgroep die zich richt op de wederopbouw van Afghanistan en werkzaam bij Rabobank Nederland: 'Het is direct merkbaar omdat opdrachtgevers grote opdrachten niet verlengen. Deel uitmaken van het internationaal overleg is minder vanzelfsprekend en daardoor missen we kansen, ook voor Nederlandse bedrijven. Dat betekent op de korte termijn: verlies van banen in Nederland. In het buitenland wordt niet begrepen waarom we ons halsoverkop terugtrekken uit Uruzgan. Onze politici hebben te weinig nagedacht over de naam die Nederland heeft opgebouwd door wat we de afgelopen jaren in deze regio hebben bereikt. Projecten voor wederopbouw in post-oorlogsgebied zijn belangrijk. Nu zijn alle energie van de afgelopen jaren en de goede reputatie die we ermee hebben gekregen in één klap weg.’
Aurélie Basha i Novosejt hoopt niet dat Wilders’ 'simplistische, polariserende boodschap’ door de rechter verboden wordt, omdat je daarmee de democratie alleen maar verder aantast. Ze spreekt waarderend over de Deense premier Rasmussen, die op het hoogtepunt van de cartooncrisis van 2006 de poot stijf hield en zich enerzijds distantieerde van de cartoons, en anderzijds de vrijheid van meningsuiting als onaantastbare Deense waarde verdedigde. Basha i Novosejt: 'Een verbod lost het probleem ook al niet op omdat Wilders’ optreden slechts een symptoom is van iets wat in heel Europa gaande is.’ Overal timmeren antivreemdelingenpartijen aan de weg. In Frankrijk eindigde Jean-Marie le Pen als tweede in de presidentsverkiezing van 2002, in Groot-Brittannië werd de United Kingdom Independence Party tweede bij de Europese verkiezingen van 2009. In Oostenrijk regeerde de fpö van wijlen Jörg Haider zelfs een tijdje mee, net als wijlen Pim Fortuyns lpf in Nederland, wat in beide gevallen overigens hun electorale neergang inluidde.
Basha i Novosejt vindt het intussen wel een 'aanfluiting voor Den Haag, een stad die zich graag profileert als hoofdstad van het internationaal recht, dat een extremistische partij nu de op één na grootste in de gemeenteraad is geworden. Dat leidt tot een politiek van de dorpspomp die wel erg schril afsteekt bij kosmopolen als Londen of Brussel.’ Frits Huffnagel, wethouder Citymarketing en Internationale Zaken in Den Haag, spreekt haar echter tegen. Huffnagel kent het beeld dat de ruim dertigduizend expats in Den Haag hebben van Nederland en constateert dat de schermutselingen rond Wilders 'nauwelijks invloed hebben op het bestaande idee over ons land’. Hij zegt dat het vestigingsklimaat vooral wordt bepaald door praktische zaken als huisvesting, onderwijs, recreatie, goede voorzieningen en veiligheid: 'Een negatief verband tussen het politieke klimaat en de vestiging van internationale bedrijven is nooit aangetoond. Onze politiek is niet of nauwelijks een issue en heeft geen concrete invloed op ons imago. Buitenlanders verbazen zich soms eerder over hoe het winkelpersoneel zich opstelt dan over wat er speelt op het Binnenhof.’
Het is een waarheid als een koe: de Nederlandse reputatie verschilt al naar gelang wie je spreekt. Het beïnvloeden van de reputatie hangt af van wie je aanspreekt. Behalve de rug recht houden als het gaat om de vrijheid van meningsuiting kan Nederland niet veel meer doen dan wat Buitenlandse Zaken al sinds 2005 doet: een 'pro-actieve strategie’ voeren om positieve beeldvorming in het buitenland te bevorderen. Deze 'publieksdiplomatie’ boort via social diplomats contacten aan met opinieleiders, non-gouvernementele organisaties en onafhankelijke instellingen. Ook wordt gebruik gemaakt van het internet en van bezoekprogramma’s voor toekomstige leiders en journalisten.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft drie regionale knooppunten voor zulke publieksdiplomatie opgezet: in Washington, Peking en Caïro. De bedoeling is dat vanuit deze locaties snel gereageerd wordt op incidenten en op langere termijn het imago van Nederland in de regio wordt versterkt. En dat is niet alleen van belang in de Arabische wereld. De afdeling Washington is bepaald niet te benijden. Zij moet uitleggen dat Nederland in Afghanistan de boel de boel laat omdat Mr. Balkenende en Mr. Bos het niet eens werden over een brief. En dat de laatste niet meer aanspreekbaar is omdat hij nu op zijn kinderen past.