Argumenten voor een nieuwe economische orde

Nogmaals: het einde aan de groei

Sinds de industriële revolutie heerst er een koppig streven naar economische groei. Een onmogelijke missie nu het einde van de voorraad fossiele brandstoffen nadert. Het is de hoogste tijd dat ook de academische en politieke elites inzetten op duurzame ontwikkeling.

DE NEGENTIENJARIGE Brit Charlie Young is een van die mensen van wie je bij de eerste ontmoeting denkt: die gaat iets bijzonders doen met zijn leven. Het uiterlijk van een jonge Oscar Wilde, de eruditie van een professor literatuurwetenschappen, de bevlogenheid van een burgerrechtenactivist - en nog aardig en bescheiden ook. Young heeft de topuniversiteiten in ieder geval voor het uitzoeken en twijfelt voor zijn gecombineerde studie van milieukunde en economie nog tussen Harvard en Yale. Het is hem om het even, bekent hij. ‘Het klinkt misschien wat onbescheiden, maar ik ga naar wie me de hoogste beurs biedt.’
Young heeft na zijn eindexamen in Londen een sabbatical ingelast, een tussenjaar dat hij geheel wijdt aan wat hem het meest na aan het hart ligt: het terugdringen van de klimaatopwarming. Daarvoor zal alles anders moeten, realiseert hij zich. Young wil de wereld veranderen: 'We moeten het financiële stelsel hervormen, de inkomensongelijkheid aanpakken en economische groei inruilen voor duurzame ontwikkeling.’ En dat moet allemaal snel gebeuren: 'De gevolgen van menselijke CO2-uitstoot zijn al onomkeerbaar’, weet Young. 'Alles wat erbij komt, vergroot de ecologische en humanitaire ramp.’
Het besef dat het nu of nooit is, voerde Young begin dit jaar naar de Verenigde Staten, 'want daar zal de sociale verandering moeten beginnen. Niet alleen omdat Amerika nog altijd de toon zet in de wereld, maar ook omdat het verzet tegen verandering er het grootst is.’
Met interesse, maar ook met afgrijzen, volgt Young het politieke debat in Washington DC, waar de Republikeinen hun in november verworven meerderheid in het Huis van Afgevaardigden gebruiken om nieuwe belastingverlagingen en bezuinigingen op de overheidsuitgaven door te drukken - dat zou immers voor nieuwe economische groei zorgen. 'Het is goed als Amerika iets aan zijn schuldenlast doet’, vindt Young, 'maar de oplossingen die de politici aandragen, hebben helemaal niets te maken met de problemen waarvoor Amerika en de wereld staan.’
Momenteel loopt Young stage bij het New Economics Institute in Londen, een denktank die voortbouwt op het denken van de econoom Fritz Schumacher, bekend van zijn boek Small Is Beautiful (1973), waarin hij pleitte voor een systeem van verschillende regionale economieën, gebaseerd op sociale en ecologische principes. De stage heeft Young naar de Berkshires gebracht, een bergstreek in de staat Massachusetts, waar de lokale bevolking dankzij een initiatief van het New Economics Institute zowel in dollars kan afrekenen als in BerkShares, de eigen munteenheid. Doel: de lokale productie opkrikken en een duurzame economie opbouwen. Young gelooft er heilig in: 'Een lokale munteenheid bevordert lokale activiteit, wat weer tot lokale relaties leidt. Waarom zou je bij Wal-Mart eieren kopen als je weet dat je buurman ze vers verkoopt? Op termijn moet dit mechanisme ertoe leiden dat een regio als deze zelfvoorzienend wordt en nauwelijks nog importeert. Daar profiteert het milieu van.’
Of Young na de zomer nu naar Harvard of Yale gaat, ook daar zal hij lokale valuta introduceren. 'Harvard Squares, of Yales, of de Realm.’ De keuze voor een academische studie is opmerkelijk, gezien Youngs haast de wereld te veranderen. Of toch niet: 'Ik geloof dat de wetenschap sociale bewegingen moet voeden. Zo moet een nieuw economisch denken samenkomen met de milieubeweging.’ Dat betekent volgens Young dat het huidige globale economische systeem op de schop moet: 'We kunnen klimaatverandering alleen stoppen als we het groeidenken overboord gooien.’

IN ACADEMIA zal Young echter niet snel een professor als de 'anti-groei-econoom’ Herman Daly tegenkomen - en al helemaal niet op de economiefaculteit van Harvard of Yale. Toen Daly, een van Youngs voorbeelden, na zijn periode bij de Wereldbank (1988-1994) wilde terugkeren in de academische wereld wilde geen enkele economische faculteit in de Verenigde Staten hem meer hebben. 'Ik kreeg uiteindelijk een benoeming aan de University of Maryland als hoogleraar openbaar bestuur - en alleen dankzij de inzet van twee sympathisanten binnen die faculteit’, zegt de inmiddels gepensioneerde Daly. 'De economische faculteit had geen ruimte voor iemand als ik - daar zijn ze ervan overtuigd dat het neoklassieke groeimodel de wetenschappelijke waarheid is.’
Binnen de academische wereld bouwde Daly zijn reputatie van andersdenker op in zijn 21 jaar als hoogleraar economie aan Louisiana State University en later bij de Wereldbank. Zijn ideeën raakten wijder verspreid toen hij in 1996 Beyond Growth publiceerde. Hierin betoogde Daly dat aanhoudende, onbeperkte economische groei onmogelijk, maar ook onwenselijk is. Op een zeker moment zijn de natuurlijke middelen op en zal blijken dat de mens simpelweg niet in staat is om natuurlijke middelen te vervangen. Daarom suggereert hij duurzame ontwikkeling in plaats van onbeperkte groei: 'Ontwikkeling is een kwalitatieve verbetering van het leven, terwijl groei alleen maar als doel heeft om groter te worden ongeacht of er sprake is van kwalitatieve verbetering.’ Oftewel, meer is niet altijd beter.
In Beyond Growth beschrijft Daly fraai de behandeling die een dissident van het heersende economische denken ondergaat binnen een instituut als de Wereldbank. Als senior econoom was Daly in 1992 betrokken bij de samenstelling van het rapport Development and the Environment, waarin de Wereldbank haar ideeën presenteerde over het ook toen al nauwelijks gespecificeerde begrip 'duurzame ontwikkeling’. Daly had er steeds op aangedrongen dat de economie zou worden gepresenteerd als een 'subsysteem van het milieu’. In de eindpresentatie werd het milieu echter gepresenteerd als een subsysteem van de economie. Dat maakt nogal een verschil. In Daly’s versie breekt namelijk een moment aan waarop de economie zo groot is geworden dat verdere groei anti-economisch wordt, omdat de ecologische kosten ervan groter zijn dan de baten. In de versie van de Wereldbank kon de economie oneindig doorgroeien, ongeacht de gevolgen voor het milieu.
Toen Daly om opheldering over deze keuze vroeg, antwoordde de toenmalige hoofdeconoom van de Wereldbank, Larry Summers: 'Dat is niet de juiste manier om ernaar te kijken.’ Punt. Diezelfde Larry Summers zou later onder president Clinton minister van Financiën worden, daarna president van Harvard en weer later directeur van de National Economic Council onder president Obama. 'Het lijkt alsof de wereld geprogrammeerd is om alles wat hij zegt te accepteren’, verzucht Daly.

IN SEPTEMBER 2009 presenteerde een door de Franse president Sarkozy geformeerde commissie onder leiding van de econoom Joseph Stiglitz een rapport dat suggereerde om economische groei niet meer te meten als een percentage van het bruto nationaal product (bnp). Stiglitz cum suis bepleitten om voortaan ook grootheden als welzijn, geluk en rechtvaardigheid mee te wegen. 'Hoewel er geen enkele indicator bestaat die zoiets complex als onze maatschappij kan meten’, zei Stiglitz bij de presentatie van het rapport, 'suggereren de metrieken die we nu gebruiken, zoals het bnp, een trade-off: we kunnen het milieu alleen verbeteren ten koste van groei. Maar als we een alomvattende maatstaf hadden die ook ons welzijn meet, zouden we misschien zien dat dit een valse keuze is.’
Herman Daly staat sympathiek tegenover het idee, maar kan zich er niet geheel in vinden: 'Je moet factoren als geluk en welzijn serieus nemen, maar ik zou ze onafhankelijk behandelen. Dus ik zou het bnp als een objectieve maatstaf berekenen en daarnaast welzijn of geluk evalueren middels zelfevaluerende onderzoeken. Dat correleer je dan aan het bnp - en je zult zien dat een groeiend bnp lang niet altijd tot een stijging in het welzijn leidt. Dat komt ook doordat het bnp groeiende inkomensongelijkheid niet meeweegt.’
Doorgaans wordt het bnp berekend door simpelweg de totale geldwaarde van alle binnen een economie geproduceerde goederen en diensten in een bepaalde periode te meten. Dat zou Daly anders doen. 'Ik neem het bnp en verspreid dat cijfer in twee onafhankelijke rekeningen. Dus eerst kijk je naar de fysieke groei, zoals gebruikelijk, maar vervolgens meet je de baten en kosten van die groei. Die twee rekeningen vergelijk je om te bepalen op welk groeiniveau de kosten hoger worden dan de baten.’
De impact die de groei van het bnp heeft op het milieu hoort uiteraard in Daly’s kostenkolom thuis, 'tenzij het een positieve impact betreft. Maar meestal is de impact negatief. Het ecosysteem is zeer complex - elke keer dat je het verstoort, is de kans groot dat je het verslechtert. Kijk maar wat er gebeurt als je op de bodem van de Golf van Mexico naar olie gaat boren.’
In Daly’s boekhoudmethode zullen de marginale baten van groei van het bnp hoger zijn binnen economieën van zeer arme landen, omdat groei daar zeer basale behoeften bevredigt. Dat geldt niet voor het rijke Westen: 'Bij ons is groei van het bnp al snel oneconomisch. We consumeren te veel spullen die we niet nodig hebben om te overleven, tegen gigantische kosten voor het milieu.’
Gelet op de afgelopen decennia verwacht Daly niet dat er nog iets gaat gebeuren met het voorstel van de commissie-Stiglitz: 'Begin jaren negentig waren er al hoorzittingen in de Amerikaanse Senaat over de wijze waarop het bnp wordt berekend, nota bene op voorspraak van de Wereldbank. De toenmalige senator Al Gore was een groot voorstander, maar de winningsindustrieën, in het bijzonder de grote kolendelvers, lobbyden er hard tegen. Dus, ja, dat was het einde.’ Zo gaat het steeds, is Daly’s ervaring: 'Te veel mensen hebben manieren gevonden om de voordelen van groei te privatiseren en de kosten van groei te socialiseren. Met hen gaat het goed en dat willen ze niet veranderd zien.’
De cultuur is nog altijd dat we economische groei als de oplossing voor al onze problemen beschouwen. Dat is ook nu, na de financiële crisis, het geval. 'We denken dat groei ons rijker maakt en dat als we rijker zijn, we beter in staat zijn problemen op te lossen. Nu is rijk zijn beter dan arm zijn, en ik houd geen pleidooi voor armoede, maar ik denk niet dat westerse economieën nog rijker worden door te groeien. Integendeel, elke keer dat we om wille van groei het ecosysteem verder verstoren, worden we een beetje armer.’
Vanuit academia ziet Daly in ieder geval geen oplossingen meer komen: 'De universiteiten in dit land zijn corrupt. Er is geen ander woord voor. Ze zijn verschrikkelijk duur geworden en hebben een groot deel van hun objectiviteit verloren omdat ze hun financiers niet voor het hoofd willen stoten. Vooral economen laten het afweten.’ Als uitzonderingen noemt hij voormalig IMF-econoom Simon Johnson, die zeer kritisch is over de financiële sector en de regering-Obama, en New York Times-columnist en Nobelprijswinnaar Paul Krugman. 'Die zitten ook nog in het groeikamp, maar die tonen zich tenminste bereid om de elites uit te dagen.’

OOK NIET te beroerd om de elites uit te dagen is de Amerikaanse schrijver en educator Richard Heinberg. 'Ik voel me misschien wel eenzamer dan Herman Daly’, zegt Heinberg. 'Ook ik denk dat het bnp niet onbeperkt kan doorgroeien. Maar ik ga verder dan hij: ik denk dat reële groei van het bnp niet eens meer mogelijk is.’
Volgens Heinberg is wereldwijd alleen nog sprake van enige relatieve groei: 'De bnp’s van landen als China en India groeien nog. In de VS vindt relatieve groei plaats in de vorm van bedrijven die het goed doen, zoals Apple en Google. Maar als je de economische stimulus en het lenen van de overheid buiten beschouwing laat, dan hebben we sinds 2008 geen reële groei meer gezien - en ik denk ook niet dat dit nog gaat gebeuren.’
Met deze boodschap trekt Heinberg, senior fellow bij het Post Carbon Institute in Californië, de wereld over. Meestal begint hij zijn spreekbeurten voor ngo’s, 'groene’ investeerders, milieuactivisten of andere belangstellenden met de zin: 'We kunnen niet over de economie praten zonder het over energie te hebben.’ Vervolgens legt hij uit waarom de eindigheid van ’s werelds voorraad fossiele brandstoffen betekent dat we binnen ons huidige economische systeem geen groei meer kunnen verwachten. Dit is de verkorte versie: pas sinds de industriële revolutie, toen we man- en paardenkracht vervingen door machines die op kolen en later op andere fossiele brandstoffen produceerden, kennen we serieuze economische groei. Tot dan was geld altijd verbonden geweest aan goud en zilver. Met de plots snelle economische groei was er niet meer genoeg edelmetaal om de verhoogde economische activiteit bij te benen. Dus werd de relatie tussen geld en edelmetaal losgelaten: voortaan bestond geld bij de gratie van dat mensen er waarde aan toekenden.
De manier waarop dit nieuwe geld werkte, was door leningen. Dat betekent dat geld voortaan verbonden was aan schuld, dus ook aan rente. Dat werkt prima zolang de economie groeit. Een soort piramidespel. De enorme groei van de afgelopen eeuwen was echter alleen mogelijk dankzij fossiele brandstoffen, maar die beginnen op te raken. Omdat de economie op groei gebaseerd is, moet de consument blijven consumeren en dat doet hij door zich in de schulden te steken. Dat heeft geleid tot de financiële crisis van 2008, de grootste kredietbel uit de geschiedenis. Er is geen plausibel scenario waarin alternatieve energie de afname van fossiele brandstoffen kan opvangen. Ook een land als China kan binnenkort niet meer groeien, want daar is de economie gebaseerd op kolen. En ook die worden almaar schaarser.
Wat staat de wereld te wachten als op groei gebaseerde economieën niet meer kunnen groeien? Werkloosheid, honger, politieke instabiliteit, internationale conflicten. Conclusie: we kunnen niet doorgaan met het bnp te laten groeien. In plaats daarvan moeten we een duurzame economie opbouwen, die voldoet aan drie hoofdregels: we oogsten minder vernieuwbare energiebronnen dan de natuur kan aanvullen; we oogsten in afnemende mate niet-vernieuwbare energiebronnen en recyclen deze volledig, en het afval van industriële processen mag niet schadelijk zijn voor het milieu en moet bruikbaar zijn in andere productieprocessen.
'Simpele regels’, zegt Heinberg, 'maar we breken ze momenteel alle drie.’ Een dergelijke economie is per definitie vrij klein en kent geen groei, hoogstens relatieve groei: 'Net als in een ecosysteem, waarbinnen eerst de ene dier- of plantensoort floreert, dan weer de andere.’
Zo spreekt Heinberg zich in zekere zin uit tegen de globale economie: 'Ik denk dat we in een ver verleden enorm hebben geprofiteerd van de wereldhandel toen we alleen nog luxe goederen en kennis uitwisselden, maar ik ben geen voorstander van de handel in goedkope bulkgoederen. Nu we geen goedkope olie meer hebben, vermoed ik dat daar geleidelijk een einde aan komt.’
Daarmee hebben we natuurlijk nog geen duurzame wereldeconomie gecreëerd: 'Daarvoor zullen eerst meer mensen doordrongen moeten raken van het belang ervan. Laten we in ieder geval niet aannemen dat onze politieke leiders de leiding zullen nemen. Die hebben te veel geïnvesteerd in het huidige systeem. Geen politicus zal zomaar roepen: “Laten we geen economische groei meer hebben, dank u zeer.”’ Verandering zal moeten komen vanuit door burgers geleide bewegingen, denkt Heinberg: 'Ruilinitiatieven, gemeenschappen met een lokale munteenheid, de food movement - uit die hoek moet het komen. Stel je voor, miljoenen jonge boeren die ons voedselsysteem weer lokaal maken en zo de import van fossiele brandstoffen terugbrengen.’

AL JAREN vraagt Derrick Jensen aan zijn publiek: 'Denken jullie dat deze cultuur een vrijwillige transformatie naar een verstandige en duurzame manier van leven zal ondergaan?’ Nooit zegt er iemand ja. De Amerikaan Jensen, ook wel de dichter-filosoof van de milieubeweging genoemd, heeft vijftien boeken geschreven waarin hij de hedendaagse cultuur en de destructie van het milieu bekritiseert. In zijn laatste boek, het in mei verschenen Deep Green Resistance, roept Jensen zijn lezers op tot het 'bouwen van een verzetscultuur’.
Voor mensen die de economie willen hervormen, zoals Daly en Heinberg of de idealistische student Charlie Young, heeft Jensen respect. Maar het zal niet genoeg zijn, vreest hij: 'Het probleem dat we geen oneindige groei kunnen hebben op een eindige planeet heeft meer varianten dan alleen de economie. Macht is sociopathisch. Het idee dat we simpelweg de regels van de economie zouden kunnen veranderen veronderstelt dat de economische wetenschap echt is. Maar de economische wetenschap is niet meer dan een rechtvaardiging voor de mensen op machtsposities om door te gaan met het exploiteren van de armen en het vermoorden van de planeet. Het is hun rationale ervoor.’
We moeten 'alles’ doen om de door groei gedomineerde cultuur omver te werpen, zegt Jensen: 'Rechtszaken beginnen, nieuwe filosofische beginselen introduceren, dammen opblazen. Om klimaatopwarming te stoppen, moet de energiesector dicht. Het kan me niet schelen of dat gebeurt door hervorming van het economisch systeem of dankzij de acties van dappere mannen en vrouwen die een schoon geweten willen hebben ten opzichte van de natuurlijke wereld.’
Alle oplossingen voor klimaatopwarming accepteren op enigerlei wijze het industriële kapitalisme als gegeven, constateert Jensen: 'Dat is krankzinnig: de natuurlijke wereld zou de basis moeten zijn. Die aanname komt ook van een bevoorrechte positie. Kun jij je voorstellen dat poolberen of Indiase boeren het industriële kapitalisme als uitgangspunt zouden nemen?’
De promotie van zo min mogelijk en verantwoordelijk consumeren vindt Jensen dan ook geen echt activisme - en niet alleen omdat het nauwelijks verschil maakt: 'Daarmee verzuimen we te erkennen dat onze instituten de macht hebben. Het is geen toeval dat bijvoorbeeld Al Gore in An Inconvenient Truth eerst glashelder het probleem van klimaatopwarming uitlegt en op het einde opeens onze aandacht verlegt naar onszelf en wat wij zouden moeten doen. Banden opnieuw opblazen, lampen verwisselen. En ondertussen geen woord over de macht van het bedrijfsleven, het gebrek aan democratie, of de tirannie van de groei-economie.’
Het inspireert Jensen tot het citeren van zijn vriend Lierre Keith, coauteur van zijn laatste boek: 'De taak van een activist is niet om de systemen van een oppressieve autoriteit met zoveel mogelijk integriteit te navigeren. De taak van de activist is om die systemen te ontmantelen.’
Bezien door Jensens lens zijn de pogingen van de Britse econoom Tim Jackson om de hegemonie van het groeidenken te doorbreken ongetwijfeld subversief. Jackson, hoogleraar duurzame ontwikkeling aan University of Surrey en sinds 2004 de economische commissaris in de Sustainable Development Commission van het Verenigd Koninkrijk, zet namelijk in op de financiële sector. In de 'nieuwe economie’ die hij voor ogen heeft, vormen investeringen het hart - alleen 'niet het soort investeringen die consumptieve bestedingen aanjagen’, zegt Jackson, 'maar die de ecologische activa waarvan onze toekomst afhangt, beschermen en koesteren’.
Als voorbeeld noemt hij de website Ecosia, een 'groene zoekmachine’ die tachtig procent van de advertentie-inkomsten afstaat aan een regenwoudbeschermingsproject van het Wereld Natuurfonds. 'Het is een vorm van ecologisch altruïsme, of iets dergelijks. Hoe we het ook noemen, het is een investering die niets te maken heeft met het streven naar consumptiegroei.’
De investeringen die Jackson voorstaat moeten 'transitioneel’ zijn, bijvoorbeeld in technologieën en infrastructuren met geen of een lage CO2-uitstoot. 'We moeten investeren in het idee van betekenisvolle welvaart, waarbij we mensen de mogelijkheid bieden te bloeien.’ Natuurlijk hebben dergelijke investeringen ook een materiële component, erkent Jackson: 'Het zou onzin zijn om het over bloeiende mensen te hebben als ze geen eten, kleding of onderdak hebben. Maar ook sociale aspecten van het leven als familie, vriendschap en deelname aan de maatschappij vereisen investeringen - in concertzalen, parken, tuinen, bibliotheken, musea en speeltuinen. Investeren is tenslotte een zeer basaal economisch concept: het legt een relatie tussen het heden en de toekomst.’
Het is de taak van het bedrijfsleven en de civiele maatschappij om dit uit te voeren, stelt Jackson. 'Maar zonder politiek leiderschap zal het niet gebeuren.’
Dit is overigens niet slechts een westerse postmateriële fantasie, haast Jackson zich te zeggen: 'Het is duidelijk dat het Westen de verantwoordelijkheid heeft om de twee miljard armen op aarde uit de armoede te helpen. Het is ook duidelijk dat we dat alleen kunnen doen als we in de rijkere landen een maatschappij kunnen opbouwen die minder materialistisch en betekenisvoller is dan het groeimodel.’
Jackson ziet om zich heen tekenen dat de cultuur rijp wordt voor een transitie naar het soort economie dat hij voor ogen heeft. 'Ik hoor gesprekken die radicaal anders zijn dan een paar jaar geleden’, zegt hij. 'Ik zie interessante voorstellen over hoe we het functioneren van nationale economieën kunnen meten, zoals dat van de commissie-Stiglitz. Ik zie meer belangstelling voor welzijn in het algemeen. Op lokaal niveau zie ik innovaties in allerlei sectoren, zoals landbouw, finance en voedsel - dat geeft hoop.’

'DE TECHNISCHE en economische problemen verbonden met het verwezenlijken van duurzaamheid zijn niet moeilijk te overwinnen’, schreef Daly in zijn eindconclusie van Beyond Growth. 'Wel moeilijk is het overwinnen van onze verslaving aan groei als de verkozen manier om ons creatieve vermogen aan te wenden, en de idolate overtuiging dat ons creatieve vermogen autonoom en oneindig is.’
Willen we werkelijk een einde maken aan armoede, dan zullen we moeten erkennen dat ons creatieve vermogen wel degelijk begrensd is - namelijk 'door de groei van het verbruik van middelen per persoon, door de bevolkingsgroei en door de groei in ongelijkheid’. De oplossing van armoede is vervolgens 'pijnlijk eenvoudig’: door de bevolkingsgroei te stabiliseren, rijkdom en inkomen te herverdelen en duurzame productiemethodes te creëren. 'Kortom, niet door groei maar door ontwikkeling.’ Voordat we ons daartoe kunnen zetten, besloot Daly, moeten we het falen van de verering van het groeimodel onder ogen zien: 'We mogen niet langer de groei-economie verzoeken: “Verlos mij, want u bent mijn God.”’