Ger Groot

Noirette

Het lijkt een kinderboek: harde kaft, fiks formaat, een poes met een clownsgezicht op het voorplat. In het binnenwerk glanspapier ter wille van de tekeningen. Weer veel poes- en clownsachtigen, maar af en toe breekt daarin iets unheimlichs door: sinistere silhouetten en tronies die aan halloween doen denken. Noirette van schrijver Cor Gout en illustrator Sebastien Morlighem (uitg. In de Knipscheer) is beslist geen kinderboek.

Den Haag en Scheveningen zijn het decor van de tien verhalende teksten die Gout in deze bundel heeft bijeengebracht. Dat zijn geen plaatsen die sinds Couperus in de Nederlandse literatuur rijk zijn bedeeld, maar Gouts Hofstad heeft weinig weg van de statig-sjofele sjiek van bijna een eeuw geleden. Eerder is Den Haag bij hem een onbehaaglijk droomlabyrint dat doet denken aan de expressionistische steden uit de Ufa-studio’s. Jugendstil en verlopen art deco bepalen de exterieurs. De interieurs zijn krap, sinds lang niet opgeruimd en claustrofobisch. Het is de vraag of Den Haag zich in het macabere en onwerkelijke decor wel zou willen herkennen.

Van die beelden moeten de tien verhalen van Gout het wel hebben. Meer dan te vertellen suggereren ze. Episodes rijgen zich dwalend aaneen, vaak zonder af te stevenen op een duidelijke pointe, maar sterk genoeg om opgewassen te zijn tegen de tekeningen van Morlighem, die er met de Ensor-achtige felheid van hun kleuren alleen maar beklemmender op worden. Daardoor raken de tekst en het beeld in een eigenaardig evenwicht. Ze illustreren elkaar en gaan tegelijk hun eigen gang. Anders dan bij zoveel verhalen illustraties slaat het ene genre het andere hier niet dood.

Die verwikkeling wordt nog gecompliceerder wanneer op de cd die in het boek zit ingeplakt ook het geluid erbij komt. Vijf van de tien verhalen worden daarop door Gout voorgedragen, ondersteund door soms zéér vrije geluidsmuziek, halverwege techno en de vrije jazz. Eén verhaal — veeleer een sfeertekening — komt in het boek niet voor, wel een verwante vertelling. En uit één ervan is slechts een fragment genomen. Zeven tracks dus in totaal.

Die cd komt niet helemaal als een verras sing. Gout was al bekend als zanger en songtekstschrijver, en daarnaast als radio maker, scenarioschrijver en animator van kunstzinnige cross-overs. Dat Noirette een voorbeeld van dat laatste moest worden, lag voor de hand en niet alleen het beeld maar ook het geluid heeft daarin een eigen plaats gekregen. Plotseling klinken in sommige van de door Gout voorgedragen teksten onvermoede ritmes op en wordt het proza van zijn verhalen bijna poëzie, zoals omgekeerd de verzen van Miltons zojuist door Peter Verstegen prachtig vertaalde Paradise Lost (uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep) door vrij enjambement naar het proza lijken te tenderen.

Ook in die laatste uitgave wordt het verhaal door beelden ondersteund, maar de gravures van Doré krijgen niet de zelf standigheid van Morlighems beelden. Ze blijven plaatjes bij de tekst, die daardoor van zijn kant enigszins in de weg wordt gezeten. Dorés getrouwheid perkt de speelruimte van Miltons verbeelding, vreemd genoeg, juist in. Het verhaal zo dicht op de huid zittend, lijken ze de visuele taal ervan in al hun dienstbaarheid uitsluitend voor zichzelf op te eisen.

Milton kan dat goed hebben. Zijn verzen zijn nu eenmaal soeverein en zover is het bij Gout nog niet. Niet ieder verhaal uit Noirette is even sterk, vooral niet wanneer het poë tische erin de overhand probeert te krijgen. De diepste indruk maakt de bundel wanneer hij balanceert op de rand van realisme en groteske. Dat gebeurt in het beklemmende verhaal «Weder heeft gebeld», met de bij behorende schets «Weders dode lichaam volgens Bacon» die alleen op de cd staat.

En het gebeurt opnieuw in het Scheveningse verhaal «Vrolijk en Dood», dat wellicht een uitdaging aan Herman Heijermans’ meedogenloze realisme wil zijn. Vrolijk: «Scheveningser bestaat er geen naam», en Dood: dat kan nooit een «échte» Scheveninger zijn, vanhier. Het feestje met beide families loopt uit op een drama; Dood draait de kanarie plots de nek om en beent, te midden van de consternatie, onverstoord de straat op «naar het bankje aan het begin van de Badhuisstraat. Op die plaats» — denkt hij — «is de wind ongeschut, daar haal ik mijn asem.»