Non-fictie: de geschiedenis van Nederland

NON-fictie

De Nederlandse geschiedenis In de boekenweek zijn veel boekjes op de markt gesmeten. Handzame samenvattingen, lijstjes, historische wandelingen, beschrijvingen van monumenten en de met de prachtige schoolplaten van Isings opgesierde praatjes bij de haard van de Blokkertjes. Je zou bijna vergeten dat er ook belang rijke boeken over Nederlands verleden zijn verschenen.

Jan de Vries en Ad van der Woude

Nederland 1500-1815: De eerste ronde van de moderne economische groei

Balans, 894 blz., € 25,-

Dit is alweer de derde druk van een boek dat tien jaar geleden voor het eerst verscheen, maar te midden van al die gelegenheidswerkjes kan het geen kwaad nog eens de aandacht te vestigen op deze belangwekkende economische geschiedenis. De Vries en Van der Woude beschrijven op uiterst gedegen maar toch leesbare wijze de economische ontwikkeling van de Lage Landen vanaf het einde van de vijftiende eeuw tot het einde van de Franse tijd.

De auteurs proberen in dit boek de aanpak van de Franse Anales-school te combineren met die van de Amerikaanse «new economic history». De eerste stroming vormde een belangrijke breuk met de «evenementiële» geschiedenis die zich vooral bezighield met politieke ontwikkelingen en de rol van individuen en richtte zich primair op de betekenis van geografische, sociale en economische factoren. De Anales-historici hadden vooral oog voor de continuïteit en voor traag verlopende processen, zodat zij zich met name bezighielden met het pre-industriële Europa. De nieuwe Amerikaanse economische historici, die veel meer gebruikmaakten van de economische theorie, concentreerden zich vooral op de werking van de markt en hadden dus meer oog voor dynamische ontwikkelingen. Hun aandacht ging in de eerste plaats uit naar de negentiende en twintigste eeuw.

Welke resultaten de gecombineerde aanpak van De Vries en Van der Woude opleverde laat zich niet samenvatten binnen het bestek van dit stukje. Wel wordt duidelijk dat de Nederlanden de eerste moderne volkshuishouding wa ren, met een hoge graad van verstedelijking, een hoog energieverbruik, een zeer ontwikkeld productieniveau, een hoog opleidingsniveau, een we reldwijd handelsnetwerk dat werd gedomineerd door wat je de eerste multinationals zou kunnen noemen. Hiermee vormden de Lage Landen een tijdlang de meest geprononceerde ex ponent van een economische ontwikkeling die zich in West-Europa voltrok, en waarvan de veelgeroemde Engelse Industriële Revolutie een andere belangrijke fase vormde.

Karel Davids & Jan Lucassen (red.)

Een wonder weerspiegeld: De Nederlandse Republiek in Europees perspectief

Aksant, 502 blz., € 45,-

Ook dit boek is in 1995 verschenen, al was de uitgever toen Cambridge University Press. Na tien jaar is deze bundel studies nu eindelijk vertaald. Hoewel dit boek ongeveer dezelfde periode bestrijkt als dat van De Vries en Van der Woude, vallen twee verschillen op. De hier gebundelde artikelen plaatsen de ontwikkelingen in de Nederlanden nog sterker in een Europese context. Bovendien bestrijken ze een breder terrein dan alleen de economie. Zo komen ook de politieke cultuur, de verhouding tussen kerk, staat en bevolking, de oorzaken van de hoge mate van geletterdheid, kunsthandel en technologische ontwikkeling aan bod.

Dat de Republiek vooral in de zeventiende eeuw op economisch, sociaal-politiek en cultureel gebied een uitzonderlijke positie innam, wordt door niemand betwist. Daarmee is echter nog niet gezegd in welke opzichten het land uniek was. Daarom wordt in deze artikelen de uniciteit van de Republiek op twee manieren onderzocht. Allereerst wordt per onderwerp de vergelijking met andere Europese landen gemaakt en daarnaast wordt gekeken of in de Nederlanden een samenhang bestond tussen de economische, sociaal-politieke en culturele domeinen die afweek van wat zich elders voordeed.

Deze vergelijkende methode levert interessante resultaten op, wat bijvoorbeeld blijkt uit het artikel over de relatie tussen de mate van geletterdheid, de rol van de godsdienst en de economische ontwikkeling. Vaak wordt de hoge graad van alfabetisme in de Nederlanden toegeschreven aan de Reformatie, toen het zelf lezen van Gods woord ineens heel belangrijk werd. Margaret Spufford laat zien dat dit niet zo eenvoudig ligt, aangezien het alfabetisme in het eveneens «ketterse» Duitsland en Schotland aanzienlijk minder was.

Handel lijkt een veel belangrijker factor, hetgeen blijkt uit de hoge mate van geletterdheid die in Italië en de Zuidelijke Nederlanden al eerder waarneembaar was. Dat na de zestiende eeuw Noord-Europa het zuiden voorbijstreefde waar het ging om de mate van geschooldheid van de bevolking, heeft dan ook alles te maken met het feit dat het zwaartepunt van de internationale handel verschoof en zich een tijdlang in de Nederlanden bevond.

Willem Frijhoff en Maarten Prak (red.)

Geschiedenis van Amsterdam. Deel II-2: Zelfbewuste stadstaat 1650-1813

SUN, 582 blz., € 44,50

De zeventiende-eeuwse Republiek der Nederlanden mocht dan gelden als een wonder, Amsterdam werd en wordt, zeker door haar inwoners, gezien als wonder boven wonder. In het begin van deze tweede helft van deel 2 (wijlen Loe de Jong heeft wel wat op zijn geweten) van deze schitterend uitgevoerde serie bevindt de stad zich op het hoogtepunt van haar macht en invloed. De haven wemelt van de schepen, de vierde grote stadsuitbreiding vindt plaats, het stadhuis wordt voltooid, Rembrandt schildert zijn weergaloze portretten en er wordt grof geld verdiend.

Maar na een hoogtepunt wordt het altijd minder, zodat dit deel vooral het verhaal van een zeer geleidelijke neergang is. Er wordt veel aandacht besteed aan de economische ontwikkeling en aan de gevolgen die deze had voor de sociale verhoudingen. De snel rijk geworden bovenlaag van regenten begon zich steeds meer af te sluiten voor het mindere volk en het aantal paupers nam snel toe. Toch bleef Amsterdam voorlopig een zeer rijke stad met een belangrijke culturele uitstraling. Helaas wordt in dit boek juist aan dat laatste relatief weinig aandacht besteed. De enorme productie aan kunst, de kunsthandel en het vermaarde boekenbedrijf komen er wat bekaaid af. De overvloedige illustraties vergoeden echter veel.

Th. van Deursen

De last van veel geluk: De geschiedenis van Nederland 1555-1702

Bert Bakker, 372 blz., € 35,-

De drie bovengenoemde boeken weerspiegelen duidelijk de stand en richting van het hedendaagse historisch onderzoek. Veel aandacht voor economische en maatschappelijke structuren en processen en het overvloedig gebruik van kwantitatief materiaal. Individuele mensen worden slechts af en toe naar voren gehaald om bepaalde ontwikkelingen te illustreren. Ook de politiek speelt een ondergeschikte rol. Het gaat wel over staatkundige ontwikkelingen en de rol van instituties, maar voor het drama en de hoofdrolspelers is weinig ruimte. Hoezeer deze boeken onze kennis van het verleden ook vergroten, hoe belangrijk ze ook zijn bij het uit de weg ruimen van misvattingen en mythes, een voor het brede publiek te verteren verhaal leveren ze niet op.

Wat dat betreft is Van Deursen een «ouderwets» historicus, die wel een verhaal vertelt, bij wie de politiek en het handelende individu nog meetellen en die veel aandacht besteedt aan de inhoudelijke kant van de godsdienstige ontwikkelingen. In tegenstelling tot veel «moderne» historici behandelt hij de religie niet louter als sociaal bindmiddel of factor in maatschappelijke processen, maar gaat hij serieus in op wat de mensen geloofden en de onderwerpen waarover zij zich zo druk maakten.

Er is de afgelopen weken veel gesproken over de gebrekkige kennis van de Nederlandse geschiedenis en over de funeste gevolgen die dit heeft voor de nationale identiteit. Voor wie jonger is dan pakweg een jaar of veertig en dus op last van de onderwijsvernieuwers uit de jaren zestig en zeventig nooit is lastig gevallen met «vaderlandse geschiedenis», is dit boek een absolute must. Voor de oudere landgenoten is het een bijzonder leerzame en aangename opfriscursus.

Ronald de Graaf

Oorlog, mijn arme schapen: Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog, 1565-1648

Van Wijnen, 686 blz., € 69,50

Tijdens de lessen vaderlandse geschiedenis vormde de Tachtigjarige Oorlog het onmiskenbare hoogtepunt. De slagen bij Heiligerlee en op de Mokerhei, de watergeuzen voor Den Briel, de bloedbaden van Naarden en Zutphen (door de katholieken te vervangen door de martelaren van Gorcum), het desastreuze beleg van Haarlem, de victorie van Alkmaar en Leidens Ontzet, het turfschip van Breda, de slag bij Nieuwpoort en de Stedendwinger – het was één meeslepend, heroïsch verhaal. Zodra je je er iets meer in ging verdiepen, bleek het wat ingewikkelder in elkaar te steken en werd duidelijk dat er nogal wat duistere kanten aan zitten. Maar dat het een cruciale periode in de geschiedenis van dit land was geweest, dat was zonder meer duidelijk.

Wat dat betreft lijkt de ondertitel van het boek van De Graaf enigszins misplaatst. Hoezo «andere kijk»? Wordt er dan überhaupt nog naar de Tachtigjarige Oorlog gekeken? De Graaf houdt zich echter bezig met het in Nederland enigszins miskende genre van de militaire geschiedenis. Uitgebreid gaat hij in op de strategie en tactiek, de geografische factoren, het alledaagse krijgsbedrijf en de wijze waarop een volksopstand zich ontwikkelde tot een internationale coalitieoorlog.

Hierdoor biedt het boek zelfs aan hen die toch wel iets over de Tachtigjarige Oorlog weten veel nieuws. Want hoeveel mensen weten dat het meest tijd-, geld- en mensenverslindende wapenfeit het meer dan drie jaren durende beleg van Oostende door de Spanjaarden was? De Graaf komt met ongelooflijk veel feitenmateriaal, dat helaas enigszins moeizaam wordt gepresenteerd, zodat het zelfs voor de liefhebber een kwestie van doorbijten wordt. Dit wordt ten dele goedgemaakt door de vele, meestal onbekende illustraties, zoals een foto van de hoed van Ernst Casimir van Nassau, de stadhouder van Friesland, Groningen en Drente. Toen deze in 1632 verkende hoe Roermond moest worden belegerd, werd hij in zijn hoofd geschoten. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat zich naast het kogelgat in zijn hoed inderdaad sporen van zijn hersenvloeistof bevinden.

Joost Rosendaal

De Nederlandse Revolutie: Vrijheid, volk en vaderland 1783-1799

Vantilt, 256 blz., € 16,95

De Tachtigjarige Oorlog was dus het paradepaardje van de vaderlandse geschiedenis: hoe een klein maar dapper volk in opstand komt tegen een tiran en en passant een wereldmacht wordt. De opstand die ruim twee eeuwen later uitbrak tegen de heerser van dat moment mocht echter op heel wat minder sympathie rekenen. De Patriotten die zich keerden tegen het corrupte, op nepotisme en willekeur ge baseerde en hoogst inefficiënte be wind van Willem V werden veelal ge zien als landverraders die gemene zaak hadden gemaakt met de Franse agressor en bezetter. Onze onderwijzer liet er geen twijfel over bestaan: die «Kezen» of Patriotten waren NSB’ers avant la lettre geweest.

Ook serieuze historici hadden niet zo veel op met die zogenaamde Ba taafse Revolutie, die vaak werd afgeschilderd als een wat smakeloze imitatie van de Franse. Ten onrechte, meent Joost Rosendaal, die eind 2003 promoveerde op een vuistdikke studie naar de lotgevallen van de Patriotten die in 1787 het land hadden moeten ontvluchten. Het kon helemaal geen imitatie zijn, aangezien de Franse Revolutie pas in 1789 uitbrak en de omstandigheden en motieven van de opstandelingen in Nederland bovendien heel anders waren.

Rosendaal keert zich tegen de onuitroeibare neiging om Nederland af te schilderen als het land van schikken en plooien, van het bloedeloze com promis en het tot in onze genen verankerde poldermodel. De omwenteling die hier in de laatste twee decennia van de achttiende eeuw plaatsvond was een echte revolutie, met alle radicalisme en ontsporingen van dien.

Interessant zijn in dit verband de parallellen die hij in zijn epiloog trekt tussen de ontwikkelingen van twee eeuwen geleden en het Nederland van het begin van de 21ste eeuw. Het is volgens hem geen toeval dat Pim Fortuyn zich graag spiegelde aan patriottenvoorman Joan Derk van der Capellen tot den Poll, die man die in 1781 het geruchtmakende Aan het volk van Nederland publiceerde. Ook vergelijkt hij de wijze waarop de uit het Oranjehuis stammende stadhouder, «Het Geldersche Zwijn», werd «gedemoniseerd» met hedendaagse pogingen po litieke tegenstanders verdacht te maken.