Non Fictie: cultuur en religie

Non-fictie

De westerse cultuur is doordrongen van religie. Wie die cultuur wil verdedigen, dient zich dus ook te verdiepen in het religieuze verleden.

Wybren Scheepsma

De Limburgse sermoenen: De oudste preken in het Nederlands

Bert Bakker, 429 blz., e 29,95

Lange tijd werd handschrift 70 E 5 in de Koninklijke Bibliotheek, dat bekend stond als De Limburgse sermoenen, be schouwd als weinig interessant. Het werd gedateerd rond 1400 en bestond uit preken in de landstaal. Uit die periode is relatief veel Middel-Nederlands materiaal bewaard gebleven, terwijl die preken niet zo bijzonder leken. In 1987 kwam men echter na zorgvuldige analyse tot de conclusie dat het manuscript tussen 1280 en 1300 moet zijn geschreven. Hiermee werd het ineens een van de oudste Nederlandse prozateksten. Medio-neerlandicus Wybren Scheeps ma besloot de preken inhoudelijk te analyseren. Hij kwam tot de conclusie dat het hier allerminst om saaie, moralistische praatjes ging, maar dat hier sprake is van een verzameling teksten die behoort tot de zogenaamde minnemystiek. Deze spirituele beweging was sinds 1250 opgekomen en hechtte groter belang aan de persoonlijke geloofsbeleving en het directe contact met God en Maria dan aan de officiële rituelen van de kerk. Men gaf zich volgens Scheepsma bij voorkeur over aan «geestelijke dronkenschap», waarbij «de ziel boven het menselijke en het redelijke wordt uitgetrokken in een eeuwig beleefde minne».

In deze beweging speelden de predikers een grote rol en de samenstellers van dergelijke boeken met sermoenen waren in feite de goeroes van een religieuze sekte. Ook de bekende mystica Hadewijch behoorde tot deze beweging en Scheepsma maakt aannemelijk dat haar optreden niet langer moet worden gedateerd rond 1250, maar vijftig à zeventig jaar later.

Henricus Institorius

De heksenhamer

Ingeleid, vertaald en geannoteerd door Ivo Gay

Voltaire, 472 blz., e 37,50

Eigenlijk moest de kerk heel blij zijn met die vrome gelovigen die de bijbelse boodschap zo serieus namen. Het was echter niet denkbeeldig dat die mystici op den duur zouden gaan denken dat ze de kerk en de priesters niet meer no dig hadden. Hierdoor zou de machtsaanspraak van de kerk gevaar lopen. De aanhangers van de minnemystiek wa ren veelal erg orthodox, maar in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw kwamen er steeds meer Godzoekers die zich minder gelegen lieten liggen aan het gezag van de kerk.

De kerk verkeerde in staat van alarm en zocht naarstig naar lieden die op een of andere manier afweken van de rechte leer. Hiertoe werden ook mensen gerekend die zich met bovennatuurlijke zaken bezighielden, en vanaf ongeveer 1430 verkondigde de kerk dat er een «sekte van heksen» zou be staan, die gevaarlijker was dan de tot dan toe bekende «ketters», omdat de heksen zichzelf niet buiten de kerk plaatsten maar optraden als een soort «vijfde colonne».

In het kader van de jacht op heksen, waarvan naar schatting zestigduizend mensen het slachtoffer werden, schreef de dominicaner inquisiteur Heinrich Kramer, die zijn naam verlatiniseerde tot Institorius, in 1486 zijn beruchte Malleus Maleficarum ofwel De heksenhamer. Het is een in beroerd Latijn ge schre ven handboek van een ziekelijk vrouwvijandige fanaticus dat op quasi-wetenschappelijke wijze be schrijft hoe heksen kunnen worden herkend en hoe ze moeten worden verhoord en berecht. Dit boek leest men niet voor zijn plezier, maar het is wel een huiveringwekkend document dat laat zien welke moorddadige invloed allerlei waanideeën kunnen hebben.

Jonathan Wright

De Jezuïeten: Missie, mythen en methoden

Bert Bakker, 328 blz., e 19,95

Begin zestiende eeuw voerde de katholieke kerk een oorlog op vele fronten: tegen heksen, ketters en priesters en leken die het met het geloof niet zo nauw namen. In deze strijd had de kerk behoefte aan een keurkorps van militante en rechtzinnige priesters, aan stoottroepen die bressen konden slaan in de gelederen van de talloze vijanden. Dit is het clichébeeld van de in 1534 door de voormalige militair Ignatius van Loyola gestichte Sociëteit van Jezus. Vaak wordt de snelle opkomst van de Jezuïeten in verband gebracht met de Contrareformatie, het katholieke tegen of fen sief om de invloed van ketters als Luther en Calvijn terug te dringen.

De doelstellingen van Loyola en de zijnen bestonden volgens Wright echter vooral uit «spirituele vernieuwing, het zuiveren van de ziel, het corrigeren van dogmatische onkunde, het uitbannen van zonde en bijgeloof». De Formula Instituti uit 1540 sprak over «de voortplanting van het geloof», en pas later werd daar «de verdediging van het geloof» aan toegevoegd.

Jezuïeten legden zich zowel toe op het verbreiden van het geloof onder de heidense inwoners van de pas ontdekte Nieuwe Wereld als op studie en onderwijs. Missie en wetenschap gingen hand in hand. 35 kraters op de maan zijn vernoemd naar jezuïtische wetenschappers en het waren de leden van deze orde die ervoor zorgden dat de katholieke kerk een deel van de nieuwe natuurwetenschappelijke ontdekkingen zou accepteren.

John Exalto

Gereformeerde heiligen: De religieuze ex empeltraditie in vroegmodern Nederland

Vantilt, 366 blz., e 24,90

De geloofsijver en zelfverzaking van mannen als Loyola sprak veel katholieke ge lovigen aan. Zij werden gezien als voorbeeld en niet zelden heilig verklaard. De katholieke heiligenverering mocht door protestanten worden gezien als bijgeloof en afgoderij, en vooral de uit de hand gelopen reli kwieëncultus wekte hun spotlust op, niettemin hadden ook de navolgers van Luther en Calvijn behoefte aan voorbeelden.

In zijn prachtige boek Gereformeerde heiligen schildert Exalto hoe in het protestantse Nederland van de zeventiende en achttiende eeuw allerlei vrome fi guren, meestal predikanten, aan de andere gelovigen ten voorbeeld werden gesteld. Het meest uitgesproken exemplaar was Jodocus van Lodenstein, over wie een katholieke tijdgenoot schreef dat «was hy onder ons geweest, wy souden hem voor een Heyligen houden».

Dergelijke protestantse «heiligen» wijdden hun leven aan geestelijke oefening volgens een strak ritme, hielden zich verre van wereldse zaken en leidden een uiterst ascetisch leven. Naast levende voorbeelden vereerden de protestanten ook veel ge loofshelden die tijdens de Reformatie als ketters waren omgebracht én verschillende katholieke voorlopers van de Reformatie. Zo was in de zeventiende eeuw de Florentijnse boeteprediker Girolama Savanarola – die het gezag van de paus had getart, bekend was geworden door zijn «vreugdevuur der ijdelheden» en die in 1498 was verbrand – uiterst populair.

Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg

Nederlandse religiegeschiedenis

Verloren, 400 blz., e 29,-

De cultuur en geschiedenis van Nederland zijn niet te begrijpen zonder kennis van de godsdienstige ontwikkelingen die zich hier hebben voltrokken. Oudere boeken over religiegeschiedenis hadden doorgaans een apologetische toon en waren sterk theologisch van inhoud, met veel aandacht voor de fijnste nuances en kleinste meningsverschillen.

Van Eijnatten en Van Lieburg komen nu met een modern overzichtswerk waarin zowel wordt gekeken naar de ontwikkelingen op theologisch, spiritueel en organisatorisch gebied als naar de politieke, sociale en culturele context waarbinnen de godsdienst een rol speelde.

Het is geen boek om mee naar het strand te nemen, maar wel uitermate geschikt om in kort bestek het antwoord te vinden op vragen als: wanneer was Nederland nu echt gekerstend; welke rol speelde de Moderne Devotie; wanneer werd de bij haar leven reeds als heilige vereerde Lidwina van Schiedam officieel heilig verklaard; welke ruimte bestond er binnen de calvinistische Republiek voor doopsgezinden en katholieken; wat zijn de verschillen in achtergrond tussen de Christelijk Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Kerken in Nederland; waarom splitste in het oorlogsjaar 1944 een deel van de Gereformeerde Kerk zich af en noemde deze nieuwe organisatie zich Gereformeerde Kerken «onderhoudende artikel 31 van de kerkorde»; waarin onderscheiden alevieten zich van soennitische moslims?

Nicoline van der Sijs (red.)

Leeg en ijdel: De invloed van de bijbel op het Nederlands

Sdu, 204 blz., e 20,-

In onze sterk geseculariseerde samenleving is de invloed van de godsdienst op de taal nog altijd enorm groot. Dat is niet zo vreemd, omdat in tal van landen de standaardisatie van de taal ten dele het resultaat was van de vertaling van de bijbel in de landstaal. De journalist die een landschap beschrijft als «woest en ledig», een consument die zegt dat een bepaalde aankoop een «rib uit zijn lijf» is of een gehuwde man die zich realiseert dat een appetijtelijke dame een «verboden vrucht» is, zal doorgaans niet beseffen dat hij gebruikmaakt van bijbelse uitdrukkingen.

In dit bundeltje worden de sporen gevolgd die de bijbel in het Nederlands heeft achtergelaten. Zo wordt onder meer de invloed van de uit 1637 daterende Statenvertaling op de vorming van de standaardtaal nagegaan. De vertalers hadden de opdracht gekregen de He breeuwse en Griekse bronteksten zeer getrouw te volgen en tegelijkertijd het eigen karakter van het Nederlands te respecteren. Een bijkans onmogelijke taak, aangezien de syntaxis van de beide oude talen radicaal anders was dan die van het Nederlands. In een ander artikel wordt ingegaan op de verschillen tussen katholiek en protestants Nederlands.

Onduidelijk is nog wat de invloed zal zijn de vorig jaar gepubliceerde Nieuwe Bijbelvertaling. Wel zullen bepaalde uitdrukkingen die nu nog ontleend zijn aan de oude Statenvertaling op den duur wellicht in onbruik geraken. Wie nu bijvoorbeeld schrijft: «Gij zult niet bumperkleven» parafraseert de tien geboden zoals die 350 jaar werden doorgegeven. Maar in de vertaling uit 2004 luidt het zesde gebod niet «Gij zult niet doodslaan», maar «Pleeg geen moord». En het befaamde «ijdelheid der ijdelheden» uit Prediker is vervangen door het minder omineuze maar taalkundig veel correctere «lucht en leegte».

Joachim Duindam e.a. (red.)

Humanisme en religie: Controverses, bruggen, perspectieven

Eburon, 430 blz., e 29,50

Denkers als Herman Philipse en Paul Cliteur zullen gelovige christenen of moslims misschien niet zonder meer als geestelijk minvermogend beschouwen, maar ongetwijfeld zullen ze van mening zijn dat gelovigen terugdeinzen voor de consequenties van het denken. Bovendien wijzen atheïsten graag op de vele wandaden die in naam van diverse religies zijn bedreven. Omgekeerd zijn er gelovigen die menen dat atheïsten of humanisten een veel te hoogmoedig beeld van de mens hebben en dat de barbaarse gruwelen uit de twintigste eeuw het gevolg zijn van het feit dat de moraal is losgekoppeld van de in hun ogen objectieve orde der dingen.

Deze bundel bevat veel interessante artikelen, maar hier wil ik slechts wijzen op de bijdrage van Theo Salemink, die het islamdebat in verband brengt met de geschiedenis van de Nederlandse katholieken. Wie nu stelt dat moslims eerst afscheid moeten nemen van hun orthodoxe geloof en dat zij door een soort Verlichting heen moeten alvorens zij kunnen integreren in onze democratische rechtsstaat, vergeet dat bij de Nederlandse katholieken dit proces omgekeerd verliep. Na 1848 accepteerden zij de liberale rechtsstaat, terwijl het nog meer dan een eeuw zou duren eer zij afscheid namen van de antiliberale, antidemocratische, antihumanis tische, antisemitische en vrouw vijan dige or tho doxie.

Reza Alsan

Geen god dan God: Oorsprong, ontwikkeling en toekomst van de islam

Bezige Bij, 383 blz., e 24,50

Dit uiterst leesbare en verhelderende boek is niet louter bedoeld als een geschiedenis van of inleiding tot de islam. De auteur wil ook de weg wijzen naar de toekomst. De in Teheran geboren en aan Harvard docerende Aslan keert zich tegen het islamitische fundamentalisme en extremisme en pleit voor een hervorming van de islam. Hij gaat hierbij uit van het waardevolle in de eigen traditie en legt sterk de nadruk op de sociale en egalitaire tendensen in de vroege islam, waarbij men zich niet aan de indruk kan onttrekken dat hij hierbij af en toe overdrijft.

Hoewel Aslan gelooft in de mogelijkheid van een verlichte, vreedzame en sociale islam is hij geen voorstander van de scheiding van kerk en staat en be strijdt dat een democratische samenleving alleen mogelijk is op grondslag van een seculiere staat. Er gens ge looft hij nog altijd in de idealen van de Iraanse revolutie. Hij lijkt dus op die com munis ten die de misdaden van Stalin ten on rechte zagen als een pervertering van Lenins idealen en niet als de logische con sequentie ervan. Alleen al ten behoeve van hem zou het goed zijn als bovengenoemd artikel van Salemink werd vertaald.