Non-fictie als romankunst

Je leest wel eens dat internet en non-fictie de romankunst hebben ingehaald. Tot ver in de twintigste eeuw maakte je in romans kennis met onbekende werelden. Via Moby Dick met de walvisvaart, via Oliver Twist met armoede in Engeland.

De romans van Emile Zola speelden zich af op onbekend terrein: het treinwezen, de mijnbouw, de kunstenaars-, prostitutie- of de bankwereld, noem maar op. Dat maakte zijn romans tot briljante encyclopedieën van de samenleving. De meeste lezers viel het niet eens op dat Zola zich door een hoogst merkwaardige theorie over afkomst en milieu liet leiden. In Amerika had je later de grote sociale romans van bijvoorbeeld Upton Sinclair (1878-1968) waarin je kennis kon maken met de wereld van het grote geld en de politiek (zie vooral de prachtige Lanny Budd-reeks).

Medium brink 2c 20hm 20vd 20kl 20  c2 aefotoannaleen 20louwes

Dit soort literatuur bestaat nu niet meer, informatie over het onbekende (of bekende) vind je op internet en in non-fictie. Deze laatste kunstvorm bloeit als nooit tevoren. Elke week verschijnen in Nederland tientallen non-fictieboeken. Over hout, Poetin, treinen, de Tweede Wereldoorlog, de Eerste, koken, voetbal. Ook literaire uitgeverijen gokken steeds meer op non-fictie. Ze hopen op de nieuwe Joris Luyendijk en de nieuwe Annejet van der Zijl. Het eigenaardige is dat schrijvers van non-fictie werken met de beproefde middelen waarop de romankunst altijd al patent had en nog heeft. De overdrijving, de ironie, de snelle of langzame stijl, de retorische trucs, het gewaagde beeld, de manipulatie. Het is er allemaal, zo ver staan fictie en non-fictie niet van elkaar af. Non-fictie is als je het goed bekijkt niet meer dan een variant van romankunst met echtheidspretenties. Misschien moet het voortaan gewoon door recensenten van literatuur worden besproken.

H.M. van den Brink schreef met de roman Dijk een mooie, ouderwetse roman over een onbekend maatschappelijk gebied, het ijkwezen. Hij zet een ik-figuur neer die herinneringen ophaalt aan zijn ambtelijke carrière bij dit merkwaardige, maar zonder meer boeiende werkterrein. Wie bepaalt wat een meter is? Hoe leg je vast wat je onder een kilo moet verstaan? Hoe voorkom je dat men in wetenschap, industrie en kleinhandel de zaken flest? Wie herinnert zich niet de anekdotes over slagers en kruideniers die de weegschaal manipuleerden, mijn moeder wist precies waar je niet moest kopen. ‘Mag het een onsje meer zijn?’ Nog steeds kun je deze klassieker uit de middenstand overal horen. Maar wat is dat precies, een onsje?

Ik had het gevoel dat ik een zwart-witfilm over de jaren vijftig zag

Van den Brink geeft ons tussen neus en lippen door, hij dringt het niet op, een overtuigende vlootschouw van de geschiedenis en de revoluties in het maatwezen. Hij weet alle informatie mooi binnen zijn verhaal te integreren. Zoals Zola dat ook deed: gedoseerde informatie binnen een context van literair verlangen. En Van den Brinks verhaal zit overtuigend in elkaar. Twee mannen werken hun hele leven samen bij het IJkwezen. Dan gaat er een met pensioen, en de ander, de ik-verteller, krijgt van zijn cheffin de opdracht de afscheidsrede te schrijven. Wie was die vreemde, dwarse vogel? Die Karl Dijk? Kende de ik hem wel? Dit klassieke gegeven over de geheimen die mensen met zich meedragen (alleen in romans kunnen we dichtbij komen), werkt de schrijver glansrijk uit. Het geeft hem ook de kans herinneringen aan vroeger op te roepen. Hoe was het? Waar hadden mensen het over? Hoe zag het er allemaal uit?

Van den Brink creëerde een diep melancholische sfeer via uiterst precieze beschrijvingen die me het gevoel gaven dat ik een zwart-witfilm over de jaren vijftig zag. Enige ironie klinkt er af en toe wel in door, neem nu deze bijna Anton Pieck-achtige beschrijving: ‘Daar komt ook de bakker aan, hij trapt een grote fietskar voort met een houten opbouw en twee luiken waaruit hij de broden haalt, ongesneden, die hij deur aan deur bezorgt (…)’. Ja, ik heb zulke karren nog rond zien rijden. Maar de schrijver ontsnapt aan oubollige nostalgie, juist door de bittere toon die regelmatig uit de roman opstijgt. De wanhoop over de toenemende veranderingsdwang binnen het ambtelijk bestaan, de privatisering van dit ijkbedrijf, met al zijn verschrikkingen en onzekerheid. Dat, terwijl er geen onzekerheid over de maat en het meten mag bestaan. De maat staat vast, de mens sjoemelt. Van den Brink is erin geslaagd dit hoofdthema voortdurend op alle niveaus van zijn roman rond te laten zoemen, zonder dat hij er ook nog allerlei verklaringen bij geeft. Hij houdt het geheim in stand.

Ook de toenemende verwarring van de ik over zijn collega van wie hij vrijwel niets weet, geeft aan dit boek een steeds toenemend gevoel van schrijnend verlies. Langzamerhand krijgen we toch een beeld van die merkwaardige Karl. Hij draagt een duister verleden met zich mee waar we een glimp van mogen opvangen. Dus daarom was hij zo merkwaardig, zo dwars en zo nors. Zola in optima forma. Afkomst en milieu, verdomd als het niet waar is. Het naturalisme revisited in deze geslaagde roman.


Beeld: H.M. van den Brink. Zola in optima forma (ANNELEEN LOUWES)