Nonfictie: Geest, geweld en geld in de vroegmoderne tijd

Nonfictie

Geest, geweld en geld in de vroegmoderne tijd

Frances Stonor Saunders

Hawkwood: Diabolical Englishman

Faber and Faber, 366 blz., e 32,50

In de Dom van Florence bevinden zich twee merkwaardige fresco’s waarop met schilderkunstige middelen ruiterstandbeelden zijn afgebeeld. Een ervan is geschilderd door Paolo Uccello en stelt Sir John Hawkwood voor, een Engelse huurling die tussen 1361 en zijn dood in 1397 voor steeds andere Italiaanse op drachtgevers vocht en door middel van afpersingspraktijken een groot deel van het land in zijn greep had. Zo slachtte hij in 1377, in opdracht van een kardinaal die later paus zou worden, vrijwel alle inwoners van Cesena af, terwijl hij korte tijd later in dienst van Florence de paus zou bestrijden. Byron zou Florence van ondankbaarheid beschuldigen, om dat de stad geen monumenten had opgericht voor Dante, Petrarca en Boccaccio, maar wel voor een ordinaire rover en moordenaar.

De concrete gegevens over Hawk wood passen op een handvol A4’tjes, maar Stonor Saunders heeft een breed opgezet en levendig boek geschreven over het Europese krijgsbedrijf en de politieke en sociale ontwikkelingen in Ita lië in de tweede helft van de veertiende eeuw, een bloedig tijdperk waar in tegelijkertijd datgene vorm kreeg wat we later de Renaissance zijn gaan noemen.

Wat we over Hawkwood te weten komen, neemt ons niet voor hem in, maar dat geldt ook voor de diverse pausen, prelaten en inhalige stads bestuurders. Uit het door Stonor Saun ders geschetste beeld wordt duidelijk wat Hobbes later zou be doelen met de «oorlog van allen tegen allen».

(De Nederlandse vertaling verschijnt binnenkort bij Anthos)

Lauro Martines

Bloed in April: Florence en de samen zwering tegen de Medici

Bert Bakker, 335 blz., e 19,95

De Renaissance wordt tegenwoordig in de eerste plaats geassocieerd met de schil derijen van Botticelli, Pierro della Fran cesca en Leonardo da Vinci, de beelden van Donatello, Michelangelo en Cellini, het humanisme van Petrarca, Valla en Erasmus en met al die andere kunstenaars en intellectuelen die we zo graag koes teren als erflaters van onze beschaving.

De samenleving die deze kunst genereerde was, gezien door hedendaagse ogen, heel wat minder be schaafd. In dit boek laat Martines zien dat het in Florence slechts om twee zaken draaide: geld en macht. De moordaanslag op Lorenzo de’ Medici in april 1478 vormt het brandpunt van een verhaal over de wijze waarop in Florence zaken werden gedaan en politiek werd bedreven. Die twee dingen waren onlosmakelijk met elkaar verstrengeld en wanneer het niet lukte om een rivaal financieel te ruïneren, bleven er nog tal van gewelddadiger middelen over.

Toch was er wel een zekere relatie tussen enerzijds dit geweld en deze hebzucht en anderzijds de uitbundige culturele bloei van Toscane. Niet alleen stak de politieke en commerciële elite van Florence elkaar naar de kroon door het verstrekken van talrijke en grote op drachten aan belangrijke kunstenaars, ook was men zelf in cultureel en intellectueel opzicht mijlenver verheven boven de Roel Piepers en Harry Mensen, die in tegenstelling tot Lorenzo vast geen Latijnse en Griekse poëzie lezen, en die zeker niet schrijven.

Sarah Bradford

Lucrezia Borgia: Liefde en dood in het Italië van de Renaissance

Balans, 366 blz., e 22,95

De familie De’ Medici mocht dan worden geassocieerd met ongebreidelde hebzucht en gewelddadigheid, deze reputatie verbleekte met die van de Borgia’s. Vooral Lucrezia Borgia, dochter van paus Alexander VI, spreekt al eeuwen tot de verbeelding van auteurs die verlekkerd schrijven over haar schoonheid, wellust en wreedheid. Ze zou het niet alleen met haar vader en haar broer Cesare hebben gedaan, maar tevens met een stoet aan andere mannen, terwijl ze iedereen die haar voor de voeten liep uit de weg liet ruimen. Tijdgenoten beschreven haar als «de grootste hoer van het christendom».

Bradford ziet in Lucrezia vooral een intelligente, sterke vrouw, die op kundige wijze het hertogdom Ferrara bestierde. Dat was tijdens haar derde huwelijk. Daarvoor was ze tweemaal uitgehuwelijkt (de eerste keer toen ze dertien was) en fungeerde ze slechts als pion op het politieke schaakbord van haar vader. Na haar twintigste ging ze haar eigen weg en hield ze zich staande in de gewelddadige, van complotten vergeven en cultureel bruisende wereld van de Renaissance.

Lisa Jardine

The Awful End of Prince William the Silent: The First Assassination of a Head of State with a Hand-Gun

Harper Collins, 175 blz., e 24,95 (import Nilsson en Lamm)

Waren families als de Medici en de Borgia’s vooral geporteerd voor het vergiftigen van tegenstanders, terwijl als het zo uitkwam ook het gebruik van de dolk niet werd geschuwd, in de loop van de zestiende eeuw deed de technologische vooruitgang zich ook in deze be drijfs tak gelden. Met de ontwikkeling van het handvuurwapen werden de mogelijkheden van moordenaars sterk uitgebreid.

Het eerste prominente slachtoffer van deze innovatie was onze eigen Willem van Oranje, die op 10 juli 1584 door Balthasar Gerards werd doodgeschoten. De eminente Renaissance-kenner Lisa Jardine heeft dit gegeven gebruikt om een boekje te schrijven over… ja, over wat eigenlijk? In kort bestek legt ze uit hoe het zo was gekomen dat Filips II een prijs had gezet op het hoofd van Willem van Oranje, wat de gevolgen waren van deze moord voor de politiek van de Engelse koningin Elisabeth en de ge moedsrust van andere vorsten, plus de ontwikkeling van het radslotpistool. Dit alles wordt gelardeerd met verwijzingen naar het hedendaagse terrorisme. Het heeft geresulteerd in een be hendig aan elkaar geregen, vlot ge schreven en aantrekkelijk geïllus treerd boekje dat kenners weinig nieuws te bieden heeft en als eerste kennismaking met deze periode veel te onevenwichtig is.

Christopher S. Celenza

The Lost Italian Renaissance: Humanists, Historians and Latin’s Legacy

Johns Hopkins University Press, 210 blz., e 56,40

Ons beeld van de Renaissance is in hoge mate gevormd door negentiende-eeuwse auteurs, waarvan Jacob Burckhardt niet alleen de bekendste maar ook de meest invloedrijke is geweest. Evenals de meeste van zijn collega’s was Burck hardt sterk beïnvloed door de beroemde Duitse historicus Leopold von Ranke, die zijn colleges placht te beginnen met de opmerking: «Meine Herrn, Völker sind Gedanken Gottes!» Duitse historici uit deze periode gingen in het verleden op zoek naar de specifieke Geist van een bepaald volk. Deze werd vooral zichtbaar in de taal, en het «genie» – ook zo’n typisch negentiende-eeuwse categorie – van een natie kon alleen tot uitdrukking komen in de volkstaal.

Tijdens de Renaissance begonnen verschillende Italiaanse auteurs, al thans een deel van hun oeuvre, in het volgare te schrijven. De dichters en denkers die exclusief of in hoofdzaak in het Latijn bleven schrijven, werden gezien als slappe imitators van de Oudheid, die onmogelijk oorspronkelijke ge dachten gehad konden hebben. Burck hardt stelde zelfs dat de literatuur verwerd tot louter citeren. Hierdoor werd er weinig aandacht besteed aan schrijvers die het Latijn hanteerden of aan dat deel van het werk van beroemde auteurs als Petrarca, dat niet in de volkstaal was geschreven.

Hoewel in de loop van de twintigste eeuw het nationalistische perspectief minder dominant werd, veranderde er weinig aan deze verwaarlozing van de Latijnse Renaissance-literatuur en verschenen er relatief weinig tekstedities en vertalingen. In dit boek toont Celenza aan dat dit ten onrechte is. Om te beginnen bevindt zich in dit «verloren» erfgoed veel wat de moeite waard is, wat bijvoorbeeld blijkt uit de delen die verschijnen in de door Harvard University Press uitgegeven I Tatti Renaissance Library. Uiteraard zijn niet al die Latijnse teksten meesterwerken, maar de in tellectuele context van de erkende hoogtepunten wordt wel veel duidelijker, waardoor we een scherper beeld krijgen van de intellectuele gemeenschappen uit die tijd.

Dirk van Miert

Illuster onderwijs: Het Amsterdamse Athenaeum in de Gouden Eeuw, 1632-1704

Bert Bakker, 432 blz., e 37,50

Wie de afgelopen weken eerstejaars studenten tijdens hun «sociale introductie» door de stad heeft zien zwermen, zal niet meteen gedacht hebben aan een «intellectuele gemeenschap». Toch is dat wat een universiteit behoort te zijn. Vandaar dat cultuurhistorici de laatste decennia steeds meer aandacht hebben besteed aan universiteitsgeschiedenis. In Nederland heeft dat tot nu toe vooral deelstudies, over een bepaalde periode in het bestaan van een bepaalde universiteit, opgeleverd, maar Willem Otterspeer voltooit momenteel zijn vierdelige geschiedenis van onze oudste universiteit, die van Leiden.

De Universiteit van Amsterdam is er vooralsnog bekaaid van afgekomen, maar die is dan ook pas sinds 1877 een «echte» universiteit, wat wil zeggen dat zij officieel erkende academische graden mag verlenen. Daarmee is de UvA drie eeuwen jonger dan de Rijksuniversiteit Leiden.

Toch werd in Amsterdam al sinds 1632 «hoger onderwijs» gegeven, en wel aan het zogenaamde Athenaeum Illustre. Leerlingen die de Latijnse School hadden bezocht werden hier voorbereid op de studie aan een universiteit elders. Aanvankelijk werden hier slechts de klassieke talen, geschiedenis en filosofie gedoceerd. Later werden er theologie, rechten en geneeskunde aan toegevoegd, zodat het onderscheid met de «echte» universiteiten begon te vervagen.

Van Miert heeft een fraai en informatief boek geschreven, waarin duidelijk wordt wat het niveau, de inhoud en organisatie van het «illustere» onderwijs was.

P.G. Hoftijzer e.a. (red.)

Papieren betrekkingen: Zevenentwintig brieven uit de vroegmoderne tijd

Vantilt, 312 blz., e 24,90

Toen het Amsterdamse Athenaeum in 1632 haar deuren opende telde die instelling twee hoogleraren: Barlaeus en Vossius. Over de onderwijskundige en didactische opvattingen van de laatste komen we een en ander te weten uit een brief die hij schreef aan een Amsterdamse koopman wiens zoon vier jaar op de Latijnse School had gezeten maar daar zo goed als niets had geleerd. Vakkundig en hoffelijk – de mogelijkheid dat de zoon gewoon een lamzak was werd buiten beschouwing gelaten – adviseerde Vossius de bezorgde vader.

Deze fraaie brief is opgenomen in een boek waarin een flink aantal brieven centraal staan die werden geschreven in de periode 1594-1822. Dat was een tijd waarin nog gesproken kon worden van «briefkunst». Nadat tijdens de Renaissance brieven van klassieke auteurs als Cicero waren ontdekt, was het schrijven van brieven aan minder strenge regels gebonden dan tijdens de voorafgaande eeuwen, maar waren er wel nog steeds duidelijke genres, met eigen regels en modes.

In het intellectuele verkeer speelden brieven een niet te overschatten rol. Hoewel ook toen de brief gold als een vertrouwelijk geschrift, liet men fraaie en belangwekkende brieven vaak aan derden lezen, werden ze gekopieerd en niet zelden zelfs gepubliceerd. Deze bundel, die verschijnt ter gelegenheid van het emeritaat van de Nijmeegse hoogleraar Hans Bots, bevat tal van interessante brieven, die doorgaans op vakkundige en vaak boeiende wijze zijn toegelicht en becommentarieerd.

John W. Yolton

The Two Intellectual Worlds of John Locke: Man, Person, and Spirits in the Essay

Cornell University Press, 180 blz., e 34,75

Nederland verleende in de zeventiende eeuw gastvrijheid aan buitenlandse geleerden en denkers van internationale allure, zoals Descartes, Bayle en Locke. Van de laatste weten velen dat hij Letters on Toleration en twee Treatises of Government schreef, en dat hij wordt gezien als de aartsvader van het empirisme. Hij wordt dan ook ingelijfd bij de wegbereiders van de Verlichting, al ziet Jonathan Israel hem als een vertegenwoordiger van de gematigde variant, die het uiteindelijk aflegde tegen het radicale denken van Spinoza.

Er is veel aandacht besteed aan het christelijk geloof van Locke, zoals dat naar voren kwam in The Reasonableness of Christianity, maar zijn hoofdwerk, An Essay Concerning Human Understanding, wordt altijd gezien als een baanbrekend werk op het gebied van de kennistheorie en waarin de religieuze op vattingen van de auteur geen belangrijke rol spelen. Locke-kenner John Yolton laat zien dat dat laatste niet klopt.

Het domein van de menselijke kennis en het menselijke verstand werd door Locke aangeduid met de term «intellectual world». Overal in het beroemde Essay treft de lezer echter opmerkingen aan die verwijzen naar nog een andere intellectuele wereld, die wordt bevolkt door andere intelligente wezens, namelijk engelen, geesten en een alwetende God. Veel Locke-vorsers hebben hier min of meer overheen gelezen, waarschijnlijk omdat ze dachten dat deze ideeën geen invloed hadden op de rest van Lockes werk. Yolton laat zien dat die tweede intellectuele wereld voor Locke enorm belangrijk was, omdat hij zijn visie op de mens relateerde aan zijn verwachtingen omtrent het hiernamaals.