Holland Festival De werelden van Laurie Anderson

Nonnen, honden en elfen

Performancekunstenaar en musicus Laurie Anderson vertelt verhalen over de dingen ‘zoals ze zijn, niet zoals ze zouden kunnen of moeten zijn’. Haar onlangs overleden terriër Lolabelle dient daarbij als muze.

LAURIE ANDERSON HEEFT een probleem dat goed bij haar past: ze zit in te veel werelden. Het deze week gehouden TriBeCa Film Festival in New York, op kruipafstand van haar appartement, laat ze dan ook aan zich voorbijgaan - in de zin dat ze zich niet zal laten zien op de vele feestjes, recepties en debatten waartoe zo veel New Yorkse coryfeeën, zoals Robert de Niro, Jerry Seinfeld of Andersons echtgenoot Lou Reed, zich wel laten verleiden. ‘Ik zit tegenwoordig al in zo veel werelden’, zegt Anderson als ze na veel op en neer geloop aan haar eettafel gaat zitten. 'Het is krankzinnig. Ik werk aan een project in de muziekwereld, ik heb zo een afspraak voor een installatie in een museum in Philadelphia en dan nog een vanwege een schrijfproject. Gekkenwerk, en moeilijk bij te houden.’
Dat laatste bezwaar heeft ze ook tegen de moderne communicatietechnologie, waar ze zich desalniettemin volop mee omringt. 'Spul zoals dit’, zegt ze, wijzend op de iPhone in haar hand, 'doodt de menselijke concentratie en maakt het bijna onmogelijk gewoon een gesprek met elkaar te voeren.’ Als om haar punt te bevestigen staat ze op om te bekijken hoe het versturen van enkele zware bestanden vanaf haar laptop verloopt. Niet goed. 'Dat gaat zo acht uur duren.’ Ze roept de hulp van haar assistent in.
Andersons haat-liefdeverhouding met technologie is opmerkelijk voor een kunstenares wier werk juist leunt op innovatief gebruik van technologie. Zo heeft ze verschillende muziekinstrumenten uitgevonden, zoals de tape-bow violin, een viool die bespeeld wordt door een met opnametape bespannen strijkstok, en de talking stick, een batonachtige midi-controller van bijna twee meter waarmee je zo'n beetje elk bestaand geluid kunt opnemen en in kleine segmenten reproduceren. En de stemfilters, Andersons handelsmerk, waarmee ze haar stem verlaagt tot een mannelijk register, een techniek die ze zelf graag 'audio drag’ mag noemen.
Al deze technologieën gebruikt Anderson in haar performances en opnamen, met als beroemdste werk O Superman (1981), waarmee ze ook buiten de kunstwereld bekend werd. Op deze hitsingle, die tot nummer 2 op de UK Singles Charts en nummer 9 in de Nederlandse Top-40 reikte, spreekt ze haar tekst door een zogeheten vocoder, die haar stem iets robotachtigs geeft. Op de achtergrond klinken twee eenvoudige akkoorden, gevormd door de herhaaldelijk uitgesproken lettergreep 'ha’. Vogelgekwetter duikt op onverwachte momenten op en het nummer eindigt met een wegstervende saxofoon. Zoals voor zo veel van Andersons muzikale werk geldt: hoe vaker je ernaar luistert, hoe beter het wordt.

ONDANKS HAAR POPULAIRE successen in de jaren tachtig - later volgden onder meer haar eerste soloalbum Big Science (1982) en de concertfilm Home of the Brave (1986) - kijkt Anderson zonder enige nostalgie terug op die periode. 'Ik ben me er sterk van bewust dat ik niet deel uitmaak van de kunstwereld, maar van de kunstmarkt’, zegt ze. 'En dat alles om het geld draait, dat begon in de jaren tachtig.’
Het beeld van een bruisende kunstenaarsscene in downtown Manhattan, bevolkt door lieden als Andy Warhol, Jean-Michel Basquiat en Julian Schnabel, is volgens Anderson dan ook vooral een mythe: 'Men begon zich te realiseren: hé, we kunnen dit spul verkopen. Dat gebeurde vooral in de visuele wereld; schilderijen werden letterlijk geld en werden verhandeld als investeringen. Dat beïnvloedde hoe ze gemaakt werden: kunstenaars kregen grote moeite een onderzoekende houding te houden ten opzichte van wat ze maakten.’
Nee, de interessantste tijd was in de jaren zeventig, die Anderson in 1969, op 22-jarige leeftijd, inleidde met een symfonie van autotoeters. 'Dat was opwindend en puur’, vertelt ze. 'We maakten dingen omdat we daar zin in hadden, het kwam niet in ons op om in welke markt dan ook te participeren.’
Anderson studeerde in die jaren cum laude af (kunstgeschiedenis) aan het Barnard College, de beroemde vrouwenuniversiteit in New York die onder anderen Jeane Kirkpatrick, de eerste vrouwelijke ambassadeur van de Verenigde Staten, de zangeres Suzanne Vega en de schrijfsters Edwige Danticat en Jhumpa Lahiri voortbracht. Aan Columbia University in New York, waar ze inmiddels als kunstdocent en kunstcriticus werkte, behaalde ze in 1972 de graad Master of Fine Arts in beeldhouwkunst.
Vanaf eind jaren zeventig was Anderson echter vooral actief als muzikant. 'Het mooie van platen maken en live optreden is dat je tenminste kunt zien wie er komen en hoe ze reageren. Ik was niet geïnteresseerd in het maken van schilderijen of beeldhouwwerken die vervolgens in iemands huis of kunstcollectie verdwijnen. Ik weet niet goed wat kunst is, maar mijn favoriete kunst dwingt me anders naar dingen te kijken - dat is wat ik zelf ook probeer te bewerkstelligen.’
Daartoe zou ze in de loop der jaren regelmatig in de huid stappen van haar alter ego Fenway Bergamot, oftewel de authority voice. Met donkere, vervormde stem, en met getekende snor, baard en wenkbrauwen, vertelt Anderson verhalen en leest gedichten. Bekroning van haar carrière vond Anderson onder meer in 2003, toen ze de eerste en tot dusver enige artist in residence van de Nasa werd. Dat pseudo-buitenaardse verblijf inspireerde haar tot het performancestuk The End of the Moon, dat Anderson onder meer tijdens de opening van de Olympische Spelen in Athene (2004) en op het Holland Festival (2005) speelde. In 2007 won ze de Gish Prize, die ook al eens naar Frank Gehry (1994), Bob Dylan (1997) en Robert Redford (2008) ging.

NU, IN DE LENTE VAN 2011, staat Andersons leven echter in het teken van rouw. Rouw over de dood van haar zondag aan kanker overleden terriër Lolabelle, van wie een bijna statige, zwart-witte portretfoto prominent in de woonkamer hangt. Onder aan de trap van Andersons duplex-appartement aan Canal Street, met woest uitzicht over de rivier de Hudson, staat een onvoltooid altaar van klei - een eerbetoon aan Lolabelle waaraan ze nog werkt. 'Zo verdrietig. Ze was geweldig - echt een werkhond, aanwezig bij al mijn opnames en altijd mee op tournees. Ze had een uitmuntend gehoor, achthonderd keer beter dan dat van ons.’
De afgelopen vijftien jaar fungeerde Lolabelle als 'inspiratiebron voor alles, elke vorm van zelfexpressie’. Dat culmineerde vorig jaar in een concert dat Anderson speciaal voor honden gaf. Het idee kwam voort uit een gesprek in de coulissen met cellist Yo-Yo Ma. 'We dachten: zou het niet geweldig zijn als je tijdens een concert opkijkt en je ziet alleen maar honden zitten?’ herinnert Anderson zich. 'Toen besloot ik: zodra ik de kans krijg, doe ik het.’
Die kans kwam in juni 2010, toen Anderson samen met Lou Reed een kunstfestival in het Sidney Opera House curateerde. Naar verluidt had de muziek, deels bestaand uit walvisgeluiden van dusdanig hoge frequentie dat mensenoren die niet meer kunnen opvangen, zeer uiteenlopende effecten op het publiek. Sommige toehoorders raakten geagiteerd, andere kwispelden bescheiden, terwijl weer andere glazig naar het podium zouden hebben gestaard.
Veel apolitieker zal Andersons werk niet vaak zijn geweest. 'Tijdens de Bush-jaren was mijn werk voor het laatst echt politiek. Nu de wereld er onder Obama eigenlijk net zo uitziet, realiseer ik me dat niemand haar kan veranderen. Kunst kan de wereld in politiek opzicht enigszins beïnvloeden, maar de politiek kan allang de wereld niet meer veranderen - de energie van het kapitalisme is buiten haar bereik beland.’
De wereld bevindt zich volgens Anderson in het 'late kapitalisme’. Dat is voor haar echter niet het grootste verhaal. 'Het is het engste verhaal, omdat we het niet kunnen veranderen. Vanaf nu gaat het alleen nog maar om faam en geld. En concurrentie in plaats van samenwerking.’ Dan geeft Anderson (ongevraagd) twee leestips: How to Be Idle en Liberty, beide van de Brit Tom Hodgkinson. 'Hij vergelijkt het moderne leven met slavernij - hard werken voor een groot conglomeraat om te kunnen consumeren, waarom zou je dat doen?’
Anderson ratelt, weet ze. 'Misschien klinkt dit als bullshit, maar ik meen het allemaal wel. In mijn eigen werk probeer ik beelden te creëren die me vrijmaken. In Rio deed ik dat onlangs door filmbeelden te projecteren op een vloer die bezaaid was met versnipperde boeken en heel kleine handdoekjes. Een papegaai liet ik het bijbehorende verhaal vertellen. Ik weet niet eens hoe ik daarop kwam.’
Momenteel werkt ze aan een collectie korte verhalen. 'Uitgangspunt is de vraag: hoe was je jeugd? Daarop hebben mensen vaak hele antwoorden, wat je allemaal gedaan hebt. Maar wat als je je afvraagt hoe je jeugd werkelijk was? Onze levens zijn zo ingewikkeld en rommelig. Als kunstenaar probeer ik de dingen te vertellen zoals ze zijn, niet zoals ze zouden kunnen of moeten zijn.’ Die wens verklaart ook haar voorliefde voor schrijvers als Sterne en De Balzac - vooral die laatste: 'Die keek naar een stad en vroeg zich af: hoe werkt die eigenlijk? Hoe komen dingen de stad binnen, hoe koken de mensen thuis? Dat soort dingen wil ik ook altijd weten.’
Zo bezien is het vaak bizar en buitensporig ogende werk van Anderson het toppunt van non-fictie. 'Dat is waar, hoewel mijn leven zelf grotendeels fictie is. Ik ben me continu van alles aan het voorstellen. De wereld bestaat uit verhalen.’ Ze kijkt nog eens naar de foto van Lolabelle. 'Zelfs onze hond vertelde verhalen, in de vorm van spelletjes die ze speelde en routines die ze koesterde. Anders is het leven maar gevuld met angst. Daarom is mijn werk voor een groot deel gebaseerd op het idee dat we voornamelijk in een wereld van woorden leven.’
Na drie shows die vooral op taal dreven, is Andersons nieuwste werk, Delusion, weer eens een 'ouderwetse’ hybride van visueel en muzikaal experiment. Het stuk beleefde zijn première op de Olympische Winterspelen in Vancouver (2010) en komt nu naar Amsterdam vanwege het Holland Festival. Delusion is opgezet als een reeks korte, muzikale mysteriespelen die schakelen tussen realiteit, droom en mythe, aldus het programmablad, dat ook belooft: 'Met het van Anderson bekende koele intellect, maar regelmatig ook met rauwe emotie, verkent zij hierin de verhalen die wij elkaar vertellen over onszelf, onze familie, ons land en de wereld, en legt ze de poreuze grens bloot tussen historie en mythe en tussen droom en realiteit.’
Daarbij schotelt ze haar publiek een universum voor bevolkt door nonnen, honden, IJslandse elfen, golems, spookschepen, archeologen en dode familieleden. Ze springt van de mystieke oorsprong van het Russische ruimteprogramma naar theorieën over tijd en snelheid; van de experimenten met de Hadron-superdeeltjesversneller naar ons concept van tijd - onderwijl vragen stellend als: wie is eigenlijk de eigenaar van de maan en wat moet ik tegen mijn moeder zeggen als ze doodgaat?
En dat voor een voorstelling die in eerste aanleg eenvoudig van opzet zou zijn. 'Het begon als een toneelstuk met slechts twee personen’, zegt Anderson, terwijl ze haar jas aantrekt. Ze heeft een op het laatste moment ingelaste tandartsafspraak vanwege een loszittende tand. 'Zoals je zult zien heb ik dat concept weggegooid. Dit vreemd hybride resultaat past beter bij me.’
Dan moet Anderson hollen.

Delusion, 12 juni, 20.15 uur, Muziektheater, Amsterdam, 90 minuten, geen pauze