Nonnenliefdes

Beatrijs: Een middeleeuws Maria-mirakel. Vertaling Willem Wilmink. Uitg. Prometheus/Bert Bakker, 112 blz., f24,90
De Beatrijs is zonder meer een van de meest curieuze en tragische vertellingen uit de middeleeuwen. Het verhaal bevat alle ingredienten voor een subliem melodrama, en in feite is het dat ook: een mooi zwart-wit, goed- kwaadverhaal. Hoofdpersoon is een jonge non van adellijken bloede die als kosteres dient in een klooster voor edelvrouwen.

Omwille van een nooit vergeten liefde legt ze haar habijt af op het Maria-altaar, vraagt de Moeder Gods om vergeving en leeft zeven jaar samen met haar vriend van wie ze twee kinderen krijgt. Er blijft echter iets knagen. Na een tijd van geluk en voorspoed komen vervolgens zeven magere jaren. Het geld is op, haar vriend verlaat haar. Eenzaam zwerft ze met haar kinderen rond, zich in leven houdend met prostitutie en bedelarij. Toevallig krijgt ze onderdak bij de weduwe die tegenover haar oude klooster woont. Spijt van haar misstap heeft ze al lang, gelukkig maar dat het geloof alle zonden heelt. In een tot driemaal toe herhaald visioen wordt haar duidelijk dat ze terug kan naar haar oude plek. Haar trouw aan Maria is beloond, die heeft haar zelfs die jaren vervangen. Ook voor de kinderen is er een goed heenkomen, want ‘vrome mannen werden zij’.
Verliefdheid, hartstocht, trouw, ontrouw, eerloosheid, schande, godsvrucht en berouw - wat staat er in zo'n duizend versregels niet allemaal bij elkaar. Het verhaal wordt vlot verteld. Al heel snel is duidelijk dat de vraag of Beatrijs nu de bruid van de knappe jongeling zal blijven of van God in het voordeel van de Allerhoogste zal worden beslecht. Verrassend is dat nauwelijks, de tijd in acht genomen. Wat wel kan verbazen is de heftige toon waarop wordt verteld. Nuanceringen zijn ver te zoeken, alles - van de eerste liefdeskwellingen tot de vernedering van de betaalde liefde - wordt zeer primair beleefd en weergegeven. Toch is ook dat niet zo verwonderlijk. De middeleeuwen waren ook in dit opzicht 'jong’: meer dan de helft van de bevolking was jonger dan twintig jaar. Meisjes en jongens waren op hun twaalfde al geslachtsrijp (zo ongeveer de leeftijd waarop Beatrijs verplicht het klooster inging) en onderhielden op hun zeventiende al grote gezinnen; koningen regeerden vanaf hun veertiende jaar. Denken en doen werden nauwelijks getemperd door de geest van volwassenheid die pas met de moderne tijd haar intrede deed. Vandaar dat heldhaftige krijgers in ridderverhalen hun tranen regelmatig de vrije loop laten, ze waren vaak nauwelijks ouder dan achttien jaar. Strijdlust en vertwijfeling, hoop en wanhoop, naiviteit, roekeloosheid en berusting - de Beatrijs demonstreert het - lagen zeer dicht bij elkaar.
Er is van het Beatrijs-verhaal slechts een manuscript bekend dat uit de veertiende eeuw stamt en daarnaast stichtelijke teksten bevat. Dat er over het gedicht een sluier van vroomheid hangt, is duidelijk, maar hoeft niet af te schrikken. Het verhaal is van orale oorsprong, dus publiekelijk uitgetest en dat is te merken ook. Het is knap van compositie met zijn herhalingen en spiegelingen, wordt kort door de bocht verteld en er staan zinnen in die tot de mooiste uit onze middeleeuwse literatuur gerekend kunnen worden. Knap dat Willem Wilmink alle kwaliteiten ervan bij zijn bewerking in modern Nederlands volkomen recht heeft gedaan.