Sosha Duysker in ‘Opstand op de Neptunus’. © NTR

Leo Balai, historicus op leeftijd, en jonkie Sosha Duysker, tv-presentator (Klokhuis), lopen door zeventiende-eeuws Amsterdam. Balai, specialist in de Nederlandse slavernijgeschiedenis, is in 2011 gepromoveerd op Het slavenschip Leusden, dat gebouwd werd op het Amsterdamse Kattenburg en in 1718 in de monding van de Surinaamse Marowijnerivier verging, waarbij ongeveer 664 Afrikaanse gevangenen omkwamen. Grootste Nederlandse scheepsramp ooit, maar lang onbekend.

Duysker is onze gids in een nieuwe tv-documentaire over een ander slavenschip, de Neptunus uit Zierikzee, dat in 1785 door een explosie op zee voor het fort Nassau op de Goudkust (nu Ghana) verging. Bewust veroorzaakt door de slaaf gemaakten aan boord, die beseften dat hun opstand uiteindelijk toch zou mislukken – mede doordat van alle kanten andere vaartuigen (van Engelsen en Afrikanen) op het schip afkwamen om zich meester te maken van de handelswaar op het schip, waartoe naast ivoor en goud ook zij zelf behoorden. Naar schatting vierhonderd doden.

De kapitein was op dat moment niet aan boord maar wist later uiteindelijk toch nog acht van de vele vóór de explosie overboord gesprongen Afrikanen in Suriname te verkopen. Een even onbekend verhaal als dat van de Leusden, tot historicus Ruud Paesie er in 2016 een boek over schreef, waarin hij raadsels rond de gebeurtenis oploste. Dat boek werd de grondslag voor deze NTR-documentaire, die de bekendheid ongetwijfeld zal vergroten. Terecht, vanwege het onderwerp slavernij in het algemeen, dat lang weinig aandacht kreeg, uit desinteresse, ongemak en/of erger. En vanwege het feit dat verzet van slachtoffers van slavenjacht en -handel ook nog eens onderbelicht is. Hier zelfs verzet waarvoor de hoogste prijs, noodgedwongen maar bewust, werd betaald.

Duysker vertelt Balai, beiden met Afrikaans-Surinaamse roots, dat haar ouders ervoor kozen hun dochters niet op te voeden met het slavernijverleden. Ze heeft daar wel begrip voor (kinderen niet willen belasten, zal de overweging zijn) maar vindt het nu jammer omdat ze, ook kind van haar tijd immers, toch eerder pijnlijke dingen had willen weten. Balai begrijpt dat: ‘Het is deel van jezelf. Je moet gewoon weten wat je geschiedenis is, dat kan alleen door te onderzoeken wie je bent, te lezen, zonder bitterheid of zo. Het is een geschiedenis van ver in het verleden.’

Dat ‘zonder bitterheid’ zal menigeen niet bevallen. En het moet voor Duysker, die zich als presentator naar het verleden en letterlijk naar Nederlandse en vooral Afrikaanse plaatsen delict moest begeven, niet makkelijk zijn geweest die opdracht – of beter: dat advies – op te volgen. De confrontatie met materiële overblijfselen van de verschrikking wordt haar onderweg soms letterlijk en begrijpelijk te veel. En Afrikaanse gids Kwesi Kessel Blankson (wiens naam in dit verband haast schreeuwt om historische duiding) die haar gedreven vertellend en zingend rondleidt op het ooit Engelse fort Cape Coast Castle in Ghana, vraagt al helemaal niet om ‘mild beschouwend terugzien’. De profijten, mede behaald dankzij de gruwelkerkers waarin hij het lot van de gevangenen beeldend beschrijft, zijn gebruikt voor de opbouw van Europa. ‘En nu moeten wij smeken om hulp, leningen, subsidies’, zegt hij bitter. En om vaccins, denk ik.

Een Zeeuws schip dus, de Neptunus, dat verbaasde me niets gezien het grote Zeeuwse aandeel in de WIC. Het gewest Zeeland was ooit zelfs mede-eigenaar van Suriname. Maar algemene noties kunnen misleidend zijn: dat het uit Zierikzee kwam is hoogst uitzonderlijk. Dat leefde hoofdzakelijk van visserij en ‘gewone’ koopvaardij.

We leren de betrokkenen bij deze onderneming, onder wie kapitein Cornelis Vervenne en diens Amsterdamse partner Wesselman, die het schip charterde, enigszins kennen. Illustrator Rossel Chaslie maakt zelfs (fictieve) portretten van ze. Enigszins verbaasd constateert Sosha dat je niet echt kunt zien dat het om slavenhandelaren gaat – wat zowel behoorlijk naïef als tekenend is voor hoe zij (en soms of vaak wij) aan uiterlijk morele betekenis neigen te geven. Het is een verbazing die wel vaker terugkomt tijdens haar Afrikaanse reis – bijvoorbeeld over het grote aandeel van Afrikanen zelf in de slavenhandel, in allerlei functies en op allerlei niveaus.

Ik moest denken aan een documentaire die ik ooit zag over een Afro-Amerikaanse jongeman die genetisch afkomstonderzoek had laten doen, trots was op zijn Ashanti-roots maar in verwarring kwam door het feit dat ‘zijn’ koningen krijgsgevangenen in oorlogen verkochten aan Europese handelaren of zelfs rooftochten naar menselijke buit ondernamen. Wat uiteraard niets afdoet aan ‘witte schuld’. En als Sosha bijna over haar nek gaat in de stuitende spelonken van Europese forten op de kust, en door de beschrijving van omstandigheden daar, dan lijkt me dat haar huidskleur daar niet beslissend bij is. Wie walgt niet, zou ik zeggen. Waarmee ik me overigens niets wens toe te eigenen.

Langs de kust voer de Neptunus, op meerdere plekken koopwaar ruilend voor goud, ivoor, slaven. Die laatsten zaten maanden geketend aan boord, met grote sterfte door onder meer scheurbuik, terwijl toen al bekend was dat fruit de remedie was. Verbazingwekkend dat een eenvoudige rekensom het eigenbelang van betere voeding toch niet deed prevaleren. De onderneming verliep ook voor de knal niet voorspoedig: de internationale bemanning, van heinde en verre gemonsterd, was een zootje ongeregeld dat meermaals aan het muiten sloeg. En de meegebrachte handelswaar vond weinig aftrek bij Afrikaanse kooplieden. In zijn detaillering is het programma buitengewoon informatief, terwijl het juist ook de grote lijnen verheldert.

Mij bracht het een boeiend boek in herinnering waarin waarschijnlijk voor het eerst een slavenopstand in Suriname is beschreven. Een roman uit 1688 nota bene, van de Engelse Aphra Behn: Oroenoko of de Koninklijke Slaaf. Door Albert Helman vertaald en van een uitgebreid nawoord voorzien.

Behn was een uitzonderlijke vrouw. De ‘allereerste beroepsschrijfster in Engeland en waarschijnlijk in heel West-Europa’. Auteur van zeventien toneelstukken, dertien novels, gedichtenbundels en vertalingen. Voorvechter van vrouwenrechten op allerlei gebieden. Spion tegen onze Republiek. Als jonge vrouw belandde ze in Suriname, dat toen nog Engels was en waar haar vader een bestuursfunctie zou hebben gekregen, ware het niet dat hij onderweg stierf. Zij beschreef een opstand, die hoogstwaarschijnlijk ook echt plaatsvond in de tijd dat ze daar was.

De Afrikaanse leider ervan, die gruwelijk aan zijn eind komt, portretteert ze als superieure held. Over de Surinaamse ‘Indianen’ schrijft ze: ‘Voor mij vertegenwoordigden deze lieden de absolute idee van de eerste staat van onschuld, voordat het mensdom wist hoe te zondigen. (…) godsdienst zou hier alleen maar de rust vernietigen die zij door onwetendheid bezitten, en wetten zouden hun slechts overtredingen leren kennen waar zij nu geen weet van hebben.’

Voilà, de nobele wilden, 67 jaar voor Rousseau. Fundament voor cultuurrelativisme.

Curieus aan de lotgevallen van de Neptunus is de deelname aan ondernemerskant van Carel Rühle, zoon van een Duitse employé van de WIC en van een Afrikaanse vrouw. Er waren vaker relaties tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen. Los van de fysieke en geestelijke behoeften die eraan ten grondslag lagen waren ze voor witte mensen ook een manier om voet aan de grond te krijgen, betrekkingen aan te knopen, relaties op te doen in gemeenschappen die voor hen anders gesloten bleven, zegt historicus Michel Doortmont.

Deze Carel woonde in de tijd dat het schip voor de kust lag een tijd aan wal in het huis van zijn redelijk machtige broer. En nog altijd bestaat daar de familienaam Rühle. ‘Maar wij praten daar niet graag over’, zegt de gids – Europese afkomst is kennelijk (en begrijpelijk) beladen. Veel Rühles weten zelfs niet van hun herkomst. Maar goed, ook van Rühle tekent Rossel Chaslie een portret. Fictief uiteraard, maar hij geeft hem voor alle zekerheid een geschoren schedel omdat hij zijn Afrikaanse krulhaar liever niet zichtbaar gemaakt zal hebben, zich meer met Europa dan met Afrika identificerend. De afbeeldingen mogen fictief zijn, de karakterschetsen van de Europese hoofdrolspelers zijn dat niet. Terwijl we van de zich verzettende en daar gestorven Afrikanen niets weten. Geen Aphra Behn die hen vereeuwigt, al dan niet geïdealiseerd.


Aphra Behn, Oroenoko, de Koninklijke Slaaf, vertaald en van uitgebreid nawoord voorzien door Albert Helman, De Arbeiderspers, Grote ABC nr. 451, Amsterdam, 1983

Maarten Blokzijl (regie), Sosha Duysker (presentatie), Opstand op de Neptunus, NTR, woensdag 30 juni, NPO 2, 20.30 uur