Noodkreet

Volgens de Raad voor het Openbaar Bestuur moeten volksvertegenwoordigers dringend uit hun isolement treden. Dames/heren politici: nu is de tijd!

Door het lawaai rondom de val van het kabinet-Balkenende IV, het wapengekletter tussen de voormalige coalitiepartners cda en pvda in de nasleep van die val en de daardoor extra luide campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van deze week is de recente noodkreet van de Raad voor het Openbaar Bestuur (rob) door weinig politici gehoord.

Maar dat wil niet zeggen dat ze er niet alsnog naar moeten luisteren. Want als woensdagnacht de stemmen in de gemeenten zijn geteld, gaat er weer geklaagd worden over de lage opkomst van de kiezer. Die opkomst gaat dan samen met het succes van de pvv in Almere en Den Haag geduid worden als een kloof tussen burgers en politiek als gevolg van een gebrek aan vertrouwen.

Juist daarom is het des te meer tijd om het recente rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur waarin deze zijn noodkreet slaakt alsnog te bestuderen. Die tijd hebben politici dan ook. Want in Den Haag zullen ze het niet druk hebben met het Kamerwerk nu het kabinet demissionair is en voor de gemeentepolitici zijn de campagnes dan voorbij.

Bovendien kunnen de adviezen in het rob-rapport tijd besparen, zowel bij de collegeonderhandelingen in de gemeenten als in de aanloop naar de landelijke verkiezingen van 9 juni. Collegevorming en Kamerverkiezingen mogen dus geen reden zijn het advies onder op de stapel te leggen. Integendeel: de rob slaakt niet voor niks een noodkreet. Er moet wat gebeuren, en wel snel.

In zijn advies constateert de raad dat politici in een isolement opereren en onvoldoende draagvlak hebben voor hun handelen bij de bevolking. Dat is volgens de raad niet het gevolg van een vertrouwenskloof, maar van een overheid die nog denkt van bovenaf te kunnen besturen en over de levens van mensen te kunnen beslissen. De raad zelf formuleert het zo: ‘Mensen hebben nog steeds vertrouwen in het democratische stelsel, maar veel minder in de wijze waarop partijen en politici het invullen. Volksvertegenwoordigers hebben een beperkt draagvlak onder de mensen door wie ze zijn gekozen. Dit heeft gevolgen voor de besluiten die zij nemen en de wetten die zij maken. De rechtmatigheid daarvan - de legitimiteit - staat ter discussie.’ Als niet snel wordt gewerkt aan het vergroten van die legitimiteit, dan wordt het probleem volgens de raad te groot om nog te kunnen worden opgelost: 'De nood is hoog; niets doen is geen optie.’

Vervolgens komt de rob natuurlijk met ideeën om de legitimiteit te vergroten. Nieuw zijn die ideeën niet. Maar dat is geen reden om te verzuchten: daar gaan we weer. Het is eerder omgekeerd. Juist omdat keer op keer wordt gesteld dat de burger meer invloed moet krijgen op de keuze van politici, moet daar eens echt werk van worden gemaakt. Dat kan op allerlei manieren. Laat de burger bijvoorbeeld de burgemeester kiezen, geef zijn voorkeurstem een groter gewicht of versterk zijn band met een regionaal Kamerlid met behulp van een tweede stem. Dit zijn allemaal maatregelen die tijd, want wetgeving kosten. Maar de raad komt ook met adviezen die politici meteen kunnen toepassen. Wat dat betreft komt het rob-advies precies op tijd, ook al is dat gedeeltelijk toeval.

Suggestie: ga bij de collegeonderhandelingen geen akkoord uitwerken tot vijf details achter de komma, maar kom tot samenwerking op hoofdlijnen. Dat is geen advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur om die onderhandelingen die deze week in gemeenten meteen begonnen zijn te vergemakkelijken, maar om in de vier jaar die komen de burgers van een gemeente de kans te geven bij de uitwerking van die hoofdlijnen betrokken te zijn.

Andere suggestie: ga bij het opstellen van de verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamer eveneens niet tot in detail voornemens uitwerken, maar beperk je tot de waarden en beginselen van waaruit je opereert. Dat maakt keuzes duidelijk. Bijvoorbeeld eigen verantwoordelijkheid versus onderlinge solidariteit, lagere lasten versus de sterkste schouders de zwaarste lasten, marktwerking in de zorg versus geen marktwerking in de zorg of een kleine overheid versus een sterke overheid.

Dat kan de komende maanden alle partijen direct een hoop tijd besparen. Daarna overigens ook, want ook het coalitieakkoord tussen nieuwe kabinetspartners moet er volgens de rob een op hoofdlijnen zijn. Niet om daarmee in de jaren daarna glibberig als een aal er alle kanten mee op te kunnen, maar wederom om de heel concrete uitkomsten open te laten, zodat de burgers er nog over mee kunnen praten. Allemaal opdat de politiek weer beslissingen neemt en wetten maakt waarvoor draagvlak is in de samenleving.

Bij het tv-programma Buitenhof zondag leek het in de discussie tussen de fractievoorzitters Hamer (pvda), Kant (sp) en Halsema (GroenLinks) af en toe de kant op te gaan die de rob voor ogen heeft. Op die momenten ging het over de kans om nu, na de ruzies tussen cda en pvda, tot een progressieve samenwerking te komen en elkaar te vinden op de idealen die daarbij horen: menselijke maat, solidariteit, goed onderwijs, het belang van werk.

Maar dat stokte ook weer toen Kant van zowel de interviewer als haar collega-fractievoorzitters per se moest antwoorden op de vraag of voor de sp een aow-leeftijdsgrens van hoger dan 65 jaar nu wel of niet bespreekbaar was. Het leek echter of Kant al tijd had gehad het rob-advies te lezen. Ze liet zich niet verleiden tot een onbespreekbaar en poneerde dat zij tot de verkiezingen vooral haar idealen wil neerzetten. Op 9 juni is dan het woord aan de kiezer. Daarna wil ze verder praten.

Dat klonk ineens alsof wij, burgers, er zelf over gaan. Daar hoort dan wel bij dat ook wij, net als politieke partijen, incalculeren dat we niet allemaal onze zin kunnen krijgen.