Film - Stanley Kubrick

Noodsein in de sterren

Voor het eerst sinds eind jaren zeventig draait Stanley Kubricks meesterwerk 2001: A Space Odyssey in zijn oorspronkelijke vorm in Nederland. Een gebeurtenis om te koesteren.

Medium 2001 spaceodyssey 05
Keir Dullea als astronaut Dave Bowman © EYE Filmmuseum

Het sublieme moment komt aan het einde, met de verschijning van wat the star child is gaan heten. Ruimte en tijd zijn irrelevant tijdens het moment, aangezien we niet meer weten waar we zijn of wanneer dit zich afspeelt. Ook verhoudingen zijn onherkenbaar; het lijkt net of het sterrenkind zo groot is als een planeet. Maar het is astronaut Dave Bowman, althans wat hij is geworden door toedoen van de zwarte monoliet, het vreemde, artificiële object dat radiosignalen van de maan naar Jupiter stuurt. Om te onderzoeken wat er aan de hand is wordt ruimteschip Discovery gelanceerd. Na een rampzalige reis verandert Bowman in het sterrenkind: de nieuwe mens, misschien het wezen waarover Friedrich Nietzsche schrijft in Zo sprak Zarathoestra, de Übermensch.

Evolutie en de impact van vooruitgang vormen de thema’s van Stanley Kubricks beroemde film. Maar 2001: A Space Odyssey gaat ook over illusie en desillusie wanneer we dromen over progressie en perfectie. Dat maakt het moment van het sterrenkind zo overweldigend: wanneer het verschijnt is het net alsof er iets of iemand echt voor je ogen geboren wordt, en je weet niet of je moet huilen of lachen of moet wegrennen of blijven zitten in de bioscoopzaal. Dat sterrenkind is afgrijselijk, het is beeldschoon. Als dit de nieuwe mens van Nietzsche is, zo ultiem bevrijd van zichzelf en van concepties van God, willen we dat dan wel? Het wezen staart je aan, ongelooflijk intens. Dat is precies wat 2001 doet: de film kijkt direct naar ons, hij vertelt ons nu meer dan ooit tevoren wie we zijn en wie – of wat – we zouden kunnen worden.

De productie van de film viel ongeveer samen met de voorbereidingen van de maanlanding in 1969. De sfeer in die tijd was er een van onbegrensde mogelijkheden. Daarom was de tekst die zo’n half uur voor het einde van 2001 in beeld verscheen, ‘Jupiter and beyond the infinite’, destijds allerminst een kwestie van sciencefiction. Als we nu al op de maan kunnen landen, dacht men, zullen we er over dertig, veertig jaar toch echt toe in staat moeten zijn veel verder de ruimte in te gaan. Het punt is: het sterrenkind was eind jaren zestig een idee, een metaforische voorstelling van een volgende stap in de menselijke evolutie. Toen Kubrick zijn film maakte was dit alles veel dichterbij dan nu. Naar de maan, naar Mars en daar voorbij. Het was een blik op de toekomst. Maar daar is niets meer van over. Tegenwoordig kunnen we nauwelijks een ruimtevaartuig met passagiers tot buiten de dampkring brengen. De toekomst lijkt afgelopen.

In het licht hiervan is het zien van 2001 een openbaring. In EYE Filmmuseum in Amsterdam draait Kubricks meesterwerk deze zomer in de vorm van een nieuw aangekochte, gerestaureerde print in 70 mm, wat betekent dat het filmbeeld groter en scherper is dan versies die met de eerste release te zien waren. Voor zover het te achterhalen valt, is dit de eerste keer sinds eind jaren zeventig dat de film in deze vorm in een Nederlandse bioscoop te zien is. Het is een gebeurtenis om te koesteren. Bovendien legt het event twee uiteenlopende kwesties bloot die alles met elkaar te maken hebben: ten eerste laat deze vertoning van de fysieke film eens temeer zien dat de cinematografische vooruitgang in de vorm van digitalisering in werkelijkheid een flinke stap achteruit is. Ten tweede verbeeldt 2001, het resultaat van samenwerking tussen Kubrick en sciencefictionauteur Arthur C. Clarke, een moderne wereld die in 2017 verder weg is dan ooit. In het verlengde hiervan ligt de kernkwestie, de vraag over het nihilisme vervat in de visie van de nieuwe mens: zijn we echt alleen?

Pakweg vier miljoen jaar geleden stuiten mensapen op een monoliet, achtergelaten door intelligente, buitenaardse ontdekkingsreizigers met als doel het observeren van de bewoners én het beïnvloeden van hun evolutionaire ontwikkeling. Na het eerste gebruik van het eerste stuk gereedschap, een bot als hamer, springen we naar het volgende evolutionaire tijdperk: met zijn ‘gereedschap’ verlaat de mens de aarde. Op de maan vindt men een tweede monoliet, volgens Kubrick daar achtergelaten als ‘kosmisch inbraakalarm’. Het artefact stuurt vervolgens een signaal naar een derde monoliet die in een baan rond Jupiter draait.

Als dit de nieuwe mens van Nietzsche is, willen we dat dan wel?

Het narratief is belangrijk – Clarke schreef in totaal vier bijzonder aardige Space Odyssey-romans – maar 2001 is vooral een film voor de hersenen. In het visueel verhalen vertellen was het werk zijn tijd lichtjaren vooruit. Over de teloorgang van cinema maakte Kubrick zich toen al zorgen. Hij zei: ‘Mensen gebruiken hun ogen niet echt. Film is géén theater, en als we deze les niet leren, zullen we geketend blijven aan het verleden, zodat we het grote potentieel van het medium zullen mislopen.’

Dat is het punt, de grote les: 2001 gaat wat betreft vorm én inhoud over ontwikkeling en vooruitgang, over een blik op het sublieme. Net zoals de kern van het verhaal een mysterie is, nog altijd, zo is het onverklaarbaar hoe de film na al die jaren tijdloos kan zijn. Kijkend naar de 70 mm-print in de grote zaal van EYE kon ik de naden van de film niet ontdekken, hoe ik ook mijn best deed. We hebben het over eind jaren zestig, maar ik zag geen bewijs van verouderde special effects of mislukte miniatuurfotografie of archaïsche belichting; geen mensapen die lijken op mensen in apenpakken, geen lachwekkende voorstelling van leven in de toekomst, geen acteur die ook maar één slag mist. De film komt uiterst dicht bij cinematografische perfectie. Ook al werd hij bijna vijftig jaar geleden gemaakt, overtroffen werd hij tot op de dag van vandaag niet.

Kubrick was een meester, maar er is meer aan de hand dan dat. Het gaat erom dat we deze ‘stijl’ van cinema zo goed als kwijt zijn. Lang dachten we dat het verdwijnen van film als fysieke vorm ten gunste van film als gedigitaliseerd medium ‘vooruitgang’ was. Hierin lijken we op de personages in 2001 die zeer in hun nopjes zijn met alle technologische wonderen. Bijvoorbeeld: het ruimteveer van Pan American met aan boord dr. Heywood Floyd, een wetenschapper die de monoliet op de maan onderzoekt en walst richting het ruimtestation op de maat van An der schönen blauen Donau van Johann Strauss. Maar de oogverblindende schoonheid bedriegt. In werkelijkheid bespot Kubrick de technologie van de mensen: een stewardess heeft ‘kleefschoenen’ aan om het gebrek aan zwaartekracht tegen te gaan; de ruimtevaarders eten bespottelijke dingen zoals doperwtjes en wortels in vloeibare vorm; en arme dr. Floyd weet zich maar geen raad met een ‘antizwaartekracht wc’. Hoe pathetisch zijn deze supermoderne figuren wel niet, met als dieptepunt de scène waarin dr. Floyd en een groepje collega’s bij de monoliet op de maan arriveren – en vervolgens selfies maken. Hoe blind, hoe narcistisch. Het is niet verwonderlijk dat de buitenaardse intelligentie juist op dit moment een signaal in het object activeert waarna de hulpeloze mensen in hun ruimtepakken ineenzakken. Het is tevens een noodsein richting Jupiter, een waarschuwing: gebeente is ruimteschip geworden, ze zijn onderweg.

Hoe stuntelig de mensen ook, ze zijn tenminste een stapje verder dan daarnet, toen ze maar nauwelijks rechtop konden lopen of ze gingen elkaar met botten te lijf. Inmiddels hebben ze nieuw gereedschap gemaakt, de HAL 9000, een computer met een bewustzijn, het hart van de Discovery die naar Jupiter onderweg is om het signaal te onderzoeken. ‘HAL’ is op het oog een en al rationaliteit, en in die zin is hij een afspiegeling van de mensen aan boord, de astronauten Dave Bowman en Frank Poole die geen enkele emotie tonen. Hun koele afstandelijkheid staat in schril contrast met de basale instincten van hun vroege voorvaderen, de wilde mensapen. Dit is ‘vooruitgang’: de mens gefuseerd met technologie in de vorm van ruimteschepen en kunstmatige intelligentie. Dave en Frank hebben weinig te doen behalve slapen, joggen, eten en schaken tegen HAL van wie ze niet kunnen winnen. Wat het eerste voorteken is.

HAL, een duivelse verwijzing van Kubrick naar computerfabrikant ibm, heeft ‘ogen’ in de vorm van een rode cameralens die Dave en Frank constant observeert, soms vanuit het perspectief van de toeschouwer. Dat is onthutsend om te ervaren. Kubrick dwingt ons deze vereenzelviging met de machine op, hij maakt ons tot apollinische entiteiten, net als Frank en Dave. En dat terwijl langzaam duidelijk wordt dat HAL juist de ándere kant opgaat, de kant van ‘I’m afraid, Dave. Dave, my mind is going. I can feel it. I can feel it. My mind is going…’ HAL die zomaar Daisy Bell gaat zingen, blijkbaar hunkerend naar een onbereikbare liefde. De ironie is schrijnend: na al die eeuwen van progressie zijn we op weg naar een verheven bestaan, maar in dit proces raken we iets essentieels kwijt, en dat is de mogelijkheid van gevoel.

Zo balanceert Kubrick in 2001 tussen de uiterste polen van Apollo en Dionysus en tussen mens en Übermensch. Vervolgens doet hij het ondenkbare: hij neemt ons tot voorbij het oneindige, naar de waarheid. Wat in de echte wereld niet kan, kan nu in de bioscoop, waar meer dan honderd mensen op de première bijeen zijn. Je kunt een speld horen vallen. Totale desoriëntatie. Verbijstering. Dít heeft niemand ooit meegemaakt. De 70 mm-film geprojecteerd op het grote scherm: Dave Bowmans trip komt door het sterrenhek heen zo dicht bij een ervaring van het cinematografische sublieme als maar kan. Zarathoestra spreekt; Richard Strauss’ compositie spoelt over ons heen. Kubrick manipuleert onze hersenen, hij raakt onze ziel. Zodat we iets zien wat we niet zouden moeten zien. Het wezen kijkt naar ons, the star child. God is dood. In de sterren leeft de mens.


2001: A Space Odyssey, deze zomer in 70 mm in EYE Filmmuseum, Amsterdam, eyefilm.nl