Gerrit Komrij, Demonen: Autobiografische verhalen

Nooit gebrek aan stof

Gerrit Komrij

Demonen: Autobiografische verhalen

De Bezige Bij, 218 blz., € 18,50

Er moet een verband zijn tussen wereldbeeld en taalbeheersing. De mooiste, scherpste en geestigste stukken worden geschreven door nihilisten en zwartkijkers. Of heet dat verband gewoon intelligentie? Realiteitszin wellicht? «Ik idealiseer mijn kinderjaren niet», schrijft Gerrit Komrij in een van zijn autobiografische verhalen, recent gebundeld in Demonen. «Ik weet niet eens of ik ze wel heb gehad.» Om even doorredenerend al snel tot de constatering te komen: «Het leven was vroeger even ondraaglijk en ondraaglijk zal het blijven tot de motor stilstaat, al of niet tegensputterend.»

In zijn onontkoombare zwartgalligheid is Demonen een buitengewoon opwekkend boek. Dit land, bevolkt met masochisten, mierenneukers en houten koppen, vond in Komrij de gedroomde hofdichter met in de ene hand de ransel en in de andere de kroontjespen. En mocht hij beide instrumenten in zijn gelegenheidsgedichten niet altijd even effectief ter hand nemen, dan maakt hij dat in dit boek, dat zich laat lezen als een autobiografie, weer helemaal goed.

«Eens hoopte ik schrijver te worden», schrijft hij in het openingsstuk Hoop, «maar zie, ik belandde in de Nederlandse literatuur. Een literatuur waar misprijzen, luchtfietsen, slijmen en hysterie de toon aangeven.» Komrijs misprijzende blik richt zich in de afdeling Goeie vrienden, dooie vrienden — uit hysterische roddelzucht dezerzijds als eerste opgeslagen — op personen wier naam hij niet noemt en wier identiteit zich daardoor des te meer opdringt. Openhartige stukken die, voorzover ik op de hoogte was van vriendschap en animositeit, mijn mening weer helemaal bijstelden. Komrij neemt de lezer voor zich in, wat misschien een wonder is bij zoveel geëtaleerd chagrijn. In zijn genadeloze analyses komt hij echter uiteindelijk altijd bij zichzelf uit, of het nu gaat om zijn niet-aflatende meisjesachtige dweepzucht of om zijn uiterlijk verval.

Het mooiste stuk in deze afdeling is Spiegelbeeld. Hierin beschrijft hij de ontmoeting tussen de komende en de gaande autoriteit op bloemleesgebied. Eerst lacherig en vilein, maar halverwege sluipt er een andere toon in het verhaal. Want nu is het zíjn beurt om tussen de hoog met boeken opgetaste wanden, bevend en loerend, jonge dichters te ontvangen. «Ik probeer me te concentreren op de grijze, vogelachtige bloemlezer van destijds met zijn delirium tremens — de ster die is ondergegaan. De beelden van hem en mij vloeien dooreen, ik zie hoe hij met mijn ogen naar zichzelf kijkt en hij ziet hoe ik naar hem kijk alsof ik het zelf ben. Twee, vier, acht, zestien ogenparen vullen zich met tranen.»

Ook aan het lafhartige volk dat zich critici noemt, wijdt Komrij enige behartigenswaardige pagina’s. «Een criticus wil vooral zijn eigen hoop neerleggen. Aan literatuur heeft hij een broertje dood.» Eenieder die zich ooit persoonlijk bescheten voelde door zo’n «wispelturige lafaard» leze de pagina’s 128 tot en met 131. Komrij kent zijn zaakjes, van beide kanten; hij was immers ooit de «meest gevreesde» criticus van Amsterdam en omstreken. «Mocht ik nog één keer aan alle schrijvers die me niet bevallen, en aan alle schrijvers die me wel bevallen, een beetje van mijn eigen kostelijke stront smeren!»

Met Demonen beoefent Komrij een uniek genre, waarin hij al eerder bewees heer en meester te zijn. Hij is geen columnist maar een schrijver; tijdelijke gektes, ziektes en ergernissen zijn dankzij Komrijs blik voor altijd in een hoger plan opgenomen. Zijn bot elegante stijl, waardoor iedere mededeling een bijtend aforisme wordt, is uniek. Kritisch zijn kan iedereen. Klein talent moet hard werken. Een ouwe zeur heeft nooit gebrek aan stof. Eén flinke bolus en de brede weg naar de kunst is geplaveid. Als de hoofdzaak van huis is, dansen de details op tafel. Waarom willen de lelijkerds ook zo nodig? A Komrij a day keeps the doctor away.

«Some books are to be tasted, others to be swallowed, and some few to be chewed and digested…» gaf Komrij zijn «encyclopedie van het gevoel» Humeuren en temperamenten (1989) als motto mee, ontleend aan de essays van Francis Bacon. Kauwen en herkauwen, daartoe lenen ook deze stukken zich als geen andere.