Maandag, 13.00 uur

Momenteel probeer ik al een aantal dagen te schrijven. De Humboldt-universiteit in Berlijn heeft me uitgenodigd om volgende maand een lezing te houden en ik heb besloten te spreken over metamorfoses en het heruitvinden van jezelf.

Ik probeer te schrijven, maar elke zin, elk woord klinkt fout en schel tegelijk, elke formulering die ik op het toetsenbord van de computer typ, ruikt naar as – waarom?

Toen hij ontdekte hoe moeilijk schrijven kan zijn, noteerde Imre Kertész in zijn dagboek: Alles noteren zoals het bij je opkomt (maar het komt niet op).

Soms droom ik dat ik op dit podium, waar van me verwacht wordt dat ik mijn tekst uitspreek, kan zeggen dat het me spijt, dat ik heb geprobeerd iets te schrijven, maar dat het niet gelukt is.

Het toegeven van een mislukking heeft in mijn ogen een fundamenteel emancipatorisch aspect.

Toen ik boeken begon te schrijven, kwam ik erachter dat schrijven ongelooflijk moeilijk is; ik herinner me dat ik biografieën van en interviews met auteurs las die ik bewonderde, Toni Morrison, Anne Carson, William Faulkner, Imre Kertész, en telkens als ik een zin las waarin een auteur erkende dat ook haar of hem soms iets niet gelukt was, putte ik daar kracht uit. Lezen dat Toni Morrison of William Faulkner zei: ‘Ik heb gefaald’, gaf me meer kracht dan iedere aanmoediging van het type ‘je kunt het’ of ‘het is mogelijk’.

Maandenlang zocht ik obsessief naar die woorden: ‘falen’ en ‘mislukken’.

In het boek dat ik aan het leven van mijn vader heb gewijd, heb ik uitgelegd hoe ik hem in mijn kinderjaren bijna elke dag hoorde zeggen dat een man en een jongen niet mogen huilen, dat alleen vrouwen huilen, en toch zie ik als ik naar het verleden kijk dat hij, mijn vader, onophoudelijk huilde, als hij te veel had gedronken, als hij gelukkig was, als hij ruzie had met mijn moeder.

Mijn moeder huilde daarentegen nooit.

Als mijn vader huilde, kwam dat doordat hij in zijn woorden een norm van mannelijkheid reproduceerde waaraan hijzelf niet kon voldoen; het lukte hem niet. Zou het anders zijn geweest als op een dag een andere man uit het dorp mijn vader was komen opzoeken achter het huis waar hij hout aan het hakken was of op het trottoir langs de straat waar hij aan zijn auto sleutelde, en als die man hem zei dat ook hem iets niet gelukt was, dat ook hij niet aan die norm kon voldoen?

De geschiedenis is misschien in feite de geschiedenis van een serie normen waar we niet aan blijken te kunnen voldoen.

Misschien kan dus een opmerking over mislukken een eerste stap zijn naar een nieuwe discussie over die ficties die we creëren, hoewel ze in tegenspraak zijn met ons lichaam, de fictie van de mannelijkheid, van wat een man/mens is, de fictie van wat een schrijver is, al die ficties kunnen onze levens eeuwenlang blijven beïnvloeden, zelfs al lukt het niemand ze min of meer te belichamen.

Ik zou hier willen stellen dat als ik spreek over falen of mislukken, ik in zekere zin de werkelijkheid naar voren breng zoals ze is, los van een sociaal geconstitueerde reeks ideologieën, mythen en verwachtingen.

Misschien vormt het erkennen van een mislukking de radicaalste vorm van autobiografie.

Conclusie: Ik zeg ik faal, dus ik zeg Ik.
Een vraag:
Wat laat je los als je verandert? Wie laat je los?

Maandag, 15.00 uur

Ik herlees boeken die vertellen over de trajecten van mensen die zijn veranderd, dat wil zeggen mensen die zich hebben heruitgevonden en die alles in het werk hebben gesteld om weg te vluchten van een verleden waar ze niet meer naar verlangen of achter staan. Le rouge et le noir van Stendhal natuurlijk, Bel ami van Maupassant, de figuur van Rastignac in Le père Goriot van Balzac, Retour à Reims van Didier Eribon, La bâtarde en La folie en tête van Violette Leduc, de boeken van Annie Ernaux, Au bonheur des dames van Émile Zola.

In Au bonheur des dames komt Denise, een jonge vrouw, uit een provinciestadje aan in Parijs. Ze krijgt een baan in het eerste zelfbedieningswarenhuis van Frankrijk, en wordt daar geleidelijk iemand anders, een andere persoon, ze klimt op in de hiërarchie van de winkel en leert nieuwe manieren van zijn, van zich gedragen, van zich kleden, manieren die verband houden met haar nieuwe positie in de wereld. De directeur van het warenhuis wordt verliefd op haar. Het zou allemaal heel mooi kunnen aflopen, maar hoe meer Denise verandert, des te meer de vrouwen en mannen met wie ze in de winkel werkt een hekel aan haar krijgen. Ze verwijten haar dat ze wil opvallen, dat ze zich anders wil voordoen dan ze is, dat ze zich boven hen voelt staan. Uit een oppervlakkige psychologische analyse zou waarschijnlijk blijken dat ze jaloers zijn, maar een meer sociologische benadering kan er het bewijs in zien van wat Pierre Bourdieu ‘sociale reproductie’ heeft genoemd, het reproduceren van de wereld zoals ze is, inclusief ongelijkheden, verschillen en onrechtvaardigheden. Die sociale reproductie is niet alleen verbonden met instituties zoals de staat en het schoolsysteem, maar ook met alle individuen die het geweld op de wereld verinnerlijken en omzetten in een verlangen het geweld van de wereld te continueren, in een verlangen naar orde, het verlangen dat iedereen op zijn plaats blijft.

Een verandering beschrijven is de geschiedenis beschrijven van de krachten die zich verzetten tegen de mogelijkheid van verandering.

‘Het verhaal van een ding’, schrijft Gilles Deleuze, is globaal genomen het verhaal van een opeenvolging van krachten die zich er meester van maken en het naast elkaar bestaan van krachten die strijden om zich er meester van te maken.

Die keer dat ik op het lyceum de mensen om me heen meedeelde dat ik Édouard wilde heten en niet meer Eddy – want Eddy was de voornaam die mijn vader voor me had gekozen bij het kijken naar Amerikaanse series op televisie, een naam die ik associeerde met een kindertijd waar ik een hekel aan had –, toen ik dat besluit om te veranderen in mijn omgeving bekendmaakte, antwoordden zelfs mijn beste vrienden verbaasd: ‘Wie denk je wel dat je bent? Waar ben je op uit? Voor ons ben en blijf je Eddy.’

Ik besefte dat veranderen betekent dat je de confrontatie aangaat met de hele wereld.

Maandag, nog steeds

Voordat ik er vandaag een punt achter zet, moet ik één ding niet vergeten: schoonheid; het verhaal van een verandering is een verhaal van opeenvolgende gewelddadige momenten, jazeker, maar het is ook een verhaal van overweldigende, onvergelijkbaar mooie momenten.

Nadat ik die beslissing had genomen mijn voornaam te veranderen en maanden bezig was geweest om met een advocaat mijn identiteit langs legale weg te veranderen, heb ik op de dag dat ik mijn nieuwe paspoort ontving, waarop ‘Édouard’ stond, een van de meest intense geluksgevoelens ervaren van heel mijn bestaan, meen ik wel te kunnen zeggen.

Ik bekeek mijn nieuwe identiteitspapieren en dacht: deze naam is nu jouw naam, de naam die je hebt gekozen, de naam van je heruitgevonden ik en van je vrijheid. Deze naam is de naam van je vrijheid.

Een vriend hoefde maar te vragen: ‘Hoe gaat het, Édouard?’ of ‘Regent het buiten, Édouard?’ en ik voelde een enorme euforie. Alle opmerkingen in het dagelijks leven, de banaalste en de evidentste, werden herinneringen aan en bewijzen van mijn vrijheid, van het losscheuren van mijn verleden.

Dinsdag, 12.15 uur

En toch moet ik mezelf de vraag wel stellen: Als veranderen synoniem is met loslaten, wie of wat laat je dan los als je verandert?

Niet zo lang geleden werd ik gebeld door mijn moeder. Ze vroeg hoe het met me was en na een gesprekje over mijn jongere broer en over het weer, onbenulligheden, zei ze dat ze geld moest verdienen, voor zichzelf, voor het dagelijks leven en voor haar uitstapjes – ik wist niet wat ze daarmee bedoelde, haar uitstapjes. Ze liet er een paar seconden overheen gaan, haalde weer adem en ging zo verder: ‘Daarvoor heb ik werk nodig. En ik heb bedacht dat ik bij jou zou kunnen schoonmaken, jouw werkster zou kunnen zijn. Dan kom ik uiteraard als jij er niet bent, ik zal je niet storen. Ik maak schoon, jij legt het geld klaar op tafel en ik ben weer weg. Je zult me niet zien.’

Zij hadden als kind gereisd en ik had NIET gereisd. Sommigen spraken op hun veertiende al Engels en ik sprak GEEN Engels

Ik was zo verbaasd dat ik mezelf moest dwingen om te antwoorden. Ik probeerde het, ik kwam niet goed uit mijn woorden, ik zei dat het niet mogelijk was, ik kon dat niet doen. Ik voegde eraan toe dat ik haar wat geld kon geven als ze het nodig had, maar ze zei: ‘Nee, nee, ik vraag geen aalmoes. Wat ik nodig heb, is werk. Denk er goed over na.’

Als ik in mijn kindertijd bij haar in het dorp bevoorrechte mensen zag, de burgemeester, de jongere bewoners van het kasteel, de eigenaars van de apotheek, de kruidenierster, had ik meestal een hekel aan ze, want ik zag in hen alle privileges die buiten mijn bereik lagen.

Ik had een hekel aan hun lichaam, hun vrijheid, hun geld, hun ongedwongen manier van doen.
Betekent het feit dat ze me die dag vroeg of ze mijn werkster kon worden, dat ik zo’n lichaam ben geworden?

Ben ik het lichaam geworden waar ik een hekel aan had?

Dinsdag, 14.00 uur

Eigenlijk moet ik opnieuw beginnen: Ik ben geboren in een klein dorpje in Noord-Frankrijk waar tot eind jaren tachtig bijna alle bewoners in de plaatselijke fabriek werkten.

Ten tijde van mijn geboorte, vanaf de jaren negentig, hadden er verschillende golven van ontslagen en verhuizingen plaatsgevonden, de meeste mensen om me heen waren werkloos of leefden van een uitkering. Mijn ouders waren met school gestopt toen ze vijftien, zestien waren, net als hun ouders vóór hen en net als hun kinderen – mijn broers en zussen – na hen. Mijn vader was ongeveer vijftien jaar fabrieksarbeider geweest, totdat er een aan kabels opgehangen gewicht op hem viel en zijn rug verbrijzelde. Mijn moeder werkte niet, of maar heel af en toe, dan waste ze de bejaarden in het dorp; mijn vader zei dat de plaats van een vrouw in huis is, om voor de kinderen en het huishouden te zorgen.

Toen ik veertien was, ben ik naar het lyceum gegaan. Ik was, net zoals Didier Eribon in Retour à Reims beschrijft, een klassenoverloper. Omdat ik de eerste in mijn familie was die ging studeren en de eerste die in een grote stad ging wonen, de stad waar het lyceum stond, werd ik plotseling geconfronteerd met situaties die compleet nieuw voor me waren. De medeleerlingen op het lyceum spraken een taal die ik niet verstond, ze hadden het over toneel, klassieke muziek, film. In die tijd was ik nog nooit in een theater geweest, mijn kennis ging niet verder dan de paar sketches die aan het eind van het schooljaar in de onderbouw voor de ouders werden voorbereid, ik kende de muziek niet, ik wist niet dat er zoiets als ‘de geschiedenis van de film’ bestond. Zelfs door de kleding die ik droeg was ik anders dan mijn medeleerlingen, die grotendeels afkomstig waren uit de culturele middenklasse van de stad. Ze droegen jeans, poloshirts, overhemden, terwijl ik in trainingspakken en op kleurige sneakers liep, vanwege de invloed van rap in de wereld van mijn kinderjaren.

Dinsdag, een paar uur later

Een paar situaties waarin ik voelde dat ik verschilde van de medeleerlingen op het lyceum:
Op een middag, in de gang, had een meisje het over een musicus die Richard Wagner heette. Ik had nog nooit van hem gehoord. Ik hoorde de trots in de stem van dat meisje toen ze Wagners naam uitsprak, een zekere distinctie, en schaamde me dat ik niet wist wie hij was. ’s Avonds ging ik naar Wikipedia, zocht naar de pagina Wagner, schreef zo veel mogelijk informatie op een stuk papier en leerde die uit mijn hoofd. De volgende dag zocht ik dat meisje weer op en zei tussen neus en lippen door: ‘Gisteren heb ik de hele avond naar Tristan en Isolde geluisterd. Wagner is altijd al mijn favoriete componist.’

Ze trok haar wenkbrauwen op. Ze dacht dat ik gek was. (Waarom had dat meisje meer aanzien gekregen door een verwijzing die mij belachelijk had gemaakt?) Elke dag vergeleek ik mezelf met anderen en begreep ik dat mijn leven niet meer dan een aaneenschakeling van ontkenningen was. Zij hadden als kind gereisd en ik had NIET gereisd. Sommigen spraken op hun veertiende al Engels en ik sprak GEEN Engels. Zij kenden de namen van Jean-Luc Godard en Isabelle Huppert en die kende ik NIET.

Op een keer vroeg iemand me waarom mijn tanden zo schots en scheef in mijn mond stonden. Ik loog. Ik zei niet dat een tandarts in mijn familie een luxe was, dat het verzorgen van je tanden als een bijzaak werd gezien, als niet echt belangrijk. In plaats daarvan antwoordde ik dat mijn ouders intellectuelen waren, zeg maar erfgenamen van mei ’68, en zo gefocust op intellectuele zaken, kunst, politiek, literatuur dat ze het lichaam erdoor verwaarloosden.

Tussen mijn achtste en veertiende jaar ging ik één keer per week met mijn tante naar de supermarkt in de dichtstbijzijnde stad. De hele week bereidde ik me voor en zag ik uit naar dat verzetje. Ik kwam rond twee uur met mijn tante aan in de enorme winkel, waar het rook naar vlees en warm brood, en ik bracht daar de dag door, tot een uur of zeven ’s avonds, praktisch zonder iets te kopen, misschien een blikje cola en wat snoep, gewoon daar, tussen de schappen, gefascineerd door de eindeloze wildgroei aan producten, waarvan ik wist, zonder erbij stil te staan, dat ik er nooit toegang toe zou krijgen. Degenen die ik op de middelbare school ontmoette, hadden hun weekend doorgebracht in het theater of in de bioscoop, in de dierentuin, en ik in de supermarkt.

Ik realiseerde me dat ik daar niet over kon praten met mijn nieuwe vrienden, dat ze zouden lachen of het niet zouden begrijpen.

Woensdag, 17.00 uur

Gisteren een etentje met Didier en Geoffroy. Ik vertelde ze over de teksten die ik lees ter voorbereiding van de lezing in Berlijn.

In zijn boek over de geschiedenis van het man-zijn en de viriliteit laat historicus George Mosse zien hoe de ideologie van viriliteit historisch gezien berust op het afwijzen van personen die als zwak worden beschouwd. De introductie van het concept viriliteit in de moderne wereld hangt volgens Mosse samen met het maatschappelijk gangbare verschijnsel ‘antitypen’, die door de voorstanders van viriliteit worden buitengesloten om de idee van viriliteit zelf te rechtvaardigen: homoseksuelen, vrouwen, de als verwijfd geziene jood.

Als we Mosse tot het einde toe volgen, kunnen we zeggen dat de wording van een identiteit, het opbouwen ervan, in de eerste plaats een poging is jezelf te definiëren als ergens tegen gekant, een poging om dingen niet te zijn: viriel zijn is niet zwak zijn, niet gay zijn, niet vrouw zijn, niet gezien worden als verwijfd. Mosse ziet een identiteit vooral als een negatieve energie. Een identiteit is een constructie die stoelt op het afwijzen van spookbeelden teneinde zichzelf te kunnen definiëren.

Woensdag, 19.00 uur

Denkbeeldige brief aan mijn moeder:

Lieve M.
We hebben allemaal onze spookbeelden, en toen ik begon te veranderen, ben jij mijn spookbeeld geworden. (Het spijt me.)

Na een paar dagen op het lyceum werd elk van mijn bewegingen, elk van mijn beslissingen een strijd om anders te zijn dan jij. Je bent nooit zo aanwezig geweest in mijn leven als na mijn vertrek. De manier waarop ik mijn kleren koos, waarop ik liep, alles werd gedaan tegen jou. Je bent, om het concept van Mosse te gebruiken, mijn antitype geworden.

Ik stopte met hard aan mijn neus te krabben in het bijzijn van anderen, zoals jij deed en wat ik had overgenomen.

Ik probeerde mijn Noord-Franse accent uit te bannen, omdat ik jouw accent niet wilde hebben. Me afzetten tegen dat accent was ook me afzetten tegen jou.

Ik wilde geen televisie meer kijken zoals we vroeger thuis deden.

De eerste keren dat ik naar het theater ging en Krzysztof Warlikowski, Thomas Ostermeier en Anne Teresa De Keersmaeker ontdekte, verscheen jij in mijn gedachten en mompelde ik: Nu ben ik ver van haar verwijderd.

In Retour à Reims legt Didier Eribon uit dat hij na het verlaten van zijn ouderlijk huis om te gaan studeren, zijn moeder soms een kaartje stuurde om een zo minimaal mogelijke band te onderhouden. Als ik jou een kaartje stuurde, was het niet de bedoeling om een band, hoe minimaal ook, in stand te houden. Ik deed het om je te laten zien dat ik niet meer was zoals jij, dat ik deel uitmaakte van de sociale klasse van mensen die reizen (het spijt me).

Als veranderen synoniem is met prijsgeven, dan was jij dat deel van mij dat ik prijsgaf om iemand anders te worden.

Nog altijd woensdag

Als het gaat om de heruitvinding van jezelf, is het belangrijk om het geweld van het veranderen niet te overschatten. Ik moet voorzichtig zijn. Ik herlees mijn aantekeningen van de afgelopen dagen en zie dat ik uitgebreid ben ingegaan op het geweld dat het gevolg kan zijn van transformatie, maar volgens mij mogen we in zekere zin het geweld van het veranderen niet overschatten, want dat is puur een verdachte vorm van zelfgenoegzaamheid, zelfverheerlijking en een bedekte manier om jezelf gerust te stellen: ‘Ik ben veranderd.’

Een verandering beschrijven is de geschiedenis beschrijven van de krachten die zich verzetten tegen de mogelijkheid van verandering

Dat ik me afvraag hoe gewelddadig verandering is voor de personen rond het veranderende individu, komt doordat ik impliciet denk dat zij om hen geven, dat ze geven om degenen die vertrekken.

Een herinnering: Het is voorjaar. Een jaar na de middelbare school, ik studeer sociologie en filosofie in Parijs. Die dag had ik mijn moeder gebeld om haar te zeggen dat ik haar in het dorp zou komen opzoeken. Het was een belangrijk moment voor mij, ik was er al jaren niet meer geweest. Ik had al een heel drama bedacht, dat van de zoon die na jaren van stilte terugkeert, een mooi beeld, maar toen ik mijn moeder belde om haar te zeggen dat ik naar huis kwam, antwoordde ze dat het haar niet schikte. ‘Waarom niet?’ vroeg ik en ze antwoordde dat ze een nieuwe vriendin ging opzoeken. Ik drong aan en zei dat ik al jaren daar niet meer was geweest, dat haar vriendin maar een paar honderd meter van haar vandaan woonde en dat ze elkaar elk moment konden opzoeken, maar ze herhaalde dat het haar speet, het kon niet.

Ik werd gedwongen het volgende te beseffen: ze had me niet verwacht. Jarenlang had ik zonder het te weten rondgelopen met het idee dat de mensen die ik had achtergelaten toen ik wegging op me wachtten. Maar ik had het mis. Ik leefde mijn leven en zij dat van hen.

Als veranderen synoniem is met loslaten, is veranderen ook synoniem met losgelaten worden.

Donderdag, 13.00 uur

Op het lyceum heb ik mezelf geleidelijk heruitgevonden.

Ik heb mijn manier van spreken, mijn stembuigingen, mijn zinsritme veranderd.

Ik heb mijn manier van denken veranderd, in overeenstemming met de dingen die ik op het lyceum leerde, en met de linkse idealen die ik ontdekte en waarin ik me herkende.

Ik heb mijn manier van eten veranderd. Bij mijn ouders thuis zei mijn vader altijd dat groenten ‘voor meisjes’ waren. Hij at ze nooit. In de stad ontdekte ik dat het eten van groenten als iets positiefs werd gezien, zelfs als een teken om je te onderscheiden, als een manier om goed voor jezelf te zorgen. Toen ik zestien was, proefde ik mijn eerste tomaat (mijn moeder heeft ze me vast wel gegeven toen ik heel klein was, maar dat kan ik me niet herinneren). Ik herinner me dat ik de smaak van tomaat ontdekte, de smaak van aarde en zon. Me dunkt dat niet veel mensen zich hun eerste tomaat herinneren.

Ik heb ook mijn kleedstijl veranderd, om op de andere scholieren te lijken. Op een dag heb ik alle kleren die verbonden waren met mijn kindertijd, joggingbroeken, trainingsjacks enzovoort in een vuilnisbak gegooid en nieuwe kleren gekocht van het geld dat ik verdiende met werken in een bakkerij.
Ik heb mijn gebit veranderd, begon een lang behandelingstraject bij een orthodontist.

Ik heb mijn manier van lachen veranderd. Uren heb ik voor een spiegel geoefend omdat ik me schaamde voor hoe ik lachte, te luid, te volks, volgens anderen. Ik heb geoefend totdat die nagemaakte lach mijn echte lach werd.

Moet ik dat nu allemaal vertellen tijdens de lezing? Heeft dit alles enig belang voor anderen?

Door het verhaal van een metamorfose te vertellen kun je andere metamorfoses mogelijk maken.
Door het verhaal van een verandering te vertellen maak je andere veranderingen mogelijk, of in elk geval denkbaar.

Opmerking voor mezelf: zo simpel ligt het natuurlijk niet.

Donderdag, 18.00 uur

Lezen, altijd lezen. In La distinction laat Pierre Bourdieu zien dat er een spanning bestaat bij het definiëren van het systeem van de sociale klassen. Voor Bourdieu worden klassen niet alleen bepaald door economische ongelijkheid, maar ook door een systeem van verschillen in smaak, verschillende levensstijlen, verschillende manieren van kleden, van muziek beluisteren, van het inrichten van het huis: liever een piano dan een accordeon, liever tennis dan voetbal, liever opera dan Amerikaans variété, enzovoort. Maar na die klassenstructuur te hebben vastgesteld, blijft Bourdieu aantonen in hoeverre die structuur veranderlijk, in beweging is; de heersende klassen worden dan wel gekenmerkt door bepaalde smaken (piano, tennis, grote wijnen, enzovoort), ze hebben ook macht over hun eigen smaak en over de definitie van wat een legitieme smaak is, een macht die de overheersten niet hebben. De schrijver van La distinction laat bijvoorbeeld zien dat luisteren naar Tsjaikovski en Strauss onderscheidend gedrag is, maar als een vertegenwoordiger van de heersende klassen liever luistert naar Madonna of Petula Clark dan naar Strauss zal die keuze sociaal als onderscheidend worden ervaren, daar het zal worden ervaren als gedurfd, riskant, juist omdat het iemand uit de heersende klassen betreft.

In werkelijkheid zullen voor Bourdieu keuzes van de heersende klasse altijd worden beschouwd als middelen ter onderscheiding: ofwel omdat ze legitiem zijn (Strauss), ofwel omdat ze gedurfd zijn (Madonna), alsof niets de heersende klassen kan ontgaan of ze kan devalueren, alsof de sociologie uiteindelijk een wetenschap van transcendente ontologieën is geworden, dat wil zeggen van identiteiten en werkelijkheden die bestaan zonder verband met wat er op praktisch en dagelijks niveau bestaat.

Hoe moeten we de regels begrijpen van een wereld waarin de regels constant zo kunnen veranderen, en wel zo dat de heersende klasse altijd wint en de overheersten altijd verliezen?

Een voorval: Ik sta op het plein van het lyceum, vlak bij de bibliotheek. Clothilde, wier ouders in het onderwijs zitten, praat over literatuur met de overtuiging van iemand voor wie boeken altijd vanzelfsprekend zijn geweest. De anderen luisteren. Ik zeg niets. Ik ben veertien en op die leeftijd heb ik nog nooit gelezen, ik ken de namen niet van de schrijvers die Clothilde noemt, dus ik zeg niets.

Dan hebben ze het ineens over een auteur die Boris Vian heet. Dat is niet de eerste keer, zijn naam is al eerder gevallen, ik heb het idee dat hij een schrijver is die velen in de zomer hebben gelezen, maar als de jongen die tegenover Clothilde staat het heeft over J’irai cracher sur vos tombes, antwoordt Clothilde: ‘Ik hou niet zo van Boris Vian. Het is zo banaal! Iedereen leest hem.’

Ik keek naar haar.

Ik was onder de indruk, zelfs gefascineerd door de toon die ze aansloeg, de kracht die van haar uitging toen ze die zin uitsprak.

Waarom was ik haar niet? Dagenlang dacht ik aan haar, aan onderscheidende uitstraling. Een paar dagen later luisterde ik in de gang van het lyceum naar muziek, en Clothilde sprak me aan. Ik had mijn oortjes in en mijn hoofd bewoog mee, ik wilde dat ze me zag en kreeg mijn zin, ze bleef bij me staan en sprak me aan. Ik deed de oortjes uit en hoorde haar vragen: ‘Waar luister je naar?’

Mijn antwoord lag al een paar dagen klaar. Ik haalde mijn schouders op, keek zo relaxed mogelijk en zei: ‘O, een band die Tryo heet. Maar ik vind ze steeds minder goed, ze hebben te veel succes, het is eigenlijk de muziek geworden waar iedereen naar luistert.’ Ik loog. Ik was gek op die band en hun muziek, maar ik wilde Clothilde bewijzen dat ik net zo verfijnd was als zij.

Even zweeg ze, ten slotte keek ze me aan en zei: ‘Wat dom, zeg, om zo te denken. Ik bedoel, als je ze goed vindt, zou je blij moeten zijn dat ze succes hebben, je zou blij voor ze moeten zijn. Dom, zeg.’

Ik kon mijn oren niet geloven. Amper een paar dagen eerder had ze toch het tegenovergestelde gezegd over Boris Vian?

Ik bloosde en zweeg.

Was Clothilde voorbestemd om altijd van mij te winnen, wat ze ook zei, omdat ze uit een meer bevoorrecht milieu kwam dan het mijne?

Bewees dit voorval dat wat je kunt lezen bij Bourdieu, namelijk dat de sociologie, tot in het extreme doorgevoerd, een wetenschap van ontologieën is waarin wat wordt gedaan of gezegd geen belang meer heeft omdat het klassensysteem standhoudt?

Denkbeeldige brief aan mijn verleden:
Toen ik een kind was, stond er een kasteel in het dorp naast het onze. Op een dag stelde de eigenaar van het kasteel mijn zus voor om een avond te komen werken, het ging om het opdienen van het eten voor de bewoners en hun gasten. Mijn zus vroeg of ze mij mee mocht nemen om haar te helpen met de afwas in de keuken, en dat mocht. Ik was twaalf, we brachten uren door in een kleine keuken, mijn zus liep heen en weer naar de eetkamer, ik waste borden af, in het vaalgrijze afwaswater dreven stukjes voedsel. Op een gegeven moment liep een van de gasten, die aangeschoten was, langs de keuken en zei tegen iemand anders over mijn zus: ‘Ze is intellectueel een beetje beperkt, maar wel erg aardig.’

Een paar jaar later, tijdens een diner voor de culturele elite van Parijs, waarvoor ik was uitgenodigd en waar het eten en drinken werd opgediend door vrouwelijk personeel, zei een man met minachting in zijn stem over een serveerster: ‘Wat is die daar toch onhandig.’ Ze stond erbij, een paar centimeter van hem vandaan, en hij sprak in de derde persoon. Ik wilde die vrouw vertellen dat ik aan haar kant stond, dat ik anders was dan de gasten, dat ik ze niet mocht, maar ik heb niets gezegd. Ik was verlamd.

Denkbeeldige brief aan mijn verleden:
Op een dag zal ik over al deze dingen schrijven. Dat beloof ik.

Deze tekst was een lezing aan de Humboldt-universiteit in Berlijn. Deze maand verscheen Veranderen: methode, in vertaling van Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos, bij De Bezige Bij. Ghoos en Van der Sterre vertaalden ook dit essay