De elektronische burger is vogelvrij

Nooit gepakt en toch bang

We leven in een digitale dictatuur. Dat wil zeggen, niet wijzelf maar onze digitale dubbelgangers. Voor die dubbelgangers lijken de mensenrechten niet te gelden. Al gelden ze in Duitsland net iets meer dan in Nederland.

BERLIJN – Laat ik het maar bekennen. Ik heb een pakje batterijen in mijn wagentje langs de kassa geschoven (geregistreerd op video). Ik heb op internet handleidingen voor het maken van bommen bekeken (mijn provider kan mij verraden). Ik heb een klantenkaart van de Kaufhof (die nu van alles over mijn koopgedrag weet). Ik heb een rekening twee keer ingediend en twee keer betaald gekregen (mijn mailbox weet het). Ik heb mijn e-mailadres aan een handelaar in persoonsgegevens van journalisten gegeven (dat adres zwerft nu door heel Duitsland). Ik heb Oostenrijk over de snelweg doorkruist zonder tol te betalen (geregistreerd door een videoscan). Ik heb de gegevens van mijn creditcard aan de Deutsche Bahn afgestaan (de chef van de Deutsche Bahn is zojuist afgetreden vanwege onoorbare omgang met persoonsgegevens).
Zo kan ik nog een tijdje doorgaan. Ik ben een elektronisch doorzichtige burger. Wie wil, kan van alles over mij te weten komen. En dat terwijl ik toch een heel voorzichtige burger ben. Ik ben terughoudend met mijn persoonsgegevens. Ik koop weinig via internet. Ik doe aan geen enkele loterij mee. Ik dreig telefonische reclamemakers met juridische stappen. Ik heb geen profiel bij elektronische vriendenclubs als Facebook en sla ieder verzoek om vriend te worden af. Ik vul geen enquêtes in en maak een grote boog om blondines die gewapend met vragenlijst en balpen mensen op straat aanspreken.
Maar al ben ik nog zo voorzichtig, doorzichtig ben ik toch. Ik weet alleen niet voor wie. Ze hebben zich nog niet gemeld. Ik ben niet gepakt voor batterijen stelen, dubbel incasseren of tol ontduiken. De Kaufhof achtervolgt mij niet met ongewenste reclame. Mijn creditcardrekening is niet door onverlaten geplunderd. Ik ben niet opgepakt bij een razzia op bommenleggers. Ik krijg alleen wat veel persberichten van organisaties die mij in de verste verte niet interesseren.
Het valt dus allemaal wel mee. ‘Men’ weet wel veel van me, maar ‘men’ is niet bijster in mij geïnteresseerd. Ik beschik op z’n minst nog over de illusie van privacy. Ik kan me inbeelden dat wat ik doe en wie ik ben grotendeels alleen mijzelf bekend is en dat ik zelf bepaal wat anderen van mij te zien krijgen en te weten komen. Tegelijk moet ik met de gedachte leven dat ik een elektronische dubbelganger heb, dat er in een virtuele ruimte een persoon bestaat die mijn naam draagt, mijn uiterlijk heeft, dingen heeft gedaan die ik ook heb gedaan, mijn e-mailadres heeft, mijn autokenteken en mijn rekening-, creditcard-, belasting- en ziekenfondsnummer. Maar ik bepaal niet wat anderen van die dubbelganger te zien krijgen, ik heb geen invloed op het beeld dat anderen van hem vormen en ik weet niet wat zij met hem van plan zijn.
Ook al bestaat die dubbelganger niet uit vlees en bloed maar slechts uit nullen en enen, toch is hij een persoon in de volledige juridische en filosofische betekenis van het woord. Hij is net als zijn fysieke evenknie in het vizier van de staat en zijn organen, van de commercie met haar verleidingen en van mijn medemensen met hun nieuwsgierigheid. De vraag is alleen of ik erop kan vertrouwen dat die dubbelganger dezelfde bescherming van de wet geniet als ikzelf. ‘De waarde van de mens is onaantastbaar’, legde de Bondsrepubliek precies zestig jaar geleden in het eerste artikel van haar grondwet vast. Geldt dat ook voor mijn dubbelganger? Is ook zijn grondrecht op zelfbeschikking gegarandeerd?
In Duitsland hebben ze, anders dan in Nederland, een voor iedereen toegankelijk gerechtshof dat toetst of wetten, regelingen en besluiten met de grondrechten van de burgers in overeenstemming zijn. Dat constitutionele hof, het Bundesverfassungsgericht, gevestigd te Karlsruhe, heeft al in 1983 in een beroemde uitspraak vastgesteld dat de onaantastbaarheid van het individu zich ook uitstrekt tot de zogeheten ‘informationele zelfbeschikking’. Die uitspraak zorgde er toen voor dat de staat een voorgenomen volkstelling moest afgelasten. Met die uitspraak maakte Duitslands hoogste rechter duidelijk dat hij geen onderscheid wenst te maken tussen mij en mijn dubbelganger. Het leven van mijn dubbelganger heeft dezelfde onaantastbare waarde als dat van mijzelf. Daarom ben ik ook de enige die zeggenschap heeft over mijn dubbelganger. Niemand mag over hem beslissen zonder dat ik daar weet van heb en zonder dat ik daar toestemming voor geef.

MAAR IN DE digitale wereld van mijn dubbelganger neemt men het niet zo nauw met de wet. Zelfs de staat trekt zich niet veel aan van het zelfbeschikkingsrecht van mijn dubbelganger. Hij wil hem kunnen observeren en bespioneren zonder dat die het merkt en zonder dat die er toestemming voor geeft. Hij wil, wanneer hem dat goeddunkt, toegang tot diens activiteiten op het internet, hij wil weten waar, wanneer en met welk doel hij zich door de telefoonnetwerken beweegt en hij wil hem in zijn publieke gedrag kunnen observeren en desgewenst ook in zijn privé-gedrag.
De Duitse minister van Binnenlandse Zaken heeft eind vorig jaar geprobeerd zich daartoe uitgebreide volmachten te verschaffen, maar de in rode toga’s gestoken dames en heren in Karlsruhe floten hem op wezenlijke punten terug. Slechts bij concrete verdenkingen van ernstige delicten en met toestemming van een rechter mag hij privé-computers en privé-huizen binnenvallen. Priesters, strafpleiters en volksvertegenwoordigers zijn van zijn nieuwsgierigheid gevrijwaard. Maar journalisten zoals ik mag hij wél bespioneren, want dat is een beroepsgroep die niets liever doet dan gevoelige informatie vergaren en contact onderhouden met informanten die iets voor de staat te verbergen hebben.
De staat doet niet kinderachtig over wat hij wil. In de slotbepaling van de eind vorig jaar besloten politiewet stellen de opstellers zonder omwegen dat de wet de inperking betekent ‘van het grondrecht op lichamelijke integriteit, op de vrijheid van de persoon, op het brief-, post- en telefoongeheim, op de vrije vestiging en op de onaantastbaarheid van de privé-woning’. De woordvoerders van de staat laten er geen misverstand over bestaan: als het om de veiligheid gaat moet de vrijheid een stapje terug doen. Maar de grondwet bedoelde juist het omgekeerde: de veiligheid moet te allen tijde in dienst staan van de vrijheid.
Dat laatste heeft het constitutionele hof herhaaldelijk bekrachtigd. Maar sinds de oorlog aan het terrorisme is verklaard, zoeken de ministers van Binnenlandse Zaken telkens weer de grenzen op van wat de grondwet toelaat en wat niet. Het is een kat-en-muisspel. De veiligheidsspecialisten van de staat doen telkens weer verregaande voorstellen en moeten dan prompt in Karlsruhe verschijnen. Maar hoe vaak de staat daar ook bakzeil haalt – de laatste jaren heeft het hof een hele reeks voorstellen van de staat verworpen of op wezenlijke punten gecorrigeerd –, het netto resultaat is dat de grondrechten van mij en mijn dubbelganger steeds weer een beetje meer in de knel raken.
De verleidingen voor de staat zijn groot. Telkens doen zich nieuwe technische mogelijkheden voor om een almaar preciezer profiel van mijn dubbelganger te maken. In de naaste toekomst wenken allerlei biometrische technieken die de uniciteit van mijn dubbelganger steeds nauwkeuriger vastleggen. Mijn vingerafdrukken, de afdrukken van mijn handbal, mijn DNA, mijn iriscopische karakteristiek, de precieze maten van mijn gezicht, het profiel van mijn stem: het laat zich allemaal in bits en bytes vastleggen. Elk element draagt bij tot de schepping van een perfecte dubbelganger die de staatsorganen helpen om hem waar dan ook, wanneer dan ook en hoe dan ook met mij te vereenzelvigen en mij verantwoordelijk te maken voor wat ze mijn dubbelganger ten laste menen te kunnen leggen.
Al die biometrische gegevens kan men simpel opslaan in een chip op mijn identiteitsbewijs – vanaf deze zomer gaat dat al met vingerafdrukken gebeuren. Op die manier wordt de afstand tussen mij en mijn dubbelganger steeds kleiner. De dag waarop hij zelfs geheel met mijn lichaam zal samenvallen is volgens sommigen niet ver meer. Dat is de dag waarop ik mijn persoonlijke gegevens in een chip onder mijn huid met me zal meedragen, een chip die met de ontwikkeling van nieuwe technieken op steeds grotere afstanden afleesbaar zal zijn. En ik krijg nu al de kriebels als ik door een detectiepoortje moet…
De staat breidt zijn verzamelwoede almaar uit. Hij verlangt steeds vaker toegang tot databestanden die voor andere doelen dan de terrorismebestrijding zijn aangelegd. Kijk alleen maar naar de gretigheid waarmee hij zich de gegevens over het telecommunicatieverkeer probeert toe te eigenen. Jarenlang hebben Europese en nationale overheden er met beschermers van de privacy over geruzied hoe lang telefoonbedrijven en internetproviders communicatiegegevens moeten bewaren ten behoeve van de verschillende politiediensten. Duitsland koos na een uitvoerig publiek debat voor een maximale bewaartermijn van een half jaar en strenge regels voor de toegang van de politiediensten. In Nederland is zonder publiek debat de door de regering voorgestelde termijn van achttien maanden door enkele liberale volksvertegenwoordigers met de nodige moeite teruggebracht tot twaalf maanden.
Die bewaarplicht voor telecommunicatie betreft alleen gegevens over tijdstip, afzender en ontvanger van de berichten. De inhoud blijft onberoerd. Maar de nieuwsgierigheid van de staat is onverzadigbaar. Daarom werkt hij er hard aan om ook toegang tot die inhoud te krijgen. Telecommunicatiebedrijven zijn verplicht aftapmogelijkheden in hun systemen in te bouwen. Van die aftapkanalen maken de organen van de overheid blijkens cijfers steeds vaker gebruik. In de laatste tien jaar is het aantal keren dat rechters in Duitsland toestemming gaven om telefoon- of internetverkeer af te tappen met bijna duizend procent gestegen. Met argumenten als de bestrijding van terrorisme, georganiseerde criminaliteit en kinderpornografie, maar ook op grond van zoiets vaags als ‘suïcidegevaar’, verschaften politiediensten zich toegang tot de inhoud van talloze gesprekken en berichten.

IN DE WERELD van de informatiesystemen zijn behalve de staat nog tal van anderen actief. Die trekken zich over het algemeen nog minder van de grondrechten van mijn dubbelganger aan dan de staat. Dat plaatst de staat voor een lastig dilemma. Aan de ene kant wil hij niets liever dan zelf zo veel mogelijk van de overal opgeslagen gegevens gebruikmaken. Aan de andere kant verplicht de grondwet hem iedere aantasting van de waarde van het individu door anderen te verhinderen.
Neem de videobewaking. De staat heeft er belang bij om de talloze videobeelden die in winkelcentra, parkeergarages, bankgebouwen of waar dan ook worden opgenomen, te kunnen gebruiken als bewijsmateriaal bij delicten. Tegelijk moet hij ervoor zorgen dat de eigenaars van die bewakingssystemen er geen misbruik van maken. Die dubbelrol leidt tot verlamming. Toen bleek dat de Duitse discountketen Lidl video-opnamen gebruikte om het eigen personeel te bespioneren, was de publieke verontwaardiging groot, stonden de privacybewakers op hun achterste benen, nam het bedrijf de boetehouding aan, maar weigerde de staat over scherpere regels voor de bescherming van de werknemersprivacy na te denken. En dat terwijl al snel bleek dat het Lidl-schandaal slechts het topje van een ijsberg was. Handelaren in bewakingssoftware, advocaten gespecialiseerd in arbeidsrecht en verenigingen van detectives gaven aan dat het bespioneren van personeel in Duitsland eerder regel dan uitzondering is.
Ook als het om de illegale handel met persoonsgegevens gaat, zeg maar: de mensenhandel met dubbelgangers, treedt de overheid nonchalant op. In augustus vorig jaar dook in Duitsland een cd op met zeventienduizend namen, adressen en bankrekeningnummers. Een medewerker van een callcenter had ze stiekem op zijn werk gekopieerd. De gegevens werden gebruikt om mensen over de telefoon loten aan te smeren. Toonden de mensen ook maar vage belangstelling, dan werd prompt een bedrag van hun rekening afgeschreven. Privacybeschermers sloegen groot alarm. In een mum van tijd legden hackers, journalisten en databeschermers hele netwerken van illegale handel in persoonsgegevens bloot. Ze bestookten de overheid met voorstellen om het misbruik in te dammen. De reactie van de verantwoordelijke minister van Binnenlandse Zaken: ‘Ik raad de burgers aan hun bankafschriften regelmatig te controleren.’
Hoe opportunistisch de staat in dit soort kwesties opereert, was kort tevoren gebleken toen de Duitse geheime dienst van een dubieuze tussenpersoon voor 4,2 miljoen euro een gestolen cd kocht met gegevens over zo’n duizend belastingontduikers. De kans om enkele honderden miljoenen euro achtergehouden belastinggelden op te strijken, maakte de staat blind voor de illegale herkomst van de informatie. Met die actie legitimeerde de staat een hele branche van maffiose ondernemers die dubbelgangers gijzelen en afpersen teneinde aan de banktegoeden van reële burgers te komen. Dat is een branche waarin volgens schattingen wereldwijd inmiddels honderden miljarden euro omgaan.
Een speciale verantwoordelijkheid heeft de staat wanneer het om mijn dubbelganger als drager van medische gegevens gaat. In veel landen lopen projecten om medische dossiers van burgers samen te stellen en op te slaan. Daarbij gaat het om gevoelige informatie, die thuishoort in de veilige sfeer van de spreekkamer, afgeschermd door beroepsgeheim en persoonlijkheidsrechten. Zijn mijn gegevens eenmaal gedigitaliseerd en samengevoegd tot een elektronisch dossier, dan heb ik een anatomische dubbelganger. Voor artsen en medische diensten is het handig wanneer ze die via een centrale kunnen raadplegen. Maar er zijn ook andere geïnteresseerden die graag met mijn dubbelganger kennis zouden willen maken: verzekeringsmaatschappijen, farmaceutische bedrijven en soms ook de organen van de staat.
Terecht maken privacybeschermers, burgeractivisten en politici zich extra zorgen over de veiligheid van mijn anatomische dubbelganger. Het ziet ernaar uit dat het elektronisch patiëntendossier zoals men dat momenteel in Nederland ontwikkelt die veiligheid niet kan bieden. In Duitsland heeft men de normen hoger gesteld en ontwikkelt men een systeem waarin mijn dubbelganger alleen te raadplegen valt wanneer ik zelf met een unieke sleutel de deur naar hem openzet. Bovendien bevindt mijn dubbelganger zich niet op één centrale plek maar is hij verdeeld over verscheidene servers, wat bescherming biedt tegen digitale dieven. Het is een systeem dat zelfs alarmistische privacyactivisten tot bewondering dwingt.
Zo’n unieke sleutel zou ik ook wel willen hebben voor mijn consumptieve dubbelganger. Die loopt nog steeds volkomen onbeschermd rond in het digitale consumptieparadijs. Nu is dat in mijn geval een sober type. Ik houd hem zo kort mogelijk. Lekker shoppen is er voor hem niet bij. Er zijn maar een paar dingen die ik hem laat kopen, en dan alleen bij vertrouwde adressen. Klantennummers verzamel ik zo spaarzaam mogelijk, die geven mijn dubbelganger te veel profiel. Speciale voorzichtigheid neem ik in acht bij Google. Die internetaanbieder beschikt inmiddels over een van ’s werelds grootste databanken, waar internationale geheime diensten likkebaardend naar staan te kijken. Ik gebruik alleen de zoekmachine van Google, van Google-diensten waarvoor ik me moet registreren, blijf ik af.
De staat laat met enig recht mijn consumptieve dubbelganger ongemoeid. Hij belaagt hem niet en hij beschermt hem niet. Die dubbelganger moet zichzelf maar zien te redden op de vrije markt van consumptiegoederen. Wie met zijn koopgedrag te koop wil lopen, moet het zelf weten. Bovendien is wat die dubbelganger weet niet echt interessant voor de staat. De enige markt die dat wél is, is de financiële. Daar worden door banken en instituten die kredieten registreren enorme hoeveelheden gegevens verzameld. In de strijd tegen het terrorisme zoekt de staat naar steeds meer mogelijkheden om toegang tot die financiële databanken te krijgen. Het internationale betalingsverkeer ligt al goeddeels open voor de inlichtingendiensten, de druk op het nationale betalingsverkeer neemt toe.

DE STAAT lijkt er steeds weer vanuit te gaan dat in de elektronische ruimte waarin zijn inlichtingendiensten opereren de grondwet niet van kracht is. Hij creëert bewust een tweede, virtuele samenleving waarin de waarde van mijn dubbelganger als individu niet meer telt. Zo’n samenleving heet in politieke termen een dictatuur. Zoals de Stasi vroeger in de DDR in het geheim informatie over reële burgers verzamelde, zo verzamelen de organen van de huidige Bondsrepubliek ongevraagd, ongemerkt en ongebreideld gegevens over de dubbelgangers van haar burgers. Die dictatuur mag dan virtueel zijn, niet uit fysieke personen bestaan maar uit informatieknooppunten, zolang de rechters burgers en hun dubbelgangers dezelfde waarde toekennen, is die dictatuur reëler dan de staat lief zou mogen zijn.
Wat de digitale samenleving vooral tot dictatuur maakt is dat burgers nauwelijks inzicht hebben in de verzamelpraktijken van de staat, laat staan dat ze er invloed op kunnen uitoefenen. Zelfs de officiële beschermers van de privacy – en dat zijn er in Duitsland nogal wat, zowel op federaal niveau als op het niveau van de deelstaten – tasten iedere keer weer in het duister over de gegevens die de staatsorganen zoal verzamelen. Ze komen telkens weer voor verrassingen te staan, lopen voortdurend achter de feiten aan, maar trekken gelukkig vaak stevig aan de bel en dwingen politici en rechters tot ingrijpen. Zo moest begin vorig jaar een aantal deelstaten het willekeurig scannen van autokentekens stoppen nadat privacybeschermers het constitutionele hof hadden ingeschakeld. De inzet van verborgen videoscanners langs de weg maakte inbreuk op de bewegingsvrijheid van onverdachte burgers.
Dat mijn dubbelganger in een dictatuur leeft, betekent nog niet dat dat ook voor mij geldt. Op de schaal van rechtsstaat via veiligheidsstaat, bewakingsstaat, preventiestaat en politiestaat naar totalitaire staat bevind ik mij als reële burger nog ergens tussen veiligheids- en bewakingsstaat in. Er is al veel op mijn grondrechten beknibbeld ten behoeve van mijn veiligheid en ik moet met de gedachte leven dat de staat mij via mijn digitale dubbelganger tamelijk scherp in het oog heeft. Maar het is nog niet zo dat de staat op grond van zijn kennis over mij, mij allerlei beperkingen oplegt, zoals in een preventiestaat, of mij regelrecht onder toezicht plaatst, zoals in een politiestaat.
Zodra de staat de grens naar de preventiestaat overschrijdt, vindt er een essentiële omslag plaats. Vanaf dat moment neemt de staat niet langer mij tot uitgangspunt van zijn handelen, maar mijn dubbelganger. Voor alles wat hij over mijn dubbelganger weet, maakt hij mij verantwoordelijk en laat hij mij de consequenties dragen. Dat leidt tot zulke nachtmerrieachtige situaties als waarin de Braziliaanse elektricien Jean Charles de Menezes terechtkwam. De Britse geheime dienst had zijn digitale dubbelganger in de categorie terroristen ingedeeld. Daarop besloot de politie de reële burger Menezes op een Londens metrostation aan te houden. De totaal verraste Braziliaan reageerde paniekerig, waarop de politie hem met vijf kogels velde. Bij nader onderzoek was van een terroristische connectie geen spoor te bekennen.
De dubbelganger die mijn leven overneemt – dat is de situatie waar ik bang voor ben. Zeker als ik er Dostojevski’s angstaanjagende klassieker De dubbelganger nog eens op nalees. De brave ambtenaar Jakov Petrovitsj Goljadkin stuit in een gure nacht op een man die precies op hem lijkt, dezelfde naam en dezelfde levensgeschiedenis heeft en ook hetzelfde werk doet op hetzelfde departement. Als hij over zijn eerste verbazing heen is, probeert hij er maar het beste van te maken en vriendschap met hem te sluiten. Tot hij merkt dat zijn dubbelganger stelselmatig zijn leven ondermijnt. Door toedoen van zijn evenbeeld keert iedereen zich tegen hem, komt hij van de ene compromitterende situatie in de andere terecht en verliest hij elk houvast in het bestaan. Het eindigt ermee dat men hem naar een gesticht afvoert, terwijl zijn dubbelganger triomferend rond de koets danst. Maar zo ver is het nog niet. Ik voel mij door mijn dubbelganger nog niet tot wanhoop gedreven. Bovendien woon ik in Duitsland. Niet dat de situatie daar zo veel beter is dan elders, dat de staat daar minder nieuwsgierig is naar mijn doen en laten en minder geneigd is mijn vrijheid aan te tasten ten behoeve van mijn veiligheid. Maar de juridische situatie is er helderder dan in bijvoorbeeld Nederland. Duitse burgers staat te allen tijde de rechtsgang naar Karlsruhe open wanneer ze menen dat de staat hun grondrecht op informationele zelfbeschikking aantast. En het constitutionele hof heeft zich in het verleden vaak genoeg als een democratische rots in de branding van overijverige wetgevers betoond.
Daarnaast vind ik het geruststellend dat, mede door dat levendige juridische gesteggel, de Duitsers het debat over de gevaren van de informatiemaatschappij buitengewoon openlijk voeren. Onder de door de staat aangestelde privacybeschermers (Datenschutzbeauftragte) zitten enkele notoire kuitenbijters die het publieke debat flink opstoken. Er zijn veel goed geïnformeerde journalisten, die alert reageren op elk nieuw initiatief van de staat. Er is een actieve hackersbeweging die technische knowhow paart aan politieke gedrevenheid. Kunstenaars stellen in hun werk het thema op provocerende wijze aan de orde. En met name jonge schrijvers geven blijk van een bemoedigend engagement met de zaak. Kom daar in Nederland maar eens om!
In Nederland overheerst de onverschilligheid. Het motto luidt: wie niets te verbergen heeft, hoeft nergens bang voor te zijn. Maar ik heb wel degelijk iets te verbergen! Weliswaar niet iets waar de staat zich druk over zou moeten maken, maar iets veel wezenlijkers. Dat is mijn privacy, mijn domein waar ik kan denken en doen wat ik wil zonder dat iemand mij daarbij gadeslaat, zonder dat het oog van de staat of van de openbaarheid op mij rust. Het gaat hier om een absoluut mensenrecht, dat zonder extra premissen volgt uit de eerste zin van de Duitse grondwet: ‘De waarde van de mens is onaantastbaar’.
En dat recht geldt zoals gezegd ook voor mijn elektronische dubbelganger. Ik heb niet de minste behoefte aan een dubbelganger die in de etalage van het world wide web voor wie maar wil te kijk en te koop staat. Ik behoor niet tot degenen die hun gevoel voor eigenwaarde ontlenen aan de belangstelling die hun dubbelganger op het internet (bijvoorbeeld in een van de vele digitale vriendenclubs) ten deel valt. Als ik naar mijn dubbelganger kijk zoals die te voorschijn komt wanneer ik mijn naam op Google intik, dan kan ik daar alleen maar met bevreemding naar kijken. Wat ik voor me zie is een uit willekeurige facetten opgebouwd portret. Alsof je naar een picassoëske beeltenis kijkt waarvan de oren niet bij de kaken passen, de neus niet bij de mond, de ene arm te lang is, de andere te kort en de benen er onnatuurlijk bij bungelen.
Daarom wil ik dat ik en niemand anders de zeggenschap over mijn dubbelganger heeft. Dat niemand zonder mij te raadplegen conclusies aan mijn dubbelganger verbindt die mij persoonlijk raken.
Ik heb een nachtmerrie. In Berlijn zat niet zo lang geleden een bekende stadssocioloog drie maanden in voorarrest. Zijn misdrijf was dat er teksten van hem op internet rouleerden over de ‘gentrificering’ (wij zouden zeggen: ‘yuppificering’) van een voormalige bohémienwijk. Diezelfde term dook ook op in pamfletten van militante groepen die in die wijk dure auto’s in brand staken.
Ik moet er niet aan denken wat er gebeurt wanneer straks in Berlijn militante privacyactivisten aanslagen plegen op het gloednieuwe complex van de Duitse inlichtingendienst onder het motto: ‘Blijf van mijn digitale dubbelganger af!’ En dat de geheime dienst dan dit artikel van mij op internet tegenkomt.