Vijftig jaar Marokkaanse migratie

Nooit goed genoeg

Wanneer is iemand in Nederland goed geïntegreerd, een goede migrant? Is bijvoorbeeld Samir B. ook geen toonbeeld van integratie?

Nederlandse les voor gastarbeiders, ca. 1971 © Nationaal Archief / Spaarnestad Photo

Toen de familie Bouyakhrichan enkele decennia geleden uit Marokko emigreerde voor een beter leven in Nederland, hadden ze nooit kunnen bevroeden dat een van hun kinderen bij zijn dood in 2014 een geschat vermogen van een miljard euro zou hebben. En dat allemaal door handig gebruik te maken van de kansen die hem hier waren geboden, de goede Nederlandse infrastructuur voor internationale handel en voor het uitdiepen van al bestaande contacten en structuren.

Samir, want om hem gaat het, zag een gat in de markt nadat mannen die luisteren naar namen als John, Sam, Willem en Cor stopten met hun business en dook daar in. En met succes, want hij werd een van de grootste van heel Europa in een branche die tot voor kort werd gedomineerd door autochtone Nederlanders, mede dankzij de kennis die hij vergaarde op een chique lyceum in Amsterdam-Zuid en in de straten in Slotervaart. Als zijn familie in Marokko was gebleven, was Samir misschien eerder boer geworden.

Het was vorige week precies vijftig jaar geleden dat een wervingsovereenkomst werd gesloten met Marokko zodat Marokkaanse gastarbeiders in Nederland konden werken. Hoewel er door die deal maar enkele duizenden Marokkanen naar Nederland kwamen, is ‘de erfenis van dat verdrag toch ook dat er nu vierhonderdduizend Marokkanen wonen in Nederland’, aldus Nadia Bouras, docent aan de Universiteit Leiden en gespecialiseerd in Marokkaanse migratie, in Trouw. En daarmee vormen zij na de Turken de grootste groep van Nederlanders met een migratieachtergrond.

Vijftig jaar Marokkanen in Nederland én campagnetijd vanwege de naderende Europese verkiezingen, genoeg reden voor d66-voormannen Rob Jetten en Jan Paternotte om de integratie van Marokkanen eens onder de loep te nemen in een opiniestuk in de Volkskrant. Er is ook genoeg goeds te melden. De kop boven het stuk was dan ook: ‘Integratie Marokkanen in Nederland is een doorslaand succes’. De twee politici komen met cijfers waaruit moet blijken hoe goed Marokkanen zich hebben genesteld in Nederland, zoals een opwaartse lijn in schoolprestaties.

Maar de positieve toon van het artikel kan niet verhullen dat hier iets gebeurt wat je vaak ziet: iemand wordt pas erkend en gezien als toonbeeld van goede integratie bij enorm succes. Of in dit geval: als iemand bekend is van televisie en een uitzonderlijk talent is. Wie zijn de gezichten van de geslaagde integratie van Nederlandse Marokkanen volgens Jetten en Paternotte? ‘Het Europese succes van Ajax kon niet bestaan zonder Hakim Ziyech, de Tweede Kamer vergadert niet zonder voorzitter Khadija Arib en The Voice of Holland is niet hetzelfde zonder Ali B. en zijn hyperpositieve energie.’

De eerste generatie Marokkanen die naar Nederland kwam deed fabrieks- en ander ongeschoold werk en moest zich verder vooral stil en het liefst onzichtbaar houden. En nu, vijftig jaar later, zijn Marokkaanse Nederlanders pas geslaagd als ze topvoetballer zijn, Kamervoorzitter, burgemeester van een grote stad of op zijn minst in het bezit van een vwo-diploma en liever nog een academische graad. De hele gemeenschap wordt afgerekend op een uitzonderlijke bovenlaag. Alsof je pas goed geïntegreerd bent als je iets uitzonderlijks presteert. Het is ook een typisch geval van de dubbele standaard: Ziyech die floreert bij Ajax is een toonbeeld van geslaagde integratie. Over integratie gesproken: toen diezelfde Ziyech enkele jaren geleden niet voor het Nederlands elftal koos maar voor de nationale ploeg van Marokko, was hij een ‘domme jongen’ die ‘niet loyaal was’ ondanks ‘alle kansen die Nederland hem heeft geboden’.

Dat iemand als Johan Derksen zoiets roept over voetballers met een Marokkaanse achtergrond zijn we wel gewend, maar dit ging verder. Bij de kritiek op Ziyech speelden nog een jaar geleden alle vooroordelen weer op. Oké, zijn afkomst werd er niet (altijd) letterlijk bij gehaald, maar hij was ‘een op zichzelf gerichte, zichzelf overschattende speler’, ging ‘nooit voorop in de strijd’, had ‘een slechte lichaamstaal’ – het lag, kortom, niet aan zijn technische of tactische vaardigheden, maar aan zijn houding en mentaliteit; een verwijt dat vaker gemaakt wordt bij Marokkaanse Nederlanders.

Terug naar Samir Bouyakhrichan, die waarschijnlijk jarenlang van zijn ouders had gehoord dat hij zijn best moest doen en de kansen moest grijpen die zij niet hadden gehad, omdat alle kinderen van migranten dat nou eenmaal horen. Hij is zo iemand die na de basisschool naar een lyceum ging. Bouyakhrichan werd zoals gezegd schatrijk in een typisch Nederlandse branche: de drugshandel. Volgens de verhalen was hij een van de grootste cokehandelaren van West-Europa, omdat hij rechtstreeks zaken kon doen met ‘Colombia’.

Maar Scarface, zoals zijn bijnaam luidde, haalde net als veel van zijn voorgangers – Cor, Sam en John – zijn pensioen niet: hij werd in 2014 geliquideerd. En daarmee is hij, of we nou willen of niet, ook een toonbeeld van integratie. Net zozeer als Arib en Ziyech zich Nederlandse structuren hebben eigen gemaakt en de kansen hebben gegrepen die Nederland ze heeft geboden, telt dat ook voor Bouyakhrichan.

En Appie en Saloua dan, die met veel moeite een mbo-diploma hebben gehaald (of niet)?

We moeten leren van decennia ‘waardeloos integratiebeleid’ dat desondanks een generatie Marokkaanse Nederlanders heeft voortgebracht die geslaagd is, maar het moet anders, aldus Jetten en Paternotte. Geen segregatie meer aanmoedigen bijvoorbeeld, geen geld voor dubieuze clubs met religieuze of nationalistische doeleinden, en we moeten vooral ook ‘niet pamperen’ – dat laatste is een goed excuus om steeds meer te eisen en onrealistische verwachtingen te hebben van nieuwkomers.

Maar hoe moet het dan wel, welk beleid gaat helpen de recente stroom migranten en vluchtelingen uit landen als Syrië en Iran zich hier beter thuis te laten voelen en hen echt als volwaardig op te nemen in de Nederlandse maatschappij en als gelijken te behandelen?

Columnist Aditya Chakrabortty reageerde enkele weken geleden in The Guardian op The Glue That Binds: Integration in a Time of Populism, een rapport van het Tony Blair Institute for Global Change. De voormalige Labour-premier maakt zich zorgen om toenemende ‘extreemrechtse onverdraagzaamheid’ en hij heeft een oplossing die even simpel als doeltreffend is: om racisten te verslaan moeten hun slachtoffers maar harder hun best doen om te integreren. Ze zouden daartoe gedwongen moeten worden door de overheid, die optreedt als ‘handhaver van de plicht om te integreren’. Want: ‘Mislukkingen rond integratie hebben geleid tot aanvallen op diversiteit en zijn gedeeltelijk verantwoordelijk voor de (negatieve) reactie rond migratie.’

Het is om in het Engels te zeggen: the other way around. Los van het idee dat slachtoffers zich maar moeten voegen naar de daders; het is geen oplossing omdat nieuwkomers zich nooit genoeg aanpassen naar de wensen van de onverdraagzamen die volgens Blair verslagen moeten worden. Want: als je kijkt naar alle voorwaarden voor ‘goede integratie’ en alle bijkomende eisen wil het Verenigd Koninkrijk ‘geen migranten, maar heiligen’, aldus Chakrabortty. Hij heeft het zelf gezien bij zijn moeder, die in de jaren zestig met een universitair diploma op zak vanuit India naar Engeland emigreerde. Ze kende Palgrave’s Golden Treasury, een beroemde bloemlezing uit de Engelse poëzie, was bekend met het politieke denken van mensen als John Locke en Harold Laski, sprak Engels en kende als geboren Indiase de Britse cultuur. ‘Met andere woorden, zij was een goede migrant.’

Maar haar was aan te zien dat ze elders was geboren, ook door de sari die ze dagelijks droeg. ‘Ze vervoerde me af en toe in haar tomaatrode Nissan Micra en ik herinner me de pesterijen van andere chauffeurs, die het autoraam naar beneden draaiden om naar de kleine Indiase vrouw te roepen dat ze een Paki was – dezelfde vrouw die op weg was om les te geven in lezen en schrijven, mogelijk aan hun kinderen of de kinderen van hun vrienden. En dat is slechts het topje van een zeer grote ijsberg van raciale beledigingen en neerbuigende en stereotiepe reacties.’

In Nederland geldt hetzelfde. Laten we zo’n uitzonderlijk geval nemen, iemand die ‘de Nederlandse droom’ belichaamt en geldt als voorbeeldige migrant: Ahmed Marcouch. Hij werd vijftig jaar geleden geboren in Marokko, kwam als tienjarige naar Nederland, leerde binnen twee jaar de taal en werkte zich van politieagentje op tot burgemeester van Arnhem. Petje af en een diepe buiging, zou je zeggen. Wie kan daar iets tegen hebben? Nou, heel veel mensen. Geert Wilders, en met hem vele anderen, voerde actie tijdens de installatie van Marcouch door bij een spandoek met de tekst ‘Geen Arnhemmistan’ te fulmineren tegen deze in zijn ogen ‘verschrikkelijke vergissing’. En niet omdat Marcouch een slecht politicus is of een beroerd bestuurder, maar puur vanwege zijn afkomst en omdat hij moslim is.

Natuurlijk, Marcouch redt zich wel, hij heeft genoeg ervaring in publieke functies en een dikke huid, ook door reacties van de eigen groep als zou hij een ‘sell-out’ zijn. Maar als hij dit al over zich heen krijgt, de man die is doorgedrongen tot de hoogste kringen en naar wie vaak gewezen wordt als voorbeeld – ‘als je je best doet kun je burgemeester worden’ – hoe zit het dan met Appie en Saloua die met veel moeite een mbo-diploma hebben gehaald (of niet) en geen baan kunnen vinden?

Jetten en Paternotte meten in hun stuk de geslaagde integratie onder meer af aan het feit dat steeds meer Nederlanders van Marokkaanse komaf (een op de drie) naar havo of vwo gaan en ‘het aandeel Marokkanen in de bijstand’ is gedaald (naar een op de vijftien). En dan nog, stel dat je dat allemaal hebt, wat dan? Je blijft in de ogen van een aanzienlijk deel van de samenleving een ‘kutmarokkaan’, waarvan ze er het liefst minder, minder, minder in dit land hebben. Je past je aan en gedraagt je verder als gast, ook al woont je familie al vijftig jaar in dit land, en anders mag je ‘optyfen’.

Van Nederlanders met een migratieachtergrond wordt, net als in het Verenigd Koninkrijk, verwacht dat ze ‘heiligen’ zijn. Dat is niet alleen niet realistisch, maar vooral ook oneerlijk. Maar het betekent niet dat we migranten en Nederlanders van kleur zielig moeten vinden of anders moeten behandelen. Juist die ‘helping mode’ is onderdeel van wat Halleh Ghorashi, hoogleraar diversiteit en integratie aan de Vrije Universiteit, ‘categoraal denken’ noemt. Niemand die geen nadelige gevolgen ondervindt van zijn afkomst wil om dezelfde reden een voorkeursbehandeling. Eenzijdige verwachtingen en offers werken niet.

In Nederland lukt het niet om Nederlanders met een migratieachtergrond en migranten als volwaardige landgenoten te zien, omdat er verwacht wordt dat alleen zij zich aanpassen aan ‘onze’ leitkultur. Als we iets moeten leren van de afgelopen vijftig jaar, is het wel dat dát niet genoeg is. Van ‘een doorslaand succes’ kunnen we pas spreken als ook door de ‘ontvangers’ moeite wordt gedaan om te integreren.