Bij de dood van een geboren journalist

Nooit komen rampen eenzaam

‘Met elkaar werken behoort tot een van de intiemere vormen van relaties die mensen met elkaar kunnen onderhouden’, zo hield Martin van Amerongen zijn redactie weleens voor. Net als in een huwelijk is het de kunst elkaar goed, maar ook niet al te goed te willen kennen. Niet dat de journalistieke werkvloer van De Groene Amsterdammer onder het bewind van Martin van Amerongen een poel van onmin en broedertwist was, integendeel. Hij was als hoofdredacteur van De Groene (een functie die hij met een korte onderbreking vijftien jaren achtereen heeft vervuld) juist een meester in het pacificeren van elk dreigend conflict. Kleine wonderen hebben zich voorgedaan in het piepkleine, benevens een toiletruimte gelegen kamertje alwaar de hoofdredactie van De Groene traditionelerwijze is gezeteld. Wie daar ook briesend van woede dan wel huilend van onmacht binnentrad (een overspannen redacteur, een boze lezer, een gekwetste medewerker, een gebroken directeur), steevast kwam hij of zij na een kort doch treffend onderhoud met de hoofdredacteur weer fluitend van levenslust de trap af zetten, een herboren mens. Martin van Amerongen was niet alleen een maestro met het woord, hij was ook een kunstenaar in het creëren van sociaal evenwicht.

Hij was – dit liet hij niet na te benadrukken – wat dat betreft een getraumatiseerd mens. Ten burele van zijn vorige werkgever Vrij Nederland had hij eind jaren zeventig met lede ogen de vernietigende kaalslag gezien van een bandeloze clash der ego’s onder het toenmalige sterrenteam van de Nederlandse journalistiek. Hij had zich plechtig voorgenomen nooit meer zoiets mee te maken. Bij De Groene introduceerde hij een totaal nieuwe managementstijl, die boze tongen weleens ‘conflictvermijdend’ noemden, maar in werkelijkheid juist getuigde van een absolute beheersing van de kunst van het regeren op afstand, via het procédé van de actiones in distance. ‘Het gaat erom mensen te laten doen wat je wilt zonder dat ze dat merken’, zei hij over de methode-Van Amerongen. Het culmineerde in het geval van De Groene Amsterdammer in een welhaast paradijselijk arbeidsklimaat, ten gevolge waarvan het op sterven na dode weekblad onder zijn leiding kon opbloeien als een woestijnroos in de Sahara.

Zeldzaam gedisciplineerd was hij ook. De gemiddelde werkdag van Martin van Amerongen begon klokslag 8.30 uur met het beantwoorden van de vuistdikke correspondentie (‘Uw kritiek gaat ons zeer ter harte en ik kan u verzekeren dat bij de betreffende redacteur het schaamrood op de kaken staat’), dan vertaalde hij een essay uit zijn favoriete blad Die Zeit, schreef voor 12.00 uur nog een hoofdcommentaar en een beschouwing over Herman Heijermans of William Shakespeare, hercomponeerde het door beginnersfouten geteisterde verslag van de stagiair tot een fonkelende reportage en de aan alle kanten rammelende beschouwing van de hoogleraar transformeerde in zijn handen op de valreep tot een meesterwerk van retorisch talent en filosofisch inzicht. ’s Middags na een kleine bescheiden lunch in zijn herenboudoir aan de Prinsengracht placht hij zich te zetten aan zijn zoveelste boek, een speech voor te bereiden voor de bijeenkomst van het Republikeins Genootschap of de feestelijke verjaardag van Z.K.H. prins Bernhard, benevens de kolommen van de Uitkrant te redigeren alsmede een kleine bijdrage te leveren aan het vriendenboek van een journalistieke jubilaris, om dan, na haastige nuttiging van enige toast met gerookte zalm en een glas witte wijn, terug ter redactie te komen om de directeur bij te staan in een desperate telefooncampagne ter werving van nieuwe abonnees of tot diep in de nacht een vergadering te leiden over het knellende vraagstuk van de inperking van het arbeiderszelfbestuur, welke feestelijk werd uitgeluid met een sigaar en een jonge korenwijn in het café, waarna hij de volgende dag klokslag 8.30 uur weer als eerste de sleutel tot de redactie omdraaide en het hele liedje opnieuw begon. Voor ieder ander zou dit een fatale vorm van roofbouw zijn geweest. Hij bleef er onverstoorbaar monter onder, en immer goed geluimd.

Voor zijn mederedacteuren was het weleens een bezoeking om te zien hoe makkelijk en onberispelijk op tijd Martin aan de lopende band zijn stukken produceerde. Hij belichaamde voor alles de totale beheersing van het journalistieke ambacht. Het werkte aanstekelijk, maar soms ook bedrukkend, omdat zijn niveau toch nooit kon worden gehaald. In elk geval was het altijd inspirerend.

Zelfs vergaderen – de meest zinledige, deprimerende en vervelende vorm van tijdverdrijf – werd met hem aan tafel een waar genot, want Martin van Amerongen was niet alleen in het geschreven woord een tovenaar, ook als hij sprak vloeiden de bon mots en tot in de puntjes verzorgde volzinnen eruit als het kristallen water van een bergbeekje. Zijn legendarische redevoeringen ter inwijding van de traditionele Groene- borrels voor personeel en vrienden van het huis verwezen iedere stand-up comedian meedogenloos naar de hoek van de ring. Als daarna ook nog eens Opland ter vergroting van de feestvreugde de Internationale in het Russisch inzette, kon de nacht niet meer stuk. Het is voor ons, achterblijvers, vreselijk om te bedenken dat dit allemaal nooit meer terugkeert.

Maar Martin van Amerongen was meer dan alleen de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer . Hij was een symbool van de zonzijde van de Nederlandse beschaving, rechtvaardig, stijlvol, humoristisch, gespeend van ieder dogma en erudiet. De ondergedoken peuter in Huizen (NH) zou uitgroeien tot het journalistieke geweten van de natie, met een distantie die weldadig aandeed en een poëtische, lucide scherpte die hij langs de weg van een nog niet opgehelderd geval van reïncarnatie moet hebben geërfd van Heinrich Heine. Hij kon een gesel zijn voor de dingen die hij liefhad – zoals de sociaal-democratie – maar kon ook uitbundig prijzen en – helemaal een spaarzame eigenschap voor een man in zijn positie – zich laten verrassen. Door zijn zoons meegenomen naar een concert van Pink Floyd (of was het Queen?) ontdekte hij op rijpe leeftijd nog de genoegens van de symfonische rock en wijdde er een enthousiaste recensie aan op de haastig ingevoerde poppagina. Het Nederlands – dat moeizame dialect uit de drassige delta van de Rijn – begon in zijn handen te dansen met een elegantie waarmee het plotseling een volwaardige Europese taal werd, niet onderdoend voor het Duits van Kafka, het Engels van Joyce of het Frans van Flaubert. De taal leek altijd te zingen in Martin.

Nadat hij van de arts te horen had gekregen dat hij een inoperabele ziekte had, schreef hij in de eerste opwelling een afscheidsstuk dat bij herlezing nog altijd het kippenvel over de huid van de lezer jaagt en dat terecht werd voorgelezen bij de berichtgeving over zijn overlijden door het NOS-Journaal. ‘Nooit komen rampen alleen als verspieders’, heette het stuk, geschreven met het literaire meesterschap van een Tolstoi. Daarna hield hij het voor het eerst even gezien wat de journalistiek betrof. De laatste ontwikkelingen in politiek Den Haag konden hem opeens niet meer buitengewoon boeien. Liever wijdde hij zijn laatste krachten aan een bundeling van zijn laatste artikelen, het herschrijven van zijn boeken over Heine en Wagner, plus wat losse opstellen voor diverse podia. Daarnaast had hij in De Groene zo overdonderend vaarwel gezegd dat het bijna zonde was om terug te keren in de kolommen van zijn blad. Er resteerde echter toch nog wat krediet op de meter van Magere Hein. Na enkele weken begon het bloed toch weer te kriebelen en draaide de grote schrijfmachine alweer voor enkele van zijn mooiste stukken voor De Groene, zoals een beschouwing over het fenomeen Shylock en het vraagstuk van het wezen van het antisemitisme, waarover postuum nog een uitgebreidere publicatie zal volgen. Nog anderhalve week voor zijn dood bezorgde hij De Groene al denkend een themanummer over het Palestijns-Israëlische conflict, geschreven door wetenschappers en publicisten van internationaal kaliber, waarin niet de gruwelen van het heden, doch de perspectieven voor een betere toekomst voor jood en Palestijn werden belicht. Het was zijn laatste bijdrage aan een kwestie die voor hem, een overlever van de holocaust, een levenslang dilemma vormde. Het was het testament van een man die vóór alles geloofde in rechtvaardigheid voor ieder.

De afgelopen dagen heeft Nederland gehuild om Pim Fortuyn, het fenomeen waar Martin van Amerongen in de laatste maanden van zijn leven nog enige uiterst hardhandig getoonzette beschouwingen wijdde en in wiens islamofobie hij reminiscenties aan ir. Anton Mussert ontwaarde. Fortuyn was in alles het tegendeel van Martin van Amerongen: in de eerste plaats was hij een slecht stilist en een rommelig denker, en ook de manier waarop hij de massa bespeelde was beneden de maat. Martin van Amerongen was namelijk een echte intellectueel, en om macht was het hem al helemaal niet te doen. Hij geloofde in vrijheid en gelijkheid, en in Mozart, en voor de rest geloofde hij niet zo veel. Hij dacht liever na, far from the maddening crowd, ondersteund door Schubert en de Faust van Goethe. Hem juist nu in deze bange tijden van eroderende democratie en spontane manifestaties van ‘de volkswil’ in de straten van ’s-Gravenhage – taferelen die schrikbarend leken op die van het rampjaar 1672, toen de gebroeders De Witt werden gevild op het Haagse Groene Zoodje – te moeten verliezen, zal niet alleen de wereld van de journalistiek maar de gehele Nederlandse samenleving dierbaar kosten. Het zal misschien niet gepaard gaan met prinses Diana-achtige taferelen, maar op de langere termijn zal Martin van Amerongen een grotere leegte achter zich blijken te hebben gelaten dan het neoliberale borreltafelorakel professor Pim. Met andere woorden, enkele dagen staatsrouw zijn ook hier wel op hun plaats.