Tema con variazioni

Nooit komen rampen eenzaam als verspieders

Zou iemand in Amsterdam zich nog mijn tante Lien herinneren? Zij was, toen ik nog een jongeman was, al hoogbejaard. Daar naast was zij helder als glas en hard als een spijker. Niet tegen mij. Ik was haar lievelingsneef, want ik had postuum respect voor Louis Bouwmeester, een acteur «waarvan ik geen voorstelling heb gemist», zoals Lien mij verzekerde.

Als oprichtster van de Amsterdamse Kunstkring speelde zij jarenlang een dominerende rol in het hoofdstedelijke culturele leven. Totdat zij wat al te oud werd en zich terugtrok in een kamertje in het A.H. Gerhardhuis. Ooit organiseerde zij de komst van de jonge Jehudi Menuhin naar Nederland. Op haar ouwe dag organiseerde zij de jaarlijkse herdenking van de Februaristaking, waarbij honderd bejaarde socialisten met wapperende stembanden het Wilhelmus ten gehore brachten. Ik ging af en toe met haar naar het toneel, om daar getuige te zijn van het tafereel van een wijze, joodse vrouw (90) die de krullen aaide van de toneelcriticus Jan Willem Hofstra (75), die met haar vergeleken slechts een groentje was.

Zij heeft nog moeten meemaken dat haar zoon Willy haar kwam vertellen dat hij niet meer lang te leven had. Toen hij dood was gingen Anneke en ik onmiddellijk naar haar toe. Zij was, tussen het rouwen door, druk bezig al die jammerende ouwe wijven van de deur te houden.

«Klara», snauwde Lien, «als ik hier niet sta te janken, zie ik niet in waarom jij dat wél zou doen.»

«En Lien», vroeg Anneke, «wanneer wordt Willy begraven?»

«Overmorgen. Hij wordt trouwens niet begraven, maar gecremeerd.»

«En waar?» vroeg ik.

«In Westerbork», zei Lien.

Anneke en ik keken wat schuw langs elkaar heen. Wij waagden het niet de vrouw te corrigeren wier leven door oorlog en jodenvervolging getekend was.

Even later stierf ook zij. «Ik heb nu wel lang genoeg geleefd», sprak zij kordaat vanaf haar ziekenhuisbed. Zij stelde haar lichaam natuurlijk ter beschikking van de wetenschap.

Ik had tot op dat moment weinig verstand van de dood. De eerste (en laatste) dode die ik had gezien was mijn grootmoeder, via een foto in haar kist, die door een glasplaat was afgedekt. Wacht even! Ik vergeet Piet de Schildpad, die plotseling niet meer bewoog, waarna de familie hem een eerlijk zeemansgraf heeft bezorgd vanaf de brug over de Nieuwe Prinsengracht. Dood en verderf hebben mij altijd gefascineerd, exclusief als cultureel fenomeen, van de ongelukkige Violetta Valery tot de macabere graaf Dracula. De daadwerkelijke confrontatie bleef mij echter bespaard. Dus besloot het lot dat ik iets in te halen had. Anneke en ik zaten in een café tegenover het Centre Pompidou, toen zij vertelde dat zij sinds een paar weken van die rare visioenen had. Het waren grote, helderwitte vlakken, met een sereen karakter, of je naar een soort maanlandschap keek. Onaangenaam waren die visioenen eigenlijk niet. Toch leek het ons verstandig om het verschijnsel aan een deskundig iemand voor te leggen.

Er werd een hersenscan gemaakt, die in zo’n klassieke gaatjesenveloppe werd gestoken, waarmee wij ons naar de neuroloog begaven.

«Draag jij het maar», zei Anneke. «Anders heb ik het gevoel dat ik met m’n doodvonnis onder m’n arm loop.»

«Doe niet zo eng!» zei ik.

Gedrieënlijk — zij, de neuroloog en ik — bekeken wij het materiaal. Het was een tumor, een andere conclusie was niet mogelijk. Anneke, die verpleegster was geweest, stelde een paar ter zake doende vragen. Vervolgens pakte de neuroloog de telefoon en begon iets te regelen. Op weg naar de auto zei ik: «Gelukkig maar dat het een tumor is. Ik was even bang dat het kanker zou zijn.»

«Dokter Pipi», zei Anneke, «een tumor ís kanker.»

Daarna begonnen de sterfgevallen zich in mijn omgeving in een tumultueus tempo te ontwikkelen. Ik ging naar de begraafplaats Zorgvlied met de routine waarmee men naar de kapper gaat, de kraaien sloegen mij familiair op de schouders en de begrafenisondernemer was inmiddels een huisvriend geworden.

Het meest curieus onder de sterfgevallen was het overlijden van mijn moeder. Mijn tirannieke en bangelijke vader had haar een leven lang tot vakanties in Hoenderloo respectievelijk Benidorm gedwongen. Nu was hij dood, zodat wij, Bente en ik, besloten haar op een weekje Wenen te trakteren, inclusief een luxe hotel, onbetaalbare restaurants én een Zauberflöte in het Wiener Wald. Per rolstoel krukten wij haar het vliegtuig in, waarin zij een kwartier later op drieduizend meter hoogte een hartaanval kreeg. Wij vielen nog officieel onder de Oostenrijkse jurisdictie, zodat het vliegtuig gedwongen was naar Wenen terug te keren. Maar iedereen was lief en medelevend en de grondstewardess die ons opving, met zo’n kruisje om haar hals, was een ware engel der barmhartigheid, die ons bij het afscheid toewenste dat God ons mocht behouden en beschermen. Op eens was ik voor mijn doen enigszins in tranen — en nam mij voor de zoveelste keer voor om het schelden op christenen tot de noodgevallen te beperken.

Nu ben ik zelf aan de beurt (kanker aan de slokdarm), zij aan zij met mijn zuster (borstkanker), want «nooit komen rampen eenzaam als verspieders», zoals William Shake speare zei. Mijn aandoening is inoperabel. Ik ben er trouwens tamelijk rustig onder, al had ik graag nog een paar jaar langer geleefd. Wel was het nogal moeilijk het mijn kinderen te vertellen.