John Cheever thuis in Ossining, New York, 1979 © Paul Hosefros / The New York Times / ANP

Het bekendste verhaal van John Cheever is De zwemmer. Zijn geliefdste waarschijnlijk ook. Het is het op een na laatste verhaal in de nieuwste selectie, samengesteld door Julian Barnes en recentelijk in Nederland uitgegeven onder de titel Visioen van de wereld. Zestien verhalen staan erin (van de 61 in mijn vergeelde exemplaar van Collected Stories), die samen een beknopte kroniek vormen van het bitterzoete bestaan in het burgerlijke, suburban Amerika van de jaren vijftig, evenals een caleidoscopisch portret van de schrijver zelf.

Natuurlijk heeft Barnes ook De zwemmer uitgekozen, dat had hij eens níet moeten doen. Het is een schitterend verhaal. Na een zondags cocktailfeestje bij vrienden besluit Neddy Merrill, aangeschoten, naar huis te zwemmen. Maar nu komt het: dat zwemmen doet hij in alle keurig verzorgde privézwembaden op zijn route naar huis. Iedere gevel is een façade van ordelijkheid en geluk – denk Mad Men, denk Wisteria Lane, denk Revolutionary Road. De eerste achtertuinen die hij betreedt zijn nog zonnig, hij wordt er toegelachen, maar gaandeweg wordt het kouder, wordt het herfst, zijn de achtertuinen verlaten en donker. Zijn vrolijke energie sijpelt uit hem weg. Als hij vermoeid en somber bij zijn huis aankomt is dat onbewoond en vervallen.

Water had voor Cheever iets louterends. Zwemmen betekende voor hem een figuurlijk einde aan de zwaartekracht. Somberte, innerlijke strijd, ruzie met zijn vrouw, de eeuwige drankkater – alles verdween in het ruisende water, de actie van het zwemmen, de warmte van werkende spieren. Maar die respijt was natuurlijk altijd maar tijdelijk. Was hij eenmaal moe, dan moest hij het water uit en doemde (nadruk op doem) de wereld weer op. Net als bij Neddy Merrill dus.

Flauw om de auteur steeds in zijn fictie te zoeken, hem op te sporen als een verstopte muis en aan zijn staart omhoog te houden: Ah, hier zit je. Bij Cheever is het te makkelijk om het te laten: de muis zit in het volle licht op de rand van het zwembad.

Dat De zwemmer in de selectie is opgenomen was dus te verwachten, maar waar ik het eerst naar zocht was mijn favoriet, O jeugd en schoonheid! Godzijdank zag ik hem ertussen staan. Het vijfde verhaal. Pek en veren zouden Julian Barnes bespaard blijven.

Het verhaal: hoofdpersonage Cash Bentley is een middenklasse-burgerman van in de vijftig. Vroeger, tijdens zijn college days, was hij een begenadigd atleet, beroemd op school. Nu is hij als alle anderen: een man die ’s ochtends keurig naar zijn werk gaat, getrouwd, kinderen, barbecues, geldzorgen, cocktailfeestjes in de weekenden, het ene drankje na het andere. Op zulke feestjes, als het laat is en bijna iedereen al huiswaarts is gegaan, gaan hij en zijn vriend Trace Bearden steevast over tot hun ritueel. Dat gaat zo: Trace maakt een grapje over het haar van Cash. Dat wordt steeds dunner, zegt Trace. Onmiddellijk begint Cash daarop het meubilair in de huiskamer van de gastheer en gastvrouw te verschuiven. Trace vraagt de gastheer om een pistool (tja, Amerika). Als Cash klaar is met schuiven en tillen houdt Trace het pistool uit het raam, richt op de lucht en vuurt. Dat is het startsein. Cash rent van de ene kant van de kamer naar de andere en springt daarbij over alle opgestelde meubels. Het is een hordeloop.

Zo gaat het iedere keer, en altijd gaat het goed. Tot het op een nacht niet goed gaat. Cash struikelt en breekt zijn been. ‘Ik zal nooit meer de hordeloop kunnen doen, lieverd’, zegt hij jammerend tegen zijn vrouw, Judith. Daarna is hij dezelfde niet meer. Ook niet als zijn been allang weer is genezen. Hij is alleen nog maar chagrijnig. Hij en zijn vrouw worden niet meer uitgenodigd. Door het open raam hoort hij jonge mensen plezier hebben, drinken, flirten, lachend de auto pakken naar een feest.

Cheevers leven was een continue strijd: anders te willen leven, een ongrijpbaar soort vrijheid en liefde willen voelen

Het einde van O jeugd en schoonheid! zal ik niet verklappen. Wat zo mooi is aan het verhaal is de waarde – de noodzaak – van die dronken hordeloop. In feite kan de leugen van dat ogenschijnlijk keurige, ordelijke, gelukkige leven van Cash Bentley – zijn zelfbedrog – alleen bestaan bij de gratie van die hordeloop, dat hem dat lukt, dat hij wint, dat hij wordt toegejuicht en daarna voldaan en trots naar huis gaat, genoeg moed in zijn botten voor een nieuwe werkweek. Haal je die hordeloop weg, dan blijven alleen nog de huwelijkse ruzies over, het gebrek aan liefde, de zorgen, de drank, de somberte, de fysieke veroudering en het verlammende keurslijf van de tijdgeest. De sluier is weggetrokken. Er was blijkbaar maar zo weinig voor nodig. De armoe.

En hebbes, daar hebben we de muis John Cheever alweer bij zijn staart te pakken. Voor mij is er geen enkel ander verhaal van Cheever waarin er zo veel van de schrijver zelf zit, waarin hij zichzelf zo goed gestalte geeft. Net als voor Cash was de wereld voor John een gammele vloer waar je op ieder moment doorheen kon zakken. Die paar planken die stevig genoeg waren om op te lopen, die mochten niet kapot. (Door water kun je niet heen vallen.) Net als Cash en Judith Bentley hadden ook John en Mary Cheever aldoor ruzie, en net als Cash voelde John zich niet bemind genoeg, niet geliefd genoeg, en dronk hij te veel, werd hij gemeen.

Beide echtparen hadden de gewoonte om hun ruzies de volgende dag weer op te pakken. Net als bij Cash verdween bij John de vijandigheid als sneeuw voor de zon wanneer zijn echtgenote hem toestond fysiek intiem met haar te zijn – hij hoefde de slaapkamer maar te passeren en haar door de open deur schaars gekleed voor de spiegel te zien staan en hij werd week van verlangen, plots een en al vergevings-gezindheid.

Lust en de consumptie daarvan waren voor Cheever sterker dan al het andere. Die behoefte bevredigde hij het liefst met Mary, maar als die niet thuis gaf – negen van de tien keer – zocht hij het elders, koortsig, met andere vrouwen én met mannen. Afgewezen worden door Mary vond hij verschrikkelijk. Niet dat hij het alleen maar daarom ook met anderen deed, maar haar liefde, beminning en bewondering deden hem het meest. Cheevers leven was een continue strijd: anders te willen leven, een ongrijpbaar soort vrijheid en liefde willen voelen, maar daarin nooit slagen, en het leven dat hij wél had iedere keer weer bezoedelen, beschadigen, ontlopen. Hij stond machteloos, want niet drinken en geen seks betekende dat hij alleen hijzelf overbleef, de onmogelijkheid van dat wezen, van dat leven. Daar kwam nog bij dat zijn homoseksuele gevoelens niet mochten bestaan, zeker in die tijd en op die plek niet.

Die drang naar een ongrijpbare vrijheid, die vind je terug in de scènes waarin Cheever zijn personages de natuurlijke omgeving laat ervaren. Water, zonlicht, geuren, de lucht. Als je een rivier bewondert kun je iedereen zijn, kun je in elke tijd bestaan. De ervaring van die schoonheid kan compleet losstaan van je particuliere bestaan. Zo’n moment weten op te rekken is je vrijheid weten op te rekken.

Het is zo: in elk verhaal vind je Cheever. Kun je je niet wat beter verstoppen, zou je die muis haast willen vragen. Maar dat is gemeen. Dat Cheever zo makkelijk is te vinden in zijn verhalen is alleen maar vanwege die andere vuistdikke bundel: The Journals. Zijn verzamelde dagboeken dus. Waren die dagboeken nooit gepubliceerd, dan was het gissen geweest, dan was zijn fictie precies dat geweest: fictie, een vorm waarvan je weet dat de schrijver er heus wel in zit, maar waarbij je niet weet in welke mate, op welke manier, zodat je de zoektocht opgeeft en gewoon van het verhaal geniet, zoals het hoort.

Ik las The Journals pas nadat ik de romans en de verhalen had gelezen. Mocht je nog aan Cheevers werk moeten beginnen, dan kan ik je dat aanbevelen. Lees je eerst de dagboeken, dan is er de kans dat je jezelf iets hoort mompelen als: ‘Wind er nou maar geen doekjes om, John, je hebt het gewoon over je éigen vrouw.’

Visioen van de wereld is een mooie introductie tot het werk van John Cheever. Ook was ik verheugd te zien dat slechts twee verhalen zich in Italië afspelen. Cheever was daar zelf vaak, verbleef er soms lange perioden. Het zijn mijn minst favoriete verhalen. Hij bleef daar een buitenstaander, maar hij schreef erover als iemand die zich het land eigen had gemaakt, wat bij mij vaak een wat knullige en zelfs opschepperige indruk wekte. Wat Cheever zo goed maakte, was dat hij de Amerikaanse jaren vijftig en zestig tegelijkertijd zelf belichaamde en ze haarfijn kon blootleggen. Pijnlijk, ontroerend, meedogenloos en toch ook liefdevol. Liefdevol echter zelden, of eigenlijk nooit, jegens zichzelf. Daar konden zelfs een Pulitzer Prize en een National Book Award niets aan veranderen.