De wetenschap van onsterfelijkheid

Nooit meer duisternis

Nu God ons in deze geseculariseerde wereld geen leven na de dood meer biedt, richten we ons tot de wetenschap om het eeuwige leven te verkrijgen. Maar vooralsnog is ons lichaam slechts een wegwerplichaam.

VEROUDERING IS NIET SEXY. Automatisch doemt een beeld op van aftakeling, breekbaarheid, afhankelijkheid. Een neergaande lijn. Toch staat het onderwerp de laatste tijd volop in de belangstelling. Logisch, nu wereldwijd het grootste demografische cohort, de babyboomers, met pensioen gaat en zich afvraagt wat komen gaat. Maar ook speelt een rol dat de wetenschap op dit terrein de laatste tijd grote sprongen heeft gemaakt. Zo hebben biologen in laboratoria verschillende zogenaamde ‘methuselah’s’ geproduceerd, verwijzend naar de bijbelse figuur Methuselach die 969 jaar oud werd. Methuselah’s in het lab zijn organismen zoals muizen en ratten die na bepaalde genmutaties gemiddeld langer blijven leven dan hun ongemuteerde soortgenoten. De succesvolle creatie van dergelijke methuselah’s heeft de vraag doen rijzen of een menselijke variant eveneens tot de mogelijkheden behoort.
Door gestaag verbeterende leefomstandigheden neemt in de westerse wereld onze verwachte levensduur elke tien jaar ongeveer met twee jaar toe. Onlangs verschenen de resultaten van een tachtig jaar durend onderzoek naar menselijke levensduur in het boek The Longevity Project: Surprising Discoveries for Health and Long Life from the Landmark Eight-decade Study van Howard Friedman en Leslie Martin. Sommige levensverlengende factoren waren niet bepaald een verrassing (gezond eten, beweging, niet roken); andere waren onverwacht (een zekere mate van piekeren blijkt het leven te kunnen verlengen).
Terwijl de tijd elke dag van ons leven wegtikt, winnen we aan het eind van ons leven voortdurend tijd erbij. Maar naast deze winst zoeken wetenschappers naar mogelijkheden om een meer substantiële verlenging van de gemiddelde levensduur te bereiken. Enkele wetenschappers komen er zelfs rond voor uit dat ze op zoek zijn naar een 'geneesmiddel tegen veroudering’. Naast de alom bekende gezichtscrèmes die beloven het verouderingsproces van de huid te 'stoppen’ of zelfs 'om te keren’, zijn tegenwoordig talloze antiverouderingsmedicijnen op internet verkrijgbaar, die simpelweg beloven dat je minder snel zult verouderen. De American Academy for Anti-aging Medicin, of A4M, doet onderzoek naar dergelijke medicijnen en certificeert dokters die zich hiermee bezighouden. A4M wordt niet erkend door een gerenommeerd instituut als het National Institute on Aging in de Verenigde Staten, dat in 2009 zelfs een algemene waarschuwing uitvaardigde tegen antiverouderingsmedicijnen en stelde dat 'geen enkele behandeling heeft bewezen het verouderingsproces te kunnen stoppen of omdraaien’. Niettemin heeft A4M 26.000 leden in 110 landen en is de handel in antiverouderingsmedicijnen als groeihormonen en antioxidanten in de woorden van Peter Conrad 'booming business’.
Conrad, als medisch socioloog verbonden aan Brandeis University en schrijver van het boek Medicalization of Society (2007) meent dat veroudering in onze tijd vrijwel volledig is gemedicaliseerd en hij verwacht dat de handel in dergelijke medicijnen, vooral via het internet, alleen maar verder zal toenemen. Het is immers een patroon dat hij terugziet bij elke vorm van medicalisering. Eerst is een medicijn beschikbaar om een bepaalde ziekte te genezen, dan wordt het steeds vaker gebruikt om bepaalde 'verbeteringen’ in het niet zieke leven aan te brengen. Dit zag hij bijvoorbeeld gebeuren bij menselijke groeihormonen die worden gebruikt voor de behandeling van 'korte mensen’ en die nu ook als antiverouderingsmedicijnen worden aangeboden op internet.
Ondertussen staat het gerontologisch onderzoek niet stil en worden steeds meer stoffen getest op proefdieren die de levensduur van mensen wellicht ook zouden kunnen verlengen. Kortom: de gerontologie, de wetenschap die zich bezighoudt met veroudering, is in een staat van opwinding. Hoewel we lange tijd maar weinig begrepen van veroudering lijkt onze kennis op dit terrein uit de kinderschoenen te komen.

OM DE VRAAG te kunnen stellen hoe het leven zou kunnen worden verlengd of alleen al hoe de gevolgen van veroudering, de gebreken en de ziektes, zouden kunnen worden voorkomen, is het allereerst van belang om te begrijpen wat veroudering precies is. Dat is niet eenvoudig; het verouderingsproces blijkt een van de meest ingewikkelde concepten te zijn in de biologie. Het is vooral zo moeilijk te bestuderen omdat het zo chaotisch is. Zo magisch en ordelijk als een foetus groeit in de baarmoeder, zo willekeurig is het verval in het verouderende lichaam. In zijn boek Long for This World: The Weird Science of Immortality (dat in juni in vertaling uitkomt bij Nieuw Amsterdam) maakt wetenschapsjournalist Jonathan Weiner een vergelijking met origami. Veroudering, schrijft hij, 'is in niets zoals de gedetailleerde harmonieuze ontvouwing van het begin van het menselijk leven. Het is meer als het willekeurig verfrommelen van wat ooit netjes gevouwen origami was (…) In de groei zie je het genie van het leven en in de langzame aftakeling zie je de chaos.’
Weiner legt in zijn boek uit hoe er een jarenlange strijd bestaat tussen skin-in-biologen, die op het niveau van de cel in het lichaam werken (en het meeste geld krijgen voor onderzoek), en skin-out-biologen, die op het niveau van populaties werken. De soorten biologen lijken nu naar elkaar toe te groeien, vooral omdat de inzichten uit beide kampen elkaar complementeren.
De skin-in-biologen hebben geconstateerd dat op het niveau van de cel voortdurend onderhoud moet worden gepleegd: plooien moeten worden gladgestreken, kreukels rechtgetrokken, DNA moet worden gerepareerd, giftige stoffen moeten onschadelijk worden gemaakt et cetera. Ons lichaam maakt in de loop van de jaren echter steeds minder goed schoon, waardoor afval zich ophoopt en het een rotzooi wordt in de cel. In Zweden gaven de wetenschappers Ulf Brunk en Alexei Terman een naam aan de hypothese dat het uiteindelijk afval is waaraan we ten onder gaan. Ze noemden het de 'afvalcatastrofe’. Maar waarom deze neergang?
Skin-out-biologen hebben een antwoord. De bioloog Peter Medawar, die tijdens de Tweede Wereldoorlog de Nobelprijs ontving voor zijn werk in de immunologie, publiceerde na de oorlog twee beroemde essays over het probleem van veroudering ('Ouderdom en natuurlijke dood’ en 'Een onopgelost probleem in de biologie’). Tot dan ging men ervan uit dat de dood een evolutionaire aanpassing was, dat hij was 'uitgevonden’ om ruimte te scheppen voor de nieuwe generatie. Volgens Medawar ging het er echter om dat de genen die ons doen aftakelen op latere leeftijd er simpelweg niet toe doen in de natuur. Evolutionair is het slechts van belang dat we ons voortplanten en onze genen doorgeven. Wat er daarna met ons lichaam gebeurt is irrelevant en dit verklaart dan ook de chaos en de diversiteit van ons verval.
Deze theorie wordt inmiddels algemeen aanvaard en wordt ook wel de theorie van de 'disposable soma’ genoemd, het wegwerplichaam dat, nadat het zijn taak heeft vervuld, nergens meer toe dient. Sommige genen kunnen ziektes veroorzaken die zich op latere leeftijd openbaren (zoals Alzheimer of Huntington), maar in de natuur zijn deze genen onzichtbaar, omdat 'in het wild’ bijna niemand lang genoeg leeft om dit ook daadwerkelijk mee te maken. Hoewel deze genen dus nadelige gevolgen hebben op oudere leeftijd, zijn ze voor de voortplanting onbelangrijk. Daarom worden ze ook niet 'weggemuteerd’ en telkens weer doorgegeven aan de volgende generatie.
Op het skin-in-niveau van de cel blijkt er sprake te zijn van een vergelijkbaar mechanisme. Jonathan Weiner zit in zijn werkkamer aan Columbia University, waar hij wetenschapsjournalistiek doceert. Hij maakt een tekening voor me waarop ik kan zien hoe cellen zich delen. Bij elke celdeling wordt op een ongelijke manier 'oud’ en 'nieuw’ DNA doorgegeven aan de nieuwe cellen. Dat gebeurt niet 50/50, omdat juist een ongelijke verdeling voor alle cellen bij elkaar de beste kansen op overleving oplevert. Maar voor de individuele cel die het 'oude’ DNA heeft gekregen, betekent het een spoedig verval. 'Ook op celniveau blijkt dus sprake te zijn van opoffering’, legt Weiner uit. De individuele cel offert zich op voor de groep, net zoals op het niveau van de populatie het oudere individu zich opoffert om uiteindelijk meer voor de genen in het nageslacht te kunnen betekenen.
In de natuur verouderen vrijwel alle organismen, maar een aantal organismen is onsterfelijk. In zijn boek bespreekt Weiner de hydra, een meercellig organisme dat al zijn eigen cellen tot in oneindigheid blijft vervangen en daardoor nooit veroudert. Overigens gaan toch veel hydra dood, omdat ze worden opgegeten door andere organismen, maar doodgaan van ouderdom doen ze niet. De vraag is waarom het voor mensen niet mogelijk is om de cellen te blijven onderhouden of ze allemaal te vervangen zoals de hydra dit doet.
In 1977 stelde Denham Harman de inmiddels algemeen aanvaarde mitochondriale vrije radicalen-theorie van veroudering voor, ook wel de oxidatieve stresshypothese genoemd. Mitochondriën in ons lichaam gebruiken zuurstof voor de aanmaak van atp, een stof die als het ware de brandstof is voor alle motoren in ons lichaam. Zo nu en dan echter ketsen zuurstofmoleculen af en veranderen in oxidanten, oftewel vrije radicalen. Die vrije radicalen kunnen zich overal aan vastmaken en zorgen voor een soort roest, net als zuurstof in de lucht zorgt voor roest in ijzer. De 'roest’ hoopt zich op en richt schade aan. Zulke schade aan ons DNA kan kanker veroorzaken, in onze gewrichten kan het arthritis veroorzaken, in de zenuwcellen in onze hersens Alzheimer, zo legt Weiner uit.
Zuurstof geeft ons dus energie maar brandt ons tegelijkertijd op. Dit is dan ook de reden waarom onderzoek na onderzoek heeft aangetoond dat minder eten leidt tot een langer leven. Als we minder eten, verbranden we immers minder. Ons metabolisme draait op een lager toerental en dus vliegen er minder vrije radicalen rond die schade kunnen aanrichten. Wellicht raken we van calorierestrictie op korte termijn enigszins verslapt, maar op lange termijn wordt het verouderingsproces hierdoor afgeremd.
Het meest populaire deel van het onderzoek naar levensverlenging richt zich op dit moment dan ook op het vinden van stoffen die hetzelfde effect hebben als calorierestrictie; stoffen die het metabolisme op een lager pitje laten draaien zonder dat je je hele leven op dieet hoeft.

MAAR in plaats van het metabolisme af te remmen, kun je ook proberen om een manier te vinden om het lichaam te helpen bij het onderhoud van de cellen, bij de schoonmaak. Weiner sprak uitgebreid met een van de meest excentrieke en flamboyante figuren in de gerontologie die zich hiermee bezighouden, Aubrey de Grey. Aubrey de Grey schreef het boek Ending Aging: The Rejuvenation Breakthroughs That Could Reverse Human Aging in Our Lifetime. Volgens De Grey is onsterfelijkheid een reële optie, en wel gedurende ons eigen leven. Hij ontving zijn PhD van Cambridge en wordt alom gerespecteerd om zijn intelligentie, zijn energie en zijn creatieve inzichten, maar de meeste gerontologen nemen hem uiteindelijk toch niet serieus.
Toch is hij een van de wetenschappers geweest die het onderzoek naar het onderhoud van de cel als de sleutel naar ten minste een kwalitatief betere veroudering heeft aangezwengeld. Hij kreeg zelfs een aantal respectabele wetenschappers zo ver om door hem voorgesteld onderzoek te doen op kerkhoven. De Grey denkt namelijk dat daar microben in de aarde te vinden zijn die kunnen helpen bij de schoonmaak van onze cellen. De afvalstoffen die in grote concentraties te vinden zijn in zeer oude mensen zijn namelijk niet meer te vinden in dode lichamen. Wat bij hem de vraag opriep wat er met die stoffen is gebeurd: zijn die opgeruimd? Als in de aarde dergelijke afvalstoffen worden opgeruimd en afgevoerd, dan ligt in diezelfde aarde misschien wel het antwoord op het schoonmaakprobleem in ons levende lichaam.
Sommige biologen vonden het maar raar dat Weiner zoveel aandacht aan hem besteedde in zijn boek, maar hij vond De Grey interessant: 'Hij is kleurrijk, gedreven en allround. Veel wetenschappers zitten in een laboratorium en concentreren zich op een specialisme, maar Aubrey ziet het grotere plaatje’, aldus Weiner.
De Grey heeft een plan om ons onsterfelijk te maken. Hij heeft een oplossing voor de 'zeven dodelijke dingen’ die ons doen sterven, waarbij de zevende de grootste hobbel is: kanker. Zelfs De Grey geeft toe dat die zevende hobbel een lastige is en heeft een omzichtig plan waarbij we ons aan omvangrijke en ingrijpende chemokuren zouden moeten onderwerpen. Een volstrekt onrealistisch plan volgens velen.
Maar toch, aan de andere kant vraagt een gerontoloog als Jan Vijg, voorzitter van de respectabele en omvangrijke geneticafaculteit aan de Albert Einstein School of Medicine in New York, zich af waarom zoveel mensen overtuigd zijn dat er geen medicijn zal komen tegen veroudering. 'Je moet het omdraaien: het is heel moeilijk om wetenschappelijke argumenten te vinden die bewijzen dat onsterfel0ijkheid niet mogelijk is’, zegt Vijg aan de telefoon.
Vijg gaat zo nu en dan met Aubrey de Grey uit eten en is geïnteresseerd in zijn ideeën. Vijg verwacht zelf dat we uiteindelijk tegen een muur zullen oplopen: de muur van mutaties. Elke cel ondergaat onvoorspelbare mutaties. Die zijn elke keer anders en in die willekeur zit ’m het probleem. 'Dat is eveneens het grote probleem van kanker, maar niet veel mensen realiseren zich dat dit ook het probleem is van veroudering’, legt Vijg uit. 'Ons DNA is instabiel en dat leidt tot fouten. Maar als DNA wel stabiel zou zijn, zou er geen leven zijn. De evolutie van het leven, beginnend bij een eenvoudige bacterie en eindigend bij een extreem ingewikkeld organisme als de mens, heeft alleen maar plaats kunnen vinden door mutaties, door instabiel DNA.’ Mutaties vormen dus de bron van het leven, maar tegelijkertijd de grens.
De wetenschap schrijdt voort en sommige wetenschappers geloven niet in die muur van mutaties. Zelfs Vijg is er niet honderd procent zeker van. 'We praten over een systematische aanpak’, zegt hij, 'maar in de wetenschap gebeurt het meeste per ongeluk. Het zou zomaar kunnen dat we toch een manier vinden om onsterfelijk te worden.’
Als dit het geval zou zijn, dan is de vraag: hoe ziet een wereld van onsterfelijkheid eruit? Wat voor praktische problemen zouden zich voordoen? Veel mensen moeten er niet aan denken om voor altijd te leven. Bovendien: hoe zit het met de maatschappelijke consequenties? Worden de medische technieken voor onsterfelijkheid voor iedereen beschikbaar of alleen voor de hoogste bieder? En als we voor altijd zouden leven, of zelfs 'slechts’ duizend jaar, krijgen we dan nog wel kinderen? Misschien beter van niet in verband met de overpopulatie. Hoe stil zou het zijn zonder kinderen? Zouden we net zo snel in een auto stappen als ongelukken onze enige doodsoorzaak zijn?

ZELFS bij het meer bescheiden en realistische doel van levensverlenging zijn vraagtekens te plaatsen. Want oud zijn, vooral héél oud, is helemaal niet leuk. Susan Jacoby schrijft in haar recent verschenen Never Say Die: The Myth and Marketing of the New Old Age over de druk die oude mensen voelen om vooral maar opgewekte, nooit klagende en energieke enthousiastelingen te zijn, terwijl de realiteit van een leven van een tachtig- of negentigjarige er veelal een is van ziekte, verlies en eenzaamheid. Misschien winnen we wel jaren met de nieuwe inzichten in de wetenschap, maar hoe goed zijn die jaren eigenlijk? Het National Institute on Aging stelt een verlenging van het 'actieve, gezonde leven’ als doel. Maar stel dat iemand van 85 een pacemaker krijgt om het waardevolle leven te verlengen en vervolgens een paar jaar later de lijdensweg van Alzheimer moet doormaken. Op het moment dat de pacemaker werd geplaatst was er wellicht hoop op een actief en gezond leven, maar een paar jaar later faciliteert dezelfde pacemaker de tragische aftakeling van Alzheimer. Wat is precies de winst?
Zoals Jill Lepore in The New Yorker over veroudering en de verschillende stadia van ons leven schrijft: 'De duisternis volgde altijd de dag, maar nu niet meer. Nu doen we het licht aan en de dag eindigt nooit. Geluk was altijd een rad dat draaide en draaide, nu is het een cijfer in een kasboek, een score.’ Ze verwijst naar de historicus John Demos die meent dat het leven in de afgelopen eeuwen opgehouden is een cirkel te zijn en in plaats daarvan een lijn is geworden. 'Sinds Darwin zei dat we dieren zijn, leven we in een lijn in plaats van een cirkel’, aldus Lepore. En als het leven een lijn is, dan kan die worden verlengd. Weiner betwijfelt het. 'Darwin heeft veel dingen veranderd’, zegt hij, 'maar onze dromen van onsterfelijkheid zijn eeuwig. Mensen hebben altijd al gezocht naar manieren om hun leven te verlengen, zelfs als ze geloofden in een leven na de dood.’
De zoektocht naar eeuwig leven is misschien van alle tijden, maar de huidige wetenschappelijke opwinding en de nadruk op lichamelijke onsterfelijkheid zijn van deze tijd. We wenden ons tot de wetenschap voor een antwoord op onze meest duistere vragen en onze meest existentiële dilemma’s en concentreren ons daarbij op ons lichaam als laatste houvast. We hopen dat de wetenschap ons magie kan brengen, ons kan betoveren. In een geseculariseerde wereld hebben we geen hoop meer op leven na de dood. Er is geen troostprijs meer in de vorm van een hemel. En dus rest ons alleen nog ons lichaam, voor altijd misschien. Een van de door Weiner geïnterviewde wetenschappers vertelt: 'Het lijkt erop dat er iets gebeurt wanneer serieuze wetenschappers het probleem van ouderdom en de dood gaan bestuderen. Ze lijken gewoon gek te worden.’
En de magie heeft een prijs. De hydra die al zijn cellen tot in de eeuwigheid blijft vervangen verliest daarmee herinneringen die in het zenuwstelsel zijn opgeslagen. Het menselijk zenuwstelsel is ver ontwikkeld en stelt ons in staat informatie op te slaan, herinneringen te vormen en te leren van ervaringen. Als alle cellen in ons lichaam (inclusief hersencellen, de bouwstenen van de geest) zouden worden vervangen en schoongemaakt, zouden we onze herinneringen verliezen. Zijn we dan nog dezelfde persoon? Het lijkt erop dat de prijs voor onsterfelijkheid bestaat uit het verlies van onszelf.
Weiner formuleert het zo: 'We zijn acteurs van het zelf, scriptschrijvers van onze levens, en we hebben de dood nodig om het doek te laten vallen, anders gaat het toneelstuk te lang door; het verhaal verliest zijn vorm en houdt uiteindelijk op een verhaal te zijn.’