Gastcolumn

Nooit meer een thuiswedstrijd

De PVV zal niet regeren. Dat wil ze niet. Vanuit de oppositie zal de partij een land vol haat en wreedheid creëren.

Henk Hofland kan het als geen ander: zijn toon aanpassen aan het lezerspubliek van het blad waarin zijn stuk verschijnt. Let wel, niet de inhoud, hij is altijd links-liberaal, ernstig, ietwat statig misschien, een wijze man. Maar de toon. Die is in NRC Handelsblad net ietsje deftiger dan in De Groene Amsterdammer. In De Groene is het net even losser, net iets minder stiff upperlip. Het gaat om enkele graadjes, millimeters, want ik kan uit de stukken die ik naast elkaar heb liggen geen voorbeelden halen. Het gaat ook niet om zinnetjes, het gaat om de algemene sfeer. De lezer voelt het, maar weet niet precies waarom. En dat is knap van de schrijver.
Zelf merk ik het bij spreekbeurten. Als ik in België moet optreden, en in Antwerpen meer dan in Brussel, heb ik de neiging veel grappen te maken. Risico’s te nemen. Het Belgische publiek is goedlachs en zeer welwillend. Humor vatten ze als geen ander.
In Groningen en Leeuwarden lachen ze ook, al maak ik minder grappen. Maar ik heb niet het gevoel dat ze daar lachen omdat ze het grappig vinden. Ze lachen uit beleefdheid. Uit gastvrijheid. Groningers vooral, ze zijn overdreven gastvrij. Als ik in Groningen kom, word ik altijd begroet met: welkom in Groningen. In Brussel hoor je nooit: welkom in Brussel. Niet eens welkom in België. Groningers denken waarschijnlijk dat het een enorme moeite kost om hun stad te bereiken. Wie er aankomt, moet daarom extra goed worden bejegend. Zelf komen ze met groot gemak naar de Randstad, waar ze niet speciaal worden begroet met ‘welkom in Amsterdam’.
In Amsterdam maak ik nooit grappen tijdens spreekbeurten. Amsterdammers zijn nu eenmaal onwelwillend en arrogant. Zij doen jou een plezier door naar je te komen luisteren. De spreker moet hun dankbaar zijn. Hoogmoed en verwendheid, want er komen zo veel sprekers naar hun stad, de groten van de wereld, wie denk jij wel dat je bent?
In Den Haag maak ik ook nooit grappen, maar om andere redenen. Ik ben bang voor Hagenaars. Vooral allochtone Hagenaars, waaronder veel hindoestanen. Ze zijn ronduit vijandig, argwanend, wantrouwend. Het is niet zozeer: wie denk je dat je bent, maar eerder: we weten wat je bent, niets. Dat je daar mag staan praten is ook ons een raadsel.
Het kan komen doordat hindoestanen elkaar niet echt mogen. Het is een kleine gemeenschap waarin iedereen elkaars familie en familiegeheimen kent. Dat is oncomfortabel. En ik laat ook de mogelijkheid open dat het allemaal tussen mijn oren zit: dat ík me bedreigd voel, dat er eigenlijk geen grond voor is. Hoewel dat laatste wordt weerlegd als ik per ongeluk websites van hindoestanen bezoek. Een keer stond er: 'Die Ramdas denkt dat hij geweldig is, maar zijn moeder is een hoer.’ Mijn moeder is namelijk een gescheiden hindoevrouw.
Het publiek waar je tegenover staat maakt dus veel uit. Hoe sterk je je ook wapent, hoezeer je het ook als onbelangrijk bestempelt, de gedachte alleen al dat je tegenover vijandige mensen staat bepaalt hoe je je voorbereidt, wat je opschrijft, hoe je je voelt onderweg ernaartoe, en hoe je ten slotte overkomt.
Het kan dan twee kanten op gaan: als de zaal vijandig is, kun je zelf ook vijandig worden. Heel stoere mensen kunnen dat, er zijn figuren die genieten van weerstand en onwelwillendheid en daardoor juist beter presteren. Maar de meesten van ons zijn niet zo stoer. We willen aardig gevonden worden en gaan ons publiek paaien. We gaan door de knieën om hun liefde te winnen. Onbewust misschien, maar niettemin. Ik schaam me achteraf als ik merk dat ik de mensen in de zaal naar de mond praatte, maar dan heb ik het wel al gedaan.
Ik ben bang dat het overal zo werkt, ook in de politiek, tot in de Tweede Kamer. En daar zit precies mijn nervositeit over de groei van de pvv van Wilders. Ik weet zeker dat Nederland beschaafd genoeg is om de pvv niet tot de regering toe te laten. We zouden internationaal 'een pleefiguur’ slaan, zoals dat heet. Onze regenten zien het al gebeuren, dat de goede naam en eer van Nederland zo te grabbel worden gegooid. Dat de wereld zal denken dat wij achterlijke, reactionaire, extreem-rechtse, angstige wezels zijn met waanideeën en idiote oplossingen. Clowns, zoals die in Noord-Korea, het Iran van Ahmadinejad, het Zimbabwe van Mugabe.
Bovendien heerst het aan zekerheid grenzende vermoeden dat de pvv helemaal niet in het bestuur wil. Niet in dat van Almere of Den Haag, niet in dat van Nederland. Ze hebben er het kader niet voor. Kan men zich een minister van Volksgezondheid van de pvv voorstellen? Of van Landbouw? Nee, in de oppositie mag je alles roepen, in de regering moet je kennis hebben, nadenken, compromissen sluiten. Dat gaat het verstand van pvv'ers te boven, en dat weten ze.
Maar kunnen we daarom gerust zijn? Het is als met voetbal: men zegt dat het een goede voetballer niet uitmaakt of hij in een vijandig stadion speelt of niet. Maar hoe komt het dan dat de spelers bij een thuiswedstrijd zoveel beter zijn? Hetzelfde, impliciet en onbewust reageren op ressentiment, capituleren voor stille intimidatie, dat zie ik gebeuren in Nederland na de verkiezingen.
De psychologische invloed van al die grijnzende, ruwe en grove pvv'ers, we mogen die nooit onderschatten. Vanuit de oppositiebankjes zullen ze alle mogelijke regeringen terroriseren, en daardoor gedaan krijgen wat we vrezen: een land vol haat, sadisme en wreedheid. De pvv hoeft niet één bewindsman te leveren om de toon van de samenleving definitief te veranderen.